De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.11:II.5.11 Slot
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.11
II.5.11 Slot
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285011:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik kom terug op mijn beginvraag: wat zijn de kwaliteiten en gebreken van de grondwetsherzieningsprocedure? Ik stip hier vooral punten aan, die verbetering behoeven. Er bestaat onduidelijkheid over de tijdige indiening of aanhangigmaking van wetsvoorstellen in tweede lezing en met betrekking tot de ‘late verklaringswetten’. In het volgende hoofdstuk kom ik terug op een mogelijke oplossing daarvoor. De kwestie omtrent welke Tweede Kamer nog over de tweede lezing mag gaan dient ook verduidelijkt te worden. Met de eis van gekwalificeerde meerderheid is niets mis, dus die zal in hoofdstuk 6 geen aparte bespreking krijgen. De positie van de Eerste Kamer in de tweede lezing maakt de grondwetsherzieningsprocedure incoherent. Dat onderwerp zal in hoofdstuk 6 ook nadrukkelijk terugkeren.
In dit hoofdstuk heb ik betoogd dat tussentijdse ontbindingsverkiezingen niet het doel hebben om een kiezersraadpleging over een concrete grondwetsherziening te realiseren, maar in het licht staan van het bewerkstelligen van checks and balances. Ik onderbouw deze stelling onder meer met de idee dat de eis van ontbinding is ontstaan in een tijd waarin de oorspronkelijke visie op representatie dominant was.
Deze oorspronkelijke visie is steeds minder dominant geworden. Dat maakt dat de tussentijdse ontbindingsverkiezingen in het kader van een grondwetsherziening in een ander perspectief kwamen te staan. Het parlement moest binnen die visie idealiter een afspiegeling vormen van het electoraat. In het verlengde van die visie valt de stelling te af te leiden dat de kiezer zich moet uit kunnen laten over een concrete grondwetsherziening bij tussentijdse ontbindingsverkiezingen. De grondwetgever van 1983 lijkt deze stelling (zij het vrij indirect) te ondersteunen.
Het probleem is dat de basisstructuur van de grondwetsherzieningsprocedure (met het systeem van tussentijdse ontbindingsverkiezingen) dateert uit 1848, terwijl de moderne visie op representatie zich pas later heeft gemanifesteerd. In mijn ogen past het systeem van ontbindingsverkiezingen zoals deze momenteel is vervat, vooral binnen die oorspronkelijke visie op representatie en niet binnen de moderne visie op representatie. Dit zorgt voor onduidelijkheid. In het volgende hoofdstuk heb ik oog voor het feit dat de grondwetsherzieningsprocedure nu opereert in een tijd waarin de moderne visie op representatie dominant is. Ik zal daarin bezien in hoeverre een kiezersraadpleging wél op adequate wijze gestalte kan krijgen in de grondwetsherzieningsprocedure.