Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.1.3
3.1.3 Recht op een eerlijk proces
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494941:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
D. Gomien, Short guide to the European Convention on Human Rights, Council of Europe Publishing 2005, p. 56.
N. Mole & C. Harby, The right to a fair trial. A guide to the implementation of Article 6 of the European Convention of Human Rights, Human Rights Handbook no. 3, Council of Europe 2001, p. 35.
EHRM 21 februari 1975, Serie A, 18; NJ 1975, 462.
Golder, EHRM 21 februari 1975, Serie A, 18, § 35-36.
Hortolomei, ECRM 16 april 1998, Appl. 17291/90, § 38: ‘Article 6 para. 1 of the Convention guarantees not the right to a specific court or a specific system of courts, but rather the right to have civil rights and obligations determined by ‘an independent and impartial tribunal’.’
Zie Van Dijk/Van Hoof 2006, p. 558-559; Kuijer 2004, p. 130-131.
Zie Veldt 1997, p. 14 en p. 122-123.
Hornsby, EHRM 19 maart 1997, Reports 1997, 495, § 40. Nadien herhaaldelijk bevestigd.
Zie Le Compte, van Leuven en de Meijere, EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43, § 51: ‘article 6 § 1 (...) does not oblige the Contracting States to submit disputes over ‘civil rights and obligations’ to a procedure conducted at each of its stages before ‘tribunals’ meeting the article’s various requirements. Demands of flexibility and efficiency, which are fully compatible with the protection of human rights, may justify the prior intervention of administrative or professional bodies and, a fortiori, of judicial bodies which do not satisfy the said requirements in every respect; the legal tradition of many member states of the Council of Europe may be invoked in support of such a system’. Deze lijn is bevestigd in Albert en Le Compte, EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 29.
Zie Öztürk, EHRM 21 februari 1984, Serie A, 73 § 56. Dat een gerecht moet beschikken over volledige rechtsmacht om eventuele gebreken van een lagere instantie te kunnen opheffen, blijkt uit Albert en Le Compte, EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 29 (het Belgische Cassatiehof had geen volledige bevoegdheid tot heroverweging aangezien het niet over de feiten kon oordelen). Zie voorts Zumtobel, EHRM 21 september 1993, Serie A, 268-A, § 29 en Bryan, EHRM 22 november 1995, Serie A, 335-A, § 40.
In de eerder genoemde zaken Le Compte, Van Leuven & de Meijer, Albert & Le Compte en Öztürk ging het volgens het Hof om instanties die in het nationale systeem niet behoorden tot gerechten in de klassieke zin van het woord, omdat ze geen deel uitmaakten van de ‘gewone rechterlijke macht’. Lidstaten zijn vrij om die procedures naar believen in te richten, mits gevolgd door een rechterlijke procedure die voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Deze lijn is bevestigd in Crompton, EHRM 27 oktober 2009, appl. no. 42509/05, § 70 en 77.
De Cubber, EHRM 26 oktober 1984, Serie A, 86, § 31-32. Zie Van Dijk/Van Hoof 2006, p. 567-569.
Zie o.a. Findlay, EHRM 25 februari 1997, Reports 1997, p. 263 (§ 79); Coyne, EHRM 24 september 1997, Reports 1997, p. 1842; B.E.V., ECRM 21 oktober 1998, inzake Britse militaire strafgerechten.
Zie bijv. Bryan, EHRM 22 november 1995, Serie A, 335-A, § 38-47. Bryans zaak werd in eerste instantie behandeld door een ‘inspecteur’ en vervolgens door de High Court. De procedure voor de inspecteur bevatte op zich waarborgen die gewoonlijk worden geassocieerd met onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Maar omdat de minister de beslissingsbevoegdheid van de inspecteur kon intrekken, was er een schijn van afhankelijkheid. Het beroep bij de High Court (wel een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie) was voldoende ruim in omvang om het Verenigd Koninkrijk voor een verdragsschending te behoeden. Idem Crompton, EHRM 27 oktober 2009, appl. no. 42509/05 t.a.v. ‘Army board’.
Kort gezegd heeft een ieder wiens zaak binnen het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM valt recht op een eerlijk proces, ook bekend onder de Engelse term fair trial. Met de term fair trial wordt een aantal procesrechtelijke eisen samengevat. Elementen van een eerlijk proces zijn een openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld, openbare wijzing van de uitspraak, en in het geval van strafvervolging het recht op (kosteloze) rechtsbijstand, het recht om getuigen te (doen) ondervragen en het recht om zich te laten bijstaan door een tolk. De uitdrukkelijk in de bepaling omschreven procesrechtelijke eisen vormen echter niet de gehele betekenis van artikel 6 EVRM. De werking van de bepaling is ruimer: ‘There also exist underlying principles of fairness that are not articulated in the article itself but are important to understanding its operation.’1 Zo heeft de jurisprudentie onder het begrip fair hearing aspecten gebracht, die afkomstig zijn van het common-law begrip ‘due process of law’. Het gaat daarbij om elementen als het recht op toegang tot de rechter, het recht van de verdachte op aanwezigheid bij de hoorzitting, vrijdom van zelfbeschuldiging, gelijkwaardige positie van procespartijen (equality of arms), het recht op tegenspraak (adversarial proceedings) en een gemotiveerde uitspraak.2
Het recht op toegang tot de rechter is door het Hof aangenomen in het arrest Golder.3Artikel 6 EVRM geeft elke burger het recht op beoordeling van zijn zaak door een rechterlijke instantie die zowel qua organisatie als qua procedure voldoet aan de eisen van die bepaling. Dit recht is volgens het Hof drieledig. Ten eerste moeten bestaande rechterlijke instanties aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoen, ten tweede heeft een ieder recht op toegang tot de bestaande rechterlijke instanties en ten derde heeft een ieder het recht dat, waar nog geen rechterlijke instantie bestaat, maar wel sprake is van een zaak die onder het toepassingsbereik van artikel 6 EVRM valt, deze in het leven wordt geroepen. De ratio achter dit laatste aspect van artikel 6 EVRM is dat een lidstaat bij het ontbreken van dit recht alle rechtspraak zou kunnen afschaffen zonder in strijd met artikel 6 EVRM te handelen, een situatie die volgens het Hof onacceptabel is. Het recht op toegang tot de rechter is inherent aan artikel 6 EVRM en gaat als het ware aan de procesrechtelijke eisen vooraf. Immers, welke waarde hebben de karakteristieken eerlijk, openbaar en snel proces als er in het geheel geen juridisch proces is?4 Let wel, het ‘recht op toegang’ betekent slechts dat men toegang tot een rechter moet hebben. Het geeft geen recht op toegang tot een bepaalde rechter binnen een lidstaat.5
Evenzo heeft het Hof de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen onder het recht op een eerlijk proces geschaard.6Artikel 6 EVRM is naar de letter alleen van toepassing op de fase van berechting. Ook gerechtelijke procedures die plaatsvinden na de berechting, moeten geschieden door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Denk aan een schadevergoedingsprocedure voor voorlopige hechtenis na vrijspraak, of de vergoeding van proceskosten.7 In de zaak Hornsby oordeelde het Hof:
‘that right [acces to court] would be illusory if a Contracting State's domestic legal system allowed a final, binding judicial decision to remain inoperative to the detriment of one party. (…) to construe Article 6 as being concerned exclusively with access to a court and the conduct of proceedings would be likely to lead to situations incompatible with the principle of the rule of law (…). Execution of a judgment given by any court must therefore be regarded as an integral part of the ‘trial’ for the purposes of Article 6.’8
Tot slot nog een algemene opmerking: Het onderzoek naar schending van artikel 6 EVRM, dus onder meer naar de onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie, betreft in beginsel de gehele procedure die de klager ter beschikking stond. Niet elke afzonderlijke fase in een procedure hoeft aan alle vereisten van artikel 6 EVRM te voldoen.9 Genoeg is dat de laatste beroepsgang daaraan voldoet. Zo is het onder meer uit proceseconomisch oogpunt toegestaan dat een lidstaat verkeersboetes standaard via een administratieve rechtsgang afhandelt, zolang tegen de administratieve beschikking maar beroep open staat bij een rechterlijke instantie die wel in alle opzichten aan het artikel voldoet, én over volledige rechtsmacht beschikt.10 Dit laatste is een belangrijke precisering van de mogelijkheid voor lidstaten om bepaalde zaken door administratieve of quasi-rechterlijke instanties te laten behandelen. Aldus kunnen in hoger beroep gebreken die aanwezig waren bij de lagere (rechterlijke) instantie in beginsel worden ‘hersteld’. Hierbij moet worden aangetekend dat het Hof een onderscheid maakt tussen enerzijds procedures die in het nationale recht van de lidstaat zijn gekwalificeerd als disciplinaire of administratieve procedures, terwijl deze als gevolg van de autonome uitleg van artikel 6 EVRM wel onder het toepassingsgebied vallen,11 en anderzijds procedures die zowel naar verdragsrecht als naar nationaal recht worden aangemerkt als straf- of civielrechtelijk van aard.12 Die laatste categorie valt binnen het traditionele en natuurlijke toepassingsgebied van artikel 6 EVRM (‘klassieke’ gerechten) en daarom moeten alle betrokken instanties onverkort aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoen.13
Als gevolg van deze ‘herstelleer’ komt het in bepaalde zaken dus voor dat het Hof concludeert dat een lagere (rechterlijke) instantie niet onafhankelijk was, maar artikel 6 EVRM toch niet geschonden acht, omdat er beroep tegen de uitspraak van die instantie open stond bij een volledig bevoegd gerecht dat wel onafhankelijk was.14 Die eindconclusie doet niet af aan het oordeel van het Hof over die lagere instantie en de waarde daarvan voor dit onderzoek naar de betekenis van onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM. Immers, daaruit blijkt dat een (rechterlijke) instantie met die bepaalde genoemde kenmerken (gebreken) niet onafhankelijk is in de zin van artikel 6 EVRM. Was dat gerecht de laatst oordelende instantie in de procedure geweest, dan zou op grond van die gebreken artikel 6 EVRM wel zijn geschonden.