Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.5.1
7.3.5.1 Inleiding: vrije bewijsleer en bewijsmiddelen in fiscalibus
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940588:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 februari 2021, V-N 2021/11.13, r.o. 4.2, HR 24 november 1920, B. 2698.
Zie Feteris 2007, par. VIII.2 en Conclusie A-G Van Hilten 13 mei 2015, V-N 2015/34.7, par. 9.3.4. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, V-N 2019/57.1.9, r.o. 4.9 (N.B. het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van gronden, zie HR 28 augustus 2020, V-N 2020/44.14).
HR 11 juli 2008, BNB 2008/246.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 105.
Zie over de bewijskracht daarvan nader paragraaf 7.3.9.3.1 en paragraaf 14.3.2.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 107. Zie ook de uitgebreide jurisprudentieverwijzingen aldaar (noot 298).
In het fiscale procesrecht kan een partij in beroep zelf geen getuige zijn (HR 17 juni 1992, BNB 1992/295, HR 21 maart 2001, BNB 2001/178, HR 9 augustus 2013, V-N 2013/37.9, BNB 2013/224, HR 11 januari 2019, V-N 2019/4.22). De gemachtigde van de belastingplichtige kan wél als zodanig optreden, zie HR 4 april 2014, V-N 2014/17.6 (anders: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 11 januari 2019, V-N 2019/4.22). Zie over de procesrechtelijke hoedanigheid van belastingambtenaren tijdens de zitting voorts de zaak die heeft geleid tot HR 9 juni 2023, V-N 2023/29.24.7 (art. 81 Wet RO) en Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, V-N 2019/57.1.9, r.o. 4.4 e.v., alsmede de kritische Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws daarbij (N.B. het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van gronden, zie HR 28 augustus 2020, V-N 2020/44.14).
Zie voor enkele voorbeelden HR 1 februari 2019, V-N 2019/8.9, HR 12 augustus 2005, BNB 2006/110 en Hof ’s-Gravenhage 21 december 2001, V-N 2002/32.7.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 8 maart 2022, V-N 2022/23.19, r.o. 5.3.4.
Zie paragraaf 7.3.7.2.
Zie bijvoorbeeld HR 26 februari 2021, V-N 2021/11.13 en – in vervolg daarop – Rb Den Haag 1 oktober 2021, V-N 2022/4.13.
Zie daaromtrent de toelichting op de aanleiding voor de KBLux-affaire in paragraaf 7.3.6.2.2.
Zie HR 28 september 2012, V-N 2013/8.8.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 5 februari 1998, V-N 1998/56.18.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 108.
De vrije bewijsleer betekent onder meer dat benodigd bewijs met alle mogelijke middelen kan worden geleverd door degene op wie de bewijslast rust.1 Evenzo kan tegenbewijs door de wederpartij geleverd worden met alle middelen. Er bestaat geen lijst met een limitatieve opsomming van toegestane bewijsmiddelen, zoals binnen het strafrecht wel het geval is.2 De vrije bewijsleer houdt dus in dat beide partijen ter staving van de door hun naar voren gebrachte feiten, omstandigheden, stellingen en beweringen, kunnen putten uit een in beginsel oneindig universum van bewijsmiddelen.3 Het is de rechter niet toegestaan om op voorhand een bepaald type bewijsmiddel naar zijn aard uit te sluiten.4
Een bewijsmiddel is ‘al datgene waardoor feitelijke wetenschap valt te verkrijgen, die tot de bewijsvorming kan bijdragen’. De relevante inhoud van die bewijsmiddelen, en hetgeen daaruit bij wijze van gevolgtrekking kan worden afgeleid, wordt wel aangeduid met de term ‘bewijsgronden’.5 Hoewel een dogmatisch onderscheid tussen beide begrippen niet steeds zinvol is, is het voor de gedachtenvorming goed om te bedenken dat het uiteindelijk gaat om de relevante inhoud van de bewijsmiddelen.
In fiscale zaken worden in de praktijk vele verschillende bewijsmiddelen gebruikt. Te denken valt aan onder meer aan notariële of onderhandse aktes, gewaarmerkte uittreksels, overeenkomsten, aangiften, aanslagen, mondelinge of schriftelijke (al dan niet ambtsedige6) verklaringen, partijverklaringen7 en getuigenverklaringen,8 schermprints, poststempels, foto’s en filmbeelden,9 geluidsopnamen, gegevens afkomstig van scanauto’s,10 rapporten van deskundigen, processen-verbaal van opsporingsautoriteiten of van het verhandelde ter zitting, de administratie ex art. 52 e.v. AWR, vermoedens, ervaringsgegevens en feiten van algemene bekendheid,11 branchegegevens, statistische gegevens,12 resultaten van een steekproef, internetsites, fysieke (al dan niet in beslag genomen) zaken en goederen, uit diefstal verkregen microchips,13 stamboomonderzoek14 en zelfs waarnemingen ter zitting.15 Deze opsomming is geenszins volledig. Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen noemen de schriftelijke bescheiden (waaronder de boekhouding) en verklaringen van partijen als de meest voorkomende.16
Hierna ga ik eerst in op de aangifte als bewijsmiddel (paragraaf 7.3.5.2). Vervolgens behandel ik door de wet aangewezen bewijsmiddelen in paragraaf 7.3.5.3, waarna het onderscheid tussen direct en indirect bewijs en – in het verlengde daarvan – feitelijke vermoedens aan de orde komt (paragraaf 7.3.5.4). Ten slotte sta ik stil bij de vraag of de zware bewijsgradatie bijzondere eisen stelt aan de benodigde bewijsmiddelen.