Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.2.3
7.4.4.2.3 De inhoudelijk onjuiste aangifte: voldoende ernstige tekortkomingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940233:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.6, BNB 2010/47, r.o. 3.3.1. Ook in HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, r.o. 3.4.2 geeft de Hoge Raad duidelijk het cumulatieve karakter aan (‘absoluut en relatief aanzienlijk’).
HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.6, BNB 2010/47, r.o. 3.3.1. De Hoge Raad stelde de inkomstenbelasting hierbij expliciet op één lijn met de loon- en omzetbelasting. In latere arresten heeft de Hoge Raad deze opvatting bij herhaling bevestigd, zie, HR 9 januari 2015, V-N 2015/6.9, BNB 2015/52 (m.n. r.o. 3.2), HR 24 april 2015, V-N 2015/21.4, BNB 2015/176 (r.o. 2.3.2).
HR 9 januari 2015, V-N 2015/6.9, BNB 2015/52 (onder ‘Slotsom’).
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5.
HR 9 november 2012, V-N 2012/57.5, BNB 2013/26. Vermoedelijk is ook 6,83 % te gering, zie HR 13 september 2000, V-N 2000/43.6, BNB 2000/337 (berekend aan de hand van bruto lonen).
HR 24 april 2015, V-N 2015/21.4, BNB 2015/176. In de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, V-N 2019/22.19 haalt de Redactie Vakstudie-Nieuws een geval aan waarin een afwijking van 13 % verhoudingsgewijs aanzienlijk was, maar zonder daarbij een vindplaats te noemen.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, V-N 2017/17.22.1, r.o. 4.4.4, legt met zoveel woorden de grens van 10 % aan. Zie in deze zin ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 9 januari 2015, V-N 2015/6.9 en de noot van Van Amersfoort (punt 4) bij HR 9 november 2012, BNB 2013/26.
HR 24 april 2015, V-N 2015/21.4, BNB 2015/176.
HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.22, BNB 2018/199, r.o. 2.3.3 en HR 17 augustus 2018, FED 2018/153. A-G IJzerman had in zijn Conclusie nog voorgesteld om het absoluut aanzienlijk-criterium te laten vallen (zie V-N 2018/20.4), maar de Hoge Raad hield nadrukkelijk vast aan zijn jurisprudentie op dit punt en gaf – eveneens in weerwil van de suggestie van de A-G – evenmin een concrete (onder)grens aan. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, V-N 2019/22.19 achtte ook een bedrag van € 810 niet op zichzelf beschouwd aanzienlijk, maar in Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.11, een bedrag van € 950 wél absoluut aanzienlijk. Zie ook Hof Amsterdam 18 mei 2021, V-N 2021/36.4, r.o. 5.3.1 e.v.: € 1.507 is absoluut aanzienlijk en Hof Den Haag 15 augustus 2018, V-N 2018/58.1.8: € 875 is absoluut aanzienlijk.
HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.6, BNB 2010/47, r.o. 3.3.2, HR 11 april 2014, V-N 2014/19.6, BNB 2014/167, HR 24 april 2015, V-N 2015/21.4, BNB 2015/176, r.o. 2.3.2.
Het gaat voor de omkering duidelijk om een culpa-verwijt (zie omtrent de begrippen opzet en schuld nader paragraaf 6.4). In HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.4.3 heeft de Hoge Raad dit verduidelijkt: aan het criterium is ook voldaan als de belastingplichtige niet daadwerkelijk wist, maar wel had behoren te weten dat door de inhoudelijke gebreken een aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven.
HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.4, BNB 2010/49, Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, V-N 2016/11.5, r.o. 4.8. Het begrip pleitbaar standpunt wordt in dit verband hetzelfde uitgelegd als in het boeterecht, HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.20, BNB 2020/108, r.o. 3.1.4. Zie over de inhoudelijke betekenis van het begrip nader paragraaf 9.4.2.
HR 30 oktober 2009, V-N 2009/53.6, BNB 2010/47, r.o. 3.3.2, Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, V-N 2016/11.5, r.o. 4.8.
Hof 's-Hertogenbosch 21 juni 2019, V-N 2019/57.25.2, r.o. 4.4 (in deze casus kwam de inspecteur op dit punt in de problemen, omdat hij de omvang van de correctie door extrapolatie voor een heel jaar had bepaald en niet voor elk tijdvak (in casu: elk kwartaal) afzonderlijk).
HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, r.o. 3.4.2, HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.19, Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.9.
De derde categorie gevallen waarin niet de vereiste aangifte is gedaan, betreft gevallen waarin de aangifte inhoudelijk onjuist is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat er twee toetsingscriteria worden aangelegd om te bepalen of de inhoudelijke onjuistheden van voldoende gewicht zijn.
In de eerste plaats toetst de Hoge Raad aan een kwantitatief criterium, waarbij zowel de relatieve omvang als de absolute omvang van de onjuistheden wordt beoordeeld. Deze omvangscriteria zijn cumulatief: volgens de Hoge Raad kan bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien (1) die gebreken ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en (2) het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk is.1 Het draait bij deze omvangscriteria zowel bij de aanslagbelastingen als bij de aangiftebelastingen dus om het belastingbedrag (en niet om belastbaar inkomen, loon of omzet).2 Bij aanslagbelastingen gaat het om het belastingbedrag ‘onder aan de streep’, dus na verrekening van eventuele voorheffingen en heffingskortingen.3
De vraag wanneer de kritische grenzen precies worden bereikt, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden.4 Uit een arrest uit 2012 volgt dat een relatieve afwijking in termen van belastingbedrag van 5,54 % in ieder geval te gering is.5 In 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een verschil van 19 % wél verhoudingsgewijs aanzienlijk is.6 Wat betreft de relatieve toets lijkt de grens rond de 10 % te liggen.7 Wat betreft de absolute toets heeft de Hoge Raad overwogen dat een verschil tussen de volgens de aangifte verschuldigde belasting en de daadwerkelijk verschuldigde belasting van € 2.101 aanzienlijk is.8 Bedragen van € 715 en € 736 zijn daarentegen niet op zichzelf beschouwd aanzienlijk.9
In de tweede plaats geldt een kwalitatief criterium. Dat er in absolute en relatieve zin een aanzienlijk te lage belastingschuld uit de inhoudelijk onjuiste aangifte voortvloeit, is niet genoeg. Als alleen aan de beide (objectieve) omvangscriteria wordt voldaan, volgt er geen omkering. Het moet namelijk ook aan de belastingplichtige te wijten zijn dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel relatief als absoluut aanzienlijk te laag is. De Hoge Raad gebruikt in dit verband de formulering ‘wist dan wel zich ervan bewust moest zijn’ (nevengeschikt dus).10 Daarbij brengt de Hoge Raad een duidelijk onderscheid aan tussen de voor opzet vereiste subjectieve bewustheid en de voor de omkering in dit verband vereiste geobjectiveerde bewustheid (‘had moeten zijn’).11 Daaruit volgt dat wanneer de belastingplichtige een pleitbaar standpunt heeft ingenomen, de geobjectiveerde bewustheid ontbreekt.12
De verhouding tussen het kwalitatieve criterium enerzijds en het kwantitatieve criterium anderzijds is cumulatief. Voldoende ernstige inhoudelijke gebreken in de aangifte worden dus slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een (relatief en absoluut) aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven.13 Het bewijs voor de toepasselijkheid van de omkering moet ten slotte voor elk belastingjaar (of belastingtijdvak14) afzonderlijk worden geleverd.15