Einde inhoudsopgave
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.4.3.0
5.4.3.0
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius, datum 20-11-2014
- Datum
20-11-2014
- Auteur
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius
- JCDI
JCDI:ADS599982:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verdam (diss. VU Amsterdam) 1940, p. 95.
Vgl. Huizink 2013, p. 220-221 & Huizink (diss. Groningen) 1989, p. 6, waar hij een onderscheid lijkt te maken tussen (direct) extern werkende besluiten die geen betrekking hebben op deelname van de rechtspersoon als rechtssubject aan het rechtsverkeer (bijvoorbeeld benoeming en ontslag van bestuurders) en (direct) extern werkende besluiten waarmee een rechtspersoon als rechtssubject aan het rechtsverkeer deelneemt (bijvoorbeeld bestuursbesluit tot aanvaarding van een aanbod). Het door Huizink gebezigde onderscheid is mijns inziens moeilijk verdedigbaar, omdat extern werkende besluiten altijd effect hebben in het rechtsverkeer. Zo doet het ontslag van een bestuurder de lidmaatschapsverhouding van een natuurlijk persoon met de vennootschap eindigen. Met andere woorden; er wijzigt iets in het rechtsverkeer. De verbroken rechtsverhouding verbond de bestuurder buiten orgaanverband met de interne orde van de vennootschap, waardoor deze bestuurder binnen orgaanverband kon handelen.
Zie Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 574. Vgl. Huizink 2013, p. 220, waar hij stelt dat: ‘Bij besluiten met (direct) externe werking valt het besluit als rechtshandeling van de rechtspersoon (als organisatie) samen met de externe handeling van de rechtspersoon (als rechtssubject).’
Zie Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 1-3 (Koninklijke boodschap; voorstel van wet; en memorie van toelichting), p. 63.
Zie Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 315. Zie ook Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 292, waar hij spreekt over de vertegenwoordiging als sequeel van het besluit.
Gesteld kan worden dat het besluit als zodanig geen externe werking heeft, omdat zonder mededeling de externe werking nog niet is voltooid (artikel 3:33 jo. 3:37 lid 3 BW). Zie in dit verband Slagter 2005, p. 68 en Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 305.
Zie in dit verband Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, p. 511-512 en Van Schilfgaarde/ Winter/Wezeman 2013, nr. 54.
Zie in dit verband Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 292 en Koppert-van Beek 2006, p. 5.
Zie Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 305-306.
Zie Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, p. 512.
Zie over indirect extern werkende besluiten paragraaf 5.4.2.2.
Zie meer uitgebreid paragraaf 5.4.4.
Zie in dit verband Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 54. Vgl. Huizink (GS), artikel 130 Boek 2 BW, aant. 4.2 (2012), waarin hij ook een andersluidende visie beschrijft waarin met het bestuur is bedoeld de gezamenlijke bestuurders, die om de vennootschap te vertegenwoordigen, allen moeten optreden, hetzij in persoon, hetzij bij volmacht. Alle akten waarbij de vennootschap partij is, moeten dan ook door alle bestuurders of gevolmachtigden worden ondertekend.
Zie in dit verband Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/396 en Van Schilfgaarde/ Winter/Wezeman 2013, nr. 54.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/396. Deze opmerking zou in strijd kunnen zijn met het uitgangspunt dat ook het bestuursbesluit een besluit is dat tot stand komt binnen een orgaan als vrucht van onderling overleg (HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 (Wijsmuller)).
Zie Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/80; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2- II* 2009/396 e.v.; Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 54; en De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 67.
Zie in dit verband Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/80, 109 en 149; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/396; Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 54; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 238; Gepken-Jager (diss. Groningen) 2000, p. 276; en Koppert-van Beek 2006, p. 4. Anders Honée 1990, p. 40, waar hij betoogt dat deze theorie het wettelijk stelsel ernstig verstoort: ‘Wat individuele bestuurders die van de vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn uitgesloten, niet kunnen bewerkstelligen als vertegenwoordigers, kunnen zij wel als boden, mits er maar een bestuursbesluit is. Dat lijkt mij ongerijmd. Ik zou daarom de stelling dat een tot de wederpartij gerichte rechtshandeling ook kan worden gesteld door bestuursbesluiten als onjuist willen bestempelen.’ [Onderstr. MC] Anders Pitlo/Löwensteyn 1994, p. 157, Löwensteyn acht vertegenwoordiging door middel van een besluit mogelijk, maar zijn bezwaar is een ander: ‘(…) in de bestreden opvatting zal de wederpartij moeten na gaan of de bestuurders inderdaad bij meerderheid van stemmen hebben beslist in een bestuursvergadering waarin zijn allen aanwezig waren, waartoe zij allen althans op de door de statuten voorgeschreven wijze, subsidiair op de door redelijkheid en billijkheid van artikel 8 lid 1, Boek 2 geboden manier waren opgeroepen en waarin het wat betreft besluitvorming betreft naar behoren is toegegaan. Het gaat hier derhalve om feiten en omstandigheden, die men zelfs niet door het raadplegen van het verenigingsregister op het spoor kan komen. Dit lijkt ons volstrekt onverenigbaar met artikel 9 van de Richtlijn dat er naar streeft om zelfs de noodzaak van raadpleging van de openbare registers voor de wederpartij tot een minimum te beperken.’ [Onderstr. MC] Anders Buijn & Storm 2013, p. 274, zij menen dat een bestuursbesluit geen externe werking kent: ‘Aan het besluit dient eerst nog uitvoering te worden gegeven. Bij uitvoering gelden de vertegenwoordigingsregels. Derden behoeven zich immers niet te bekommeren omtrent de vraag of de besluitvorming intern in de vennootschap op rechtsgeldige wijze totstand is gekomen. Het stelsel van de Eerste Richtlijn geeft de derde deze vorm van bescherming. Daaruit maken wij tevens op dat derden geen rechten kunnen ontlenen aan interne besluitvorming.’ [Onderstr. MC] Anders Slagter 2005, p. 81, waar hij grote vraagtekens plaats bij het concept van het besluit met externe gevolgen: ‘Het uitgangspunt is onzes inziens, dat een besluit een rechtshandeling is van eigen aard, die gestalte geeft aan de interne wilsvorming binnen een rechtspersoon. Het is een interne rechtshandeling. Het besluitvormingsproces speelt zich af binnen de organisatie van de rechtspersoon. De besluitvorming is op zichzelf niet tot een wederpartij van de rechtspersoon gericht. Pas door de uitvoering van dit besluit gaat dit extern werken. Dit geldt net zo goed voor een benoemingsbesluit als voor ieder ander besluit. De benoemde moet eerst van het benoemingsbesluit in kennis worden gesteld en vervolgens de benoeming hebben aanvaard. Beide elementen, het interne en het externe, kunnen in tijd maar niet in wezen, samenvallen, indien de derde, op wie het besluit betrekking heeft, bij het nemen van het besluit aanwezig is. Daarom faalt ook het onderscheid tussen indirect externe werking en direct externe werking.’ [Onderstr. MC]
Zie in dit verband Van Schilgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 203; De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 70.
Zie in dit verband paragraaf 5.4.2.2.
Zie Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 344-345.
Anders Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 344-345 oplossingsrichting onder a.
Zie Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 316-317. Vgl. HR 12 december 2011, JOR 2011/ 363, r.o. 3.6.2 (Van Welie/M.E. Beheer BV).
Vgl. Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 345 oplossingsrichting onder b.
Zie Assink/Slagter (Deel 1) 2013, p. 345 oplossingsrichting onder c.
Vgl. HR 24 december 1914, NJ 1915, p. 257, waarin als Hoge Raad als volgt oordeelde: ‘(…) dat eene N. V. niet alleen door hare directeuren, maar ook door andere personen voor haar als orgaan optredende, met wie zij derhalve als rechtspersoon moet worden vereenzelvigd, aan het rechtsleven kan deelnemen (…)’.
Zie in dit verband HR 20 maart 1941, NJ 1941, 542 (Paanakker’s Schoenhandel); HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 375 (Sjardin-Sjartec); en Rb. Zwolle 9 oktober 2001, ECLI:NL:RBZWO:2001: AD332. Zie ook Van der Heijden 1936 (ii), p. 154: ‘Maar niet altijd staan besluit en handeling aan verschillende organen. Zoo benoemt de algemeene vergadering der n. v. haar bestuurders. In het besluit, dat zij daartoe neemt, voegt zij de daad bij het woord; zij bepaalt den wil der vennootschap en voert dien tevens uit.’ Zie eveneens Maeijer 1978, p. 82-83, waar hij de werking van het direct extern werkend benoemingsbesluit als volgt beschrijft: ‘Zo is een besluit tot benoeming van een bestuurder niet alleen een intern werkende rechtshandeling welke beoogt te voorzien in de leiding van het samenwerkingsverband, maar ook en tegelijkertijd een externe rechtshandeling voor zover deze als geuite wilsbepaling van de vennootschap tot het aangaan van een bestuursovereenkomst, erop is gericht tussen de vennootschap en de te benoemen derden een rechtsverhouding te doen ontstaan.’ Zie over het ontstaan van de tweeledige betrekking van bestuurder tot de vennootschap paragraaf 5.4.3.1 onder iv (Hof Arnhem-Leeuwarden zp. Arnhem 15 januari 2013, JOR 2013/331, m.nt. Bulten (Vernhout/Nano Technology Instruments-Europe)).
Anders Asser/Maeijer 2-III 2000/310; Huizink (diss. Groningen) 1989, p. 96; en GS Rechtspersonen, artikel 135 Boek 2 BW, aantekening 2 (2004).
Zie in dit verband Schwarz 2001, p. 51, waar hij het volgende opmerkt: ‘We gaan er overigens van uit dat de décharge als een rechtshandeling van de vennootschap valt te kwalificeren, in welk kader de vraag opkomt hoe een algemene vergadering zo’n vertegenwoordigingshandeling kan stellen. Dit probleem wordt opgelost door de aanname dat het décharge besluit een zogenaamd “direct extern werkend” besluit vormt, nu het gaat om een besluit, inhoudende een rechtshandeling die tot een bestuurder is gericht. In die visie is het besluit, als het wordt genomen, tevens te bezien als een daad van vertegenwoordiging.’ Zie ook Lennarts 2008, paragraaf II.6 en Barneveld 2011, paragraaf 3.2.
Zie De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 70-71. Zie in vergelijkbare zin Van der Heijden 1936 (i), no. 237; Van der Heijden 1936 (iii), p. 172; HR 20 maart 1941, NJ 1941, 542, m.nt. Meijers (Paanakker’s Schoenhandel); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/329; Assink/ Slagter 2013, p. 304; Buijn & Storm 2013, p. 411; en Boschma (diss. Groningen) 1997, p. 64 en 74.
Zie Huizink (diss. Groningen) 1989, p. 6. Zie ook Huizink 2013, p. 227-228.
Zie meer uitgebreid over HR 19 oktober 2001, JOR 2002/1 (Utrechts Monumentenfonds) paragraaf 5.4.3.1 onder i.
Zie bijvoorbeeld HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 (Ellem Beheer), waaruit volgt dat een enig aandeelhouder kan besluiten om zichzelf als bestuurder te dechargeren.
Zie Boschma (diss. Groningen) 1997, p. 74.
Artikel 2:257 en 2:272 BW.
Artikel 2:239 lid 6 BW.
Besluiten zijn in beginsel gericht op interne wilsvorming en niet op vertegenwoordiging. De vennootschap kan ook besluiten nemen, welke (direct) ten opzichte van derden rechtsgevolgen hebben. Verdam merkte in 1940 ten aanzien van de externe werking van besluiten het volgende op: ‘Externe werking van een besluit vindt men in de beteekenis van het besluit voor de verhouding tusschen de rechtspersoon en derden.’1 In beginsel manifesteren de rechtsgevolgen van een (direct) extern werkend besluit zich buiten de interne orde van de vennootschap, waardoor een derde rechtstreeks door het besluit wordt betrokken in het rechtsverkeer.2 Dit laat onverlet dat een dergelijk besluit tevens interne werking heeft, omdat het besluit ook rechtsgevolgen voor de vennootschap heeft. Het vorenstaande betekent dat wanneer het tot besluitvorming bevoegde orgaan tot vertegenwoordiging bevoegd is, het besluit tevens de vertegenwoordigingshandeling kan inhouden.
Het gaat hier dus om een categorie van besluiten die rechtstreeks rechtseffect hebben tegenover derden tot wie zij zich richten en waarin de vertegenwoordigingshandeling ligt besloten. In de woorden van Raaijmakers: ‘Interne wilsvorming (besluit van de rechtspersoon) en externe wilsverklaring (externe vertegenwoordiging) vloeien hier in elkaar over.’3 Dergelijke besluiten worden geduid als besluiten met direct externe werking. Artikel 2:16 lid 2 BW, welk artikel in paragraaf 5.4.2.2 is besproken, handelt eveneens over direct extern werkende besluiten: ‘Is het besluit een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht (…).’ Uit deze zinsnede blijkt dat een besluit een tot de wederpartij gerichte rechtshandeling kan zijn. De memorie van toelichting bij artikel 2:16 lid 2 BW omschrijft een direct extern werkend besluit als volgt: ‘(…) besluiten waardoor de rechtspersoon een handeling – een aanbod of het aanvaarden van een aanbod, of een (andere) eenzijdige rechtshandeling – verricht.’4 Winter en Wezeman merken over een rechtstreeks tot de wederpartij gerichte rechtshandeling op, dat deze rechtshandeling enerzijds een besluitaspect en anderzijds een vertegenwoordigingsaspect bevat.5
Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt.6 Indien de wederpartij niet ten tijde van het nemen van het besluit aanwezig of vertegenwoordigd was, moet de inhoud van het besluit mondeling dan wel schriftelijk aan de wederpartij worden overgebracht teneinde tegenover haar rechtsgevolg te hebben.7 Dit roept de vraag op of deze mededeling een vertegenwoordigingshandeling behelst. Deze vraag dient mijns inziens ontkennend te worden beantwoord omdat degene die de mededeling doet, fungeert als bode. Vandaar de in dat verband gehanteerde term bodehandeling. Een aparte vertegenwoordigingshandeling ter uitvoering van het besluit is niet meer nodig, omdat vertegenwoordiging als component van het direct extern werkende besluit reeds heeft plaatsgehad.8 Assink kwalificeert de bodehandeling als volgt: ‘Het is een feitelijke uitvoeringshandeling die voortvloeit uit en volgt op het besluit als rechtshandeling, samen tevens de beoogde externe werking van die rechtshandeling jegens de wederpartij – en daarmee de vertegenwoordiging van de rechtspersoon – constituerend (in aanvulling op de reeds aanwezige interne werking van die rechtshandeling, binnen de rechtspersoon).’9 Dortmond is van mening dat bij afwezigheid van de wederpartij bij het nemen van het direct extern werkende besluit het bestuur dé aangewezen instantie is om voor deze mededeling zorg te dragen.10 Mijns inziens maakt het niet uit wie als bode fungeert. Voldoende is dat de wederpartij tot wie het externe besluit was gericht op enigerlei wijze van de inhoud van het besluit op de hoogte wordt gesteld.11
Besluiten met direct externe werking dienen mijns inziens als volgt te worden omschreven. Een direct extern werkend besluit bestaat uit twee wezenlijke componenten, te weten: interne wilsvorming en vertegenwoordiging. In tegenstelling tot een indirect extern werkend besluit roept een direct extern werkend besluit rechtstreeks rechtsgevolgen ten aanzien van de betrokken derde in het leven, zonder dat door middel van een aparte vertegenwoordigingshandeling buiten de interne orde wordt getreden.12 Oftewel, een direct extern werkend besluit is een eenzijdige rechtshandeling, omdat het rechtsgevolg slechts door de wilsuiting van één partij tot stand komt. De omstandigheid dat de inhoud van het besluit nog apart aan de betrokkene moet worden overgebracht door middel van een bodehandeling doet hieraan niet af. Het besluit is mede een rechtshandeling of wilsverklaring ten aanzien van een derde en in die zin is de vertegenwoordigingshandeling met het nemen van het besluit voltooid. Naast de bodehandeling moet mogelijkerwijs op basis van het doel en de strekking van het direct extern werkende besluit nog uitvoering worden gegeven aan het besluit. Naar mijn mening kwalificeert een dergelijke uitvoeringshandeling als een functionaliteit die voortvloeit uit het besluit.13
Aangezien over het algemeen het bestuur het tot vertegenwoordiging bevoegde orgaan is, kunnen besluitvorming en vertegenwoordiging met name bij bestuursbesluiten samenkomen in een besluit met direct externe werking. Op grond van artikel 2:240 lid 1 BW zijn primair de bestuurders handelend binnen orgaanverband als besluitvormend college bevoegd tot vertegenwoordiging van de vennootschap.14 Een minderheid, die tegen de gewenste besluitvorming is, kan bij besluit door een meerderheid worden gepasseerd. Dit betekent dat in het bestuur de beslissingsmacht aan de meerderheid van de bestuurders toekomt.15 In de woorden van Van Solinge en Nieuwe Weme zou in dit verband het volgende kunnen worden gesteld: ‘Het bestuur is dus niet de totaliteit van de bestuurders gezamenlijk handelend.’16 Naar het wettelijk uitgangspunt van artikel 2:240 lid 2 BW is iedere individuele bestuurder, naast het bestuur, bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Statutair kan aan individuele bestuurders de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid worden ontnomen. Als aan individuele bestuurders geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt, betekent dit dat uitsluitend het bestuur als besluitvormend college de vennootschap bij besluit kan vertegenwoordigen.17 Dit lijkt ook de heersende opvatting in de literatuur te zijn, waarin wordt gesteld dat de vennootschap rechtsgeldig kan worden vertegenwoordigd bij bestuursbesluit.18 Men denke aan de volgende bestuursbesluiten: (i) een bestuursbesluit tot volmachtverlening; (ii) een bestuursbesluit tot bekrachtiging van een door een onbevoegde gestelde vertegenwoordigingshandeling; en (iii) het doen van een aanbod of het aanvaarden daarvan.19
De samenloop van artikel 2:14-16 BW met artikel 2:240 lid 3 BW kan, net als bij besluiten met indirect externe werking,20 ingeval een nietig of vernietigd direct extern werkend bestuursbesluit aan de orde is, tot lastige vragen leiden. Indien het direct extern werkende bestuursbesluit nietig is ex artikel 2:14 lid 1 BW of vernietigd wordt ingevolge artikel 2:15 lid 1 BW zou ik, net als Assink, willen aannemen dat door de nietigheid van het bestuursbesluit de beide componenten (interne wilsvorming en vertegenwoordiging) van het direct extern werkende besluit komen te vervallen.21 Degene tot wie het besluit was gericht wordt op grond van artikel 2:16 lid 2 BW beschermd, indien hij het gebrek kende noch behoefde te kennen. Als gevolg van de bescherming die de derde in het rechtsverkeer mogelijkerwijs geniet, herleeft de (oorspronkelijke) rechtsbetrekking tussen de vennootschap en de derde. Het voorgaande is minder vanzelfsprekend indien een voorafgaande wettelijke of statutaire goedkeuring door een ander orgaan van de vennootschap ontbreekt. Het direct extern werkende bestuursbesluit is dan absoluut nietig op grond van artikel 2:14 lid 2 BW.22 De vraag die beantwoording behoeft, is wat de nietigheid van het bestuursbesluit, gelet op artikel 2:240 lid 3BW, betekent voor de externe rechtshandeling als onderdeel van het direct extern werkende bestuursbesluit. Vervolgens rijst de vraag wat het wegvallen van de vertegenwoordigingshandeling betekent voor de positie van de wederpartij tot wie het direct externe bestuursbesluit rechtstreeks was gericht.
Winter en Wezeman zijn van mening dat, ingevolge de onbeperkte en onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of de bestuurders ex artikel 2:240 lid 3 BW, de nietigheid van het bestuursbesluit de geldigheid van het bestuursbesluit als externe rechtshandeling onverlet laat. Aan artikel 2:16 lid 2 BW wordt dan niet toegekomen.23 Het interne gebrek, het ontbreken van de goedkeuring, kan niet aan de derde worden tegengeworpen omdat het vertegenwoordigingsaspect prevaleert.24 Met Assink meen ik dat de meest zuivere oplossing is dat de vertegenwoordigingscomponent van het direct extern werkende besluit is komen te vervallen. In dat geval prevaleert artikel 2:16 lid 2 BW boven artikel 2:240 lid 3 BW. Met andere woorden; de vertegenwoordigingscomponent is komen te vervallen, maar de derde wordt mogelijk beschermd via de weg van artikel 2:16 lid 2 BW. Met de toepassing van artikel 2:16 lid 2 BW heeft de vennootschap de mogelijkheid om de externe rechtshandeling aan te tasten, indien de wederpartij het gebrek dat aan het direct extern werkende besluit kleefde, kende of behoorde te kennen.25 Bekrachtiging van het bestuursbesluit op grond van artikel 2:14 lid 2 BW is bij deze oplossing mogelijk.
In bepaalde wettelijke gevallen komt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennootschap niet toe aan het bestuur, maar aan een ander orgaan van de vennootschap.26 De Monchy en Timmerman noemen in dit verband de volgende AV-besluiten die naar hun karakter wel direct externe werking moeten hebben: (i) een besluit tot benoeming;27 schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen; (ii) een besluit tot bezoldiging van bestuurders en commissarissen;28 (iii) een besluit tot decharge van bestuurders;29 (iv) een besluit tot benoeming van de accountant; en (v) een besluit tot vaststelling van het dividend.30 De wettelijke regeling van artikel 2:240 BW is niet van toepassing op dit soort AV-besluiten, welke tevens een vertegenwoordigingscomponent bevatten. Huizink merkt in zijn dissertatie dienaangaande op dat: ‘Soms zijn dat direct extern werkende besluiten waaraan dan een vertegenwoordigingsaspect kleeft. Maar dan wel vertegenwoordiging van andere aard dan vertegenwoordiging op grond van de artt. 45, 130, 240, 292 Boek 2 BW. Wanneer het besluit achteraf ongeldig blijkt, zijn die bepalingen niet van toepassing op de vraag of de rechtspersoon gebonden is.’31 Deze benadering lijkt een zekere parallellie op te leveren met de zienswijze van de Hoge Raad in het arrest Utrechts Monumentenfonds, waar immers wordt gezegd dat een direct extern werkend bestuursbesluit tot aanvaarding van een aanbod direct gevolgen heeft, maar er toch een ‘volmacht-gedachte’ kleeft aan de vertegenwoordigingscomponent van het direct extern werkende besluit. Deze volmacht wordt niet beheerst door artikel 2:240 BW.32 Dergelijke besluiten kunnen worden gezien als een rechtstreeks tot de betrokkene gerichte rechtshandeling van de vennootschap. Voor een persoon die als enig aandeelhouder(/bestuurder) als AV optreedt, betekent dit dat een door hem binnen orgaanverband genomen direct extern werkend besluit, tot zichzelf buiten orgaanverband is gericht.33 In deze zin kan mijns inziens worden gesteld dat de enig aandeelhouder in dit geval acteert als vertegenwoordiger van de vennootschap.34 De vennootschap kan dus ook door andere organen dan het bestuur worden vertegenwoordigd bij (direct extern werkend) besluit.
De vennootschap kan ook bij een direct extern werkend besluit worden vertegenwoordigd door de raad van commissarissen.35 Denk aan de volgende RvC-besluiten: (i) de benoeming van een accountant;36 (ii) schorsing en ontslag van bestuurders door de RvC;37 en (iii) de situatie waarin een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft en hierdoor geen bestuursbesluit mag nemen en het besluit derhalve wordt genomen door de RvC.38