Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.2
7.4.2 Herziening van (stem)gedrag in kort geding
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS300178:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.3.5.
Rb. Amsterdam 20 december 2001, JOR 2002, 26.
Rb. Middelburg 14 april 1998, JOR 2000, 25.
Rb. Amsterdam 11 oktober 2006, JOR 2007, 32. De te ontbinden vennootschap verrichtte al enige tijd geen activiteiten meer en eisers wenste de vennootschap te ontbinden ten einde verdere kosten en rechtsonzekerheid te voorkomen.
Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008, 125 m.nt. Bartman.
Rb. Utrecht 11 mei 1994, KG 1994, 231.
Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974, 57.
Hoofdstuk 6, paragraaf 6.4.1.
In hoofdstuk 6 is niet alleen aan de orde gekomen dat de aandeelhouder op grond van de beperkende norm kan worden gedwongen zich van bepaald gedrag te onthouden, maar dat de aandeelhouder op grond van de positieve norm ook gedwongen kan worden zich op een bepaalde wijze te gedragen.1 Ook hiervoor moet sprake zijn van een ontoelaatbare onevenredigheid tussen het belang van de aandeelhouder en het belang dat door zijn handelen zou worden geschaad. Een vordering tot herziening kan evenals een verbod worden gevorderd in kort geding.
Hiervoor kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake Gorillapark B.V.2 Hier werd door de vennootschap en meerderheidsaandeelhouder gevorderd dat één van de minderheidsaandeelhouders zich zal gedragen overeenkomstig een nieuwe aandeelhoudersovereenkomst, waarbij deze minderheidsaandeelhouder (als enige) weigerde partij te worden. Het weigeren van de minderheidsaandeelhouder zou nieuwe financiering voor Gorillapark B.V. onmogelijk maken en met grote waarschijnlijkheid het faillissement van de vennootschap tot gevolg hebben. De president besliste dat de vordering van eisers toewijsbaar was, omdat het belang van de vennootschap zwaarder woog dan het belang van de minderheidsaandeelhouder. De president veroordeelde de minderheidsaandeelhouder omzich te gedragen conform de nieuwe aandeelhoudersovereenkomst, voor zover dit nodig is voor de door Gorillapark B.V. beoogde uitgifte van aandelen. Ook kan worden gewezen op de uitspraak van de Rechtbank Middelburg inzake Delta/Sandieson.3 Hier besloot de president dat de minderheidsaandeelhouder moest meewerken aan het verkopen van de aandelen die de vennootschap had in een dochtermaatschappij.
Voor uitspraken waarin een aandeelhouder wordt geboden zich op een bepaalde wijze te gedragen, kan niet alleen worden gewezen op uitspraken in kort geding, maar tevens op uitspraken in bodemprocedures. Zo besliste de rechtbank Amsterdam dat een aandeelhouder, op vordering van een andere aandeelhouder, in de algemene vergadering van aandeelhouders moest stemmen ten gunste van een besluit om de vennootschap te ontbinden.4 Diezelfde rechtbank besliste dat CGU, op vordering van Delta Lloyd, als aandeelhouder van Delta Lloyd moest instemmen met handhaving van het systeem van gecontroleerde coöptatie als benoemingssysteem voor de raad van commissarissen.5 Ook in de uitspraak van de rechtbank Utrecht inzake RTS werd RTS Limited op vordering van Maresfield verplicht om de onderhandelingen met betrekking tot de verkoop van zijn aandelen aan Maresfield voort te zetten.6 Daarnaast kan worden gewezen op een oudere uitspraak van de rechtbank Roermond, waarin werd geoordeeld dat de aandeelhouder in strijd handelde met hetgeen de redelijkheid en billijkheid voorschrijven ten aanzien van de uitoefening van rechten en nakoming van verplichtingen door de aandeelhouder, indien hij tegen de jaarstukken stemde zonder concreet aan te geven in hoeverre deze, naar zijn oordeel, wijziging behoeven en dusdoende vaststelling van die al dan niet gewijzigde jaarstukken verhindert.7 De aandeelhouder werd vervolgens geboden gemotiveerd te verklaren over de door het bestuur ontworpen jaarstukken en aan de vaststelling van die – al dan niet gewijzigde – jaarstukken mee te werken. Deed hij dit niet, dan werd hij geacht zich van stemming over die jaarstukken te hebben onthouden.
In hoofdstuk 6 is reeds aan de orde gekomen dat een beroep op deze positieve norm slechts toekomt aan de institutioneel betrokkenen; dit in tegenstelling tot de beperkende norm.8 Enkel institutioneel betrokkenen kunnen derhalve, op grond van de huidige wetgeving, vorderen dat de aandeelhouder zich op een bepaalde wijze gedraagt. Ook in de hierboven opgenomen jurisprudentie is sprake van een institutioneel betrokkene die de vordering instelt.