Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1198
1. Eventueel gebruik videoconferentie is beslissing van voorzitter over orde op de zitting. Hier staat geen rechtsmiddel tegen open. 2. Art. 6 EVRM staat in geval waarin (i) verdachte in buitenland verblijft en (ii) bevel tot gevangenneming is gegeven, niet in de weg aan voortzetting onderzoek ter zitting, als de niet-verschenen verdachte niet via videoconferentie kan deelnemen.
HR 04-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1625
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
4 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T.B. Trotman
- Zaaknummer
24/02069
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1625, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:795, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑03‑2025
- Wetingang
Essentie
1. Het eventuele gebruik van videoconferentie als bedoeld in art. 131a Sv is een beslissing van de voorzitter in het kader van de orde op de zitting. Tegen (het uitblijven van) deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
2. De opvatting dat art. 6 EVRM, in een geval waarin (i) de verdachte in het buitenland verblijft en (ii) tegen de verdachte een bevel tot gevangenneming is gegeven, eraan in de weg staat dat het onderzoek ter zitting wordt voortgezet, als de niet-verschenen verdachte niet in de gelegenheid wordt gesteld via videoconferentie aan dat onderzoek deel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.