Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.11
8.11 De machtsrelatie van de koper met betrekking tot de zaak
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400820:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388-389 en M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237.
Zie voor Duitsland Rühl 1930, p. 102-104, Serick 1963, p. 232-235, Wieling 1984, p. 452, Flume 1992, p. 739, Staudinger/Gutzeit 2012, § 868 BGB, Rn. 43, Staudinger/Gutzeit 2012, § 872 BGB, Rn. 5, MünchKomm-BGB/Joost 2016, § 868 BGB, Rn. 59 en MünchKomm-BGB/Joost 2016, § 872 BGB, Rn. 9 en voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 554, Rummel/Spielbüchler 2000, § 309 ABGB, Rn. 4, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 65, Klang/Kodek 2011, § 309 ABGB, Rn. 20 en Rn. 28 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 35.
Vriesendorp 1985a, p. 33-45. Recentelijk is door H.H. Runia, “De ‘bezitterige’ koper onder eigendomsvoorbehoud”, in: P.A.J. van den Berg & G. Molier (red.), In dienst van het recht (Brouwer-bundel), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 77-87 naar aanleiding van het arrest Rabobank/Reuser betoogd dat het beter zou zijn de koper als bezitter aan te merken, omdat men dan het resultaat uit dat arrest (verkrijging van een voorwaardelijk eigendomsrecht) zou kunnen missen en dit bovendien beter zou aansluiten bij de bedoelingen van Meijers. Dit voorstel verdient bestrijding. Runia miskent dat de vraag ofde koper bezitter is van de zaak geheel losstaat van de vraag of hij voorwaardelijk eigenaar is, zodat de toekenning van het bezit aan de koper het terstond overgaan van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde geenszins overbodig maakt. Beide figuren hebben een andere functie (bezitsbescherming vs. waarborging van de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde), zodat het toekennen van bezit en het niet toekennen van een voorwaardelijk eigendomsrecht ertoe zou leiden dat goederenrechtelijke werking aan de vervulling van de voorwaarde wordt ontzegd, hetgeen de positie van de koper zonder goede grond aanmerkelijk zou verzwakken. Daarnaast geldt dat eventuele persoonlijke bedoelingen van Meijers voor de interpretatie van het huidige recht van weinig belang zijn, in het bijzonder als deze bedoelingen worden afgeleid uit concept-artikelen waarvan uiteindelijk uitdrukkelijk en op goede gronden is afgeweken, omdat zij niet goed doordacht waren en niet pasten binnen het stelsel van de wet. Zie o.m. de notitie van W.G. Belinfante d.d. 4 juni 1960 en de briefwisseling tussen W. Snijders en T.J. Dorhout Mees over de redactie van art. 7:9 BW, mede in verband met het Benelux-ontwerp inzake koop en ruil en de LUVI, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 1373. Voorts valt uit de door Runia aangehaalde passages geenszins af te leiden dat Meijers de koper inderdaad als bezitter zou willen aanmerken. Meijers nam de regeling van huurkoop uit 1936 tot uitgangspunt (Zie de Notulen van de Honderd vier en veertigste Vergadering van de Subcommissie Burgerlijk Recht van de Staatscommissie tot herziening van de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving, p. 812, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 184), waarin de koper werd aangemerkt als houder van de zaak (M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 7). Uit het ontbreken van een bepaling als art. 3:91 BW in het Ontwerp Meijers kan evenmin iets worden afgeleid, omdat Meijers de leveringshandeling vooral feitelijk leek te begrijpen – namelijk als feitelijke overgave – zodat de levering in het kader van een eigendomsvoorbehoud überhaupt geen spanningen zou oproepen met art. 3:90 BW. Zie nader hoofdstuk 4, paragraaf 4.8.3.1, i.h.b. voetnoot 128.
Thiesing 1902, p. 240-251, E.Th. Leicht, Der Eigentumsvorbehalt, eine privatrechtliche Untersuchung nach tschechoslowakischem und österreichischem Recht, Reichenberg: [s.n.] 1937, p. 33-34, Raiser 1961, p. 73- 74, Edlbacher 1966, p. 251, Soergel/Mühl 1989, § 868 BGB, Rn. 16, Soergel/Mühl 1989, § 929 BGB, Rn. 62 en Soergel/Mühl 1991, § 455 BGB, Rn. 74 (deze opvatting is verlaten in Soergel/Stadler 2002, § 868 BGB, Rn. 13 en Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 66).
Zie voor het navolgende Nieuwenhuis 1980, p. 38, Pitlo/Brahn 1987, p. 71, Reehuis 2004, nr. 46 en nr. 59, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 150, F.M.J. Verstijlen in punt 10 van diens noot onder HR 10 oktober 2008, NJ 2009, 1 (Duijf/Bolt), Bartels 2009, p. 327, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 364 en nr. 963, Heyman & Bartels 2012, p. 261-262, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 149, Asser/ Hijma 7-I* 2013, nr. 297, Reehuis 2013, nr. 15, Van Schaick 2014, nr. 4 en Stolz 2015, p. 868-871. Zie uit de parlementaire geschiedenis M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 436. Een andersluidend standpunt wordt verdedigd door J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 266-267.
Iets anders is natuurlijk dat de koper zichzelf nadien tot bezitter kan maken op de wijze zoals voorgeschreven door art. 3:111 BW. Daarvoor is echter noodzakelijk dat de koper het recht van de verkoper tegenspreekt, waaruit ook kan worden afgeleid dat het opklimmen tot bezitter gepaard dient te gaan met het niet (meer) respecteren van het betere recht van de ander, zoals hier in de hoofdtekst wordt verdedigd.
Zie HR 17 december 2010, NJ 2011, 291 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Zaunbrecher/Roelfsema), rov. 3.7 waarin wordt overwogen dat erkenning van het eigendomsrecht van een ander tot gevolg heeft dat diegene de zaak houdt voor de eigenaar. Zie ook punt 5 van de noot van F.M.J. Verstijlen, die daarvoor als voorwaarde stelt dat de een niet alleen het eigendomsrecht van de ander erkent, maar ook instemt met bepaalde gebruiksafspraken, waaruit de respectering van eens anders eigendomsrecht blijkt. Bij het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud is daarvan zonder meer sprake.
Eggens 1929, p. 229-232 en p. 241-245, voor het hier aan de orde zijnde geval – bezitsverschaffing door een eigenaar die zijn rechten voorbehoudt – m.nt. p. 230-231.
Zie Bartels 2009, p. 327 die opmerkt dat ‘als eigendom en bezit al eerder uit elkaar gespeeld zijn, (…) de kaarten anders [liggen].’ Zie voor het Duitse recht Ernst 1992, p. 55 die opmerkt dat een traditio zich ook kan voordoen zonder eigendomsoverdracht, namelijk in het geval dat een bezitter (Eigenbesitzer) het bezit overdraagt aan de eigenaar. In een dergelijk geval worden bezit en eigendom juist weer bijeengebracht. Vgl. ook Rank-Berenschot 2012, nr. 37 die opmerkt dat Eggens’ leer gedeeltelijk is verlaten voor het huidige recht, nu een bezitter, niet-eigenaar een ander wel degelijk het bezit kan verschaffen. Eggens achtte ook in die situatie bezitsverschaffing niet mogelijk. Zie Eggens 1929, p. 231-232. Op dat punt stelt hij m.i. te zware eisen. Zolang de vervreemder al zijn pretenties met betrekking tot de zaak prijsgeeft, kan hij de verkrijger wel degelijk het bezit van de zaak verschaffen, namelijk als de verkrijger geen eigendomsrecht van een ander met betrekking tot de zaak respecteert, zoals in het geval van bezitsverschaffing door een dief aan een heler. In die zin ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 436. Dat de heler weet dat hij geen eigenaar wordt, doet niet ter zake. De bezitter hoeft immers niet te menen dat hij eigenaar is. Afdoende is dat hij geen beter recht van een ander ten aanzien van de zaak respecteert. Zie Rank-Berenschot 2012, nr. 14 en Van Schaick 2014, nr. 3. Meijers maakt Eggens’ visie daarentegen tot een karikatuur waar hij tegen Eggens inbrengt (Notulen van de Achtentachtigste Vergadering van de Subcommissie Burgerlijk Recht van de Staatscommissie tot herziening van de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving, p. 4, in te zien in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75, inventarisnummer 182) dat ‘bezit te kwader trouw geen contradictie [bevat], omdat de bezitter niet steeds de wil heeft, eigenaar te zijn, maar alleen de wil, om de macht van de eigenaar uit te oefenen.’ Natuurlijk kan iemand die weet geen eigenaar te zijn, een zaak wel degelijk bezitten; dat volgt uit de figuur van bezit te kwader trouw. Dat heeft Eggens ook niet ontkend. Waar het om gaat is niet dat de bezitter meent eigenaar te zijn, maar dat voor het hebben van bezit noodzakelijk is dat men de zaak behandelt ‘als de zijne’. Daarvan kan geen sprake zijn als men eens anders betere recht op de zaak respecteert, zoals de koper onder eigendomsvoorbehoud.
De verkrijger kan in een dergelijk geval het bezit van de zaak via inbezitneming verkrijgen. Wanneer men bedenkt dat het verschil tussen bezitsverschaffing en inbezitneming is gelegen in de omstandigheid dat in het eerste geval de bezitter instemt met zijn bezitsverlies en de daarmee gepaard gaande bezitsverkrijging van de ander en in het tweede geval de huidige bezitter het bezit tegen diens wil verliest doordat een ander zijn machtsuitoefening ten aanzien van de zaak doorbreekt, is inbezitneming met instemming van de huidige bezitter, zoals aanvaard in HR 9 september 2011, NJ 2012, 312 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Muller q.q./ Hoogheemraadschap) echter een monstrum. Wanneer iemand (vooralsnog) zijn eigendomspretenties niet laat c.q. wil laten varen, kan hij niet tegelijkertijd instemmen met het verlies van zijn eigendomspretenties, onverschillig of dit gebeurt via bezitsverschaffing of via inbezitneming. Zie over de verhouding tussen inbezitneming en bezitsverschaffing Rank-Berenschot 2012, nr. 32, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 148 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 134 en 138.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 364. Vgl. ook Heyman & Bartels 2012, p. 262-263 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 436.
Rank-Berenschot 2012, nr. 14, die erop wijst dat dit volgt uit het aan het bezitsbegrip verbonden exclusiviteitsaspect. Zie ook De Jong 2006, p. 211, Van Schaick 2014, nr. 10 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 427 (bezit ís rechtspretentie). Anders dan Vriesendorp 1985a, p. 43-44 meent, heeft dit niets te maken met het bewijsrechtelijke vermoeden van art. 3:119 BW, maar slechts met de omstandigheid dat men niet enerzijds de pretentie van eigendom kan hebben, maar anderzijds een eigendomsrecht van een ander kan respecteren. Evenmin wordt daarmee te zeer de nadruk gelegd op de ‘animus domini’, aangezien de wil niet beslissend is, maar de omstandigheid dat het respecteren van eens anders eigendomsrecht tot gevolg heeft dat sprake is van een rechtsverhouding op grond waarvan degene de zaak voor de ander houdt. In zoverre is, zo merkt Beekhuis 1956, p. 405-406 terecht op, de wil via de rechtsverhouding van belang.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 127. Zie uit de parlementaire geschiedenis M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 410, M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 412, M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 444-445 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 450 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 97. Anders: F.M.J. Verstijlen in punt 6 van diens noot onder HR 5 februari 2010, NJ 2010, 294 (Rodewijk/Bouwman).
Asser/Hijma 7-I* 2013, nr. 297. Zie ook Heyman & Bartels 2012, p. 262, die zich daarbij aansluiten. Vgl. ook MünchKomm-BGB/Joost 2016, § 872 BGB, Rn. 10 die opmerkt dat de koper als Eigenbesitzer wordt behandeld omdat hij de macht over de zaak uitoefent ‘in Erwartung des bevorstehenden Eigentumserwerbs.’
Zie voor het Duitse recht Staudinger/Gutzeit 2012, § 868 BGB, Rn. 42 en Bamberger/Roth & Fritzsche 2016, § 872 BGB, Rn. 5, die in meer of mindere mate betekenis lijken toe te kennen aan de omstandigheid dat een Vormerkung ten gunste van de koper is ingeschreven, kennelijk omdat uitsluitend dan diens eigendomsverkrijging dan vrijwel zeker is. Iets terughoudender t.a.v. het Eigenbesitz van de koper van een onroerende zaak is MünchKomm-BGB/Joost 2016, § 872 BGB, Rn. 10 die slechts spreekt van een ‘Gleichstellung mit einem Eigenbesitzer.’
In zoverre vertoont het eigendomsvoorbehoud meer gelijkenis met het geval dat ‘de verkoper de koper weliswaar de feitelijke macht over het huis zou hebben verschaft doch partijen daarbij de levering zouden hebben uitgesteld b.v. in afwachting van betaling door de koper. In dat geval houdt de koper immers, gezien der partijen rechtsverhouding, het huis niet voor zichzelf doch voor de verkoper, zodat hij geen bezitter wordt’ (M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 450).
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 554. Vgl. ook Serick 1963, p. 232.
Georgiades 1963, p. 119. In die zin ook Serick 1963, p. 232-233, volgens wie de koper zich deze ‘Willensrichtung’ tot de zijne maakt door het eigendomsvoorbehoud te aanvaarden. Vgl. ook Ernst 1992, p. 144, voetnoot 92, volgens wie uit het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud voortvloeit dat de verkoper ‘auch die tatsächliche Bestimmung über die Sache nur unter jener Bedingung zugunsten des Käufers aufgegeben hat.’
Serick 1963, p. 233, Lange 1963, p. 61, voetnoot 12, Lange 1971, p. 512, voetnoot 5, Wieling 1984, p. 452 en Döring 1996, p. 1444. Vgl. ook Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 133, die het houderschap (Fremdbesitz) van de koper afleiden uit de omstandigheid dat de koper – vanwege de opgeschorte werking van de overdracht – ten opzichte van de verkoper een ondergeschikte positie inneemt.
Vriesendorp 1985a, p. 36. Vergelijkbare argumenten worden gegeven door Thiesing 1902, p. 247-250 en Raiser 1961, p. 74.
Vgl. Ernst 1992, p. 56 die opmerkt dat Eigenbesitz veronderstelt dat die ‘Sachbestimmung des Erwerbers eben nicht von der Duldung oder Mitwirkung des Tradenten abhängig’ is.
Rühl 1930, p. 104. Vgl. ook Blomeyer 1968, p. 692 en Baur/Baur & Stürner 2009, p. 76.
Flume 1992, p. 739.
Vriesendorp 1985a, p. 36-37.
Zie voor de positie van de zekerheidsgever bij een zekerheidsoverdracht onder het oude recht Fesevur 1979, p. 120, Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 175 en Van Mierlo 1988, p. 142 en voor Duitsland Staudinger/Gutzeit 2012, § 868 BGB, Rn. 60 en MünchKomm-BGB/Joost 2017, § 872 BGB, Rn. 8. Zie voor de economisch eigenaar met verdere verwijzingen punt 6-7 van de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 9 september 2011, NJ 2012, 312 (Muller q.q./Hoogheemraadschap) en Rank-Berenschot 2012, nr. 5.
Zo echter Vriesendorp 1985a, p. 39.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237.
Zie voor een dergelijke bevoegdheid bijv. HR 8 juni 1973, NJ 1974, 346 m.nt. W.M. Kleijn (Nationaal Grondbezit/Kamphuis). Zie ook HR 14 februari 1992, NJ 1993, 623 m.nt. W.M. Kleijn (Love Love), rov. 3.4 waarin werd geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een zaak voor doorverkoop bestemd is, niet reeds een zodanig bevoegdheid meebrengt (waarbij bedacht moet worden dat de koopovereenkomst in dat geval juist een uitdrukkelijk verbod bevatte). Desalniettemin moeten naar mijn mening niet altijd even hoge eisen worden gesteld aan het aannemen van een stilzwijgend overeengekomen vervreemdingsbevoegdheid. Daarbij zal met name beslissende betekenis moeten worden toegekend aan de hoedanigheid van de koper, de aard van de verkochte zaken en de voor de verkoper kenbare bedoelingen van de koper met de aanschaf van de zaken. Zie Schoordijk 1963, p. 401-403, Mezas 1985, p. 63-64 en Reehuis 2013, nr. 69.
De koper houdt de verkochte zaak voor de verkoper tot het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, als gevolg waarvan hij eigenaar en ook bezitter wordt. Dat de koper voordien slechts houder is, is nauwelijks omstreden in de Nederlandse literatuur.1 De opvatting van de wetgever luidt in dezelfde zin en klinkt duidelijk door in het opnemen van artikel 3:91 BW.2 Ook in de Duitse en Oostenrijkse literatuur wordt algemeen aangenomen dat de koper houder (Oostenrijk: Inhaber; Duitsland: Fremdbesitzer) is van de verkochte zaak.3 Ook in de Nederlandse, Duitse en Oostenrijkse rechtspraak is in die zin geoordeeld.4 Voor het Nederlandse recht wordt een andersluidend standpunt uitsluitend ingenomen door Vriesendorp, die uitgebreid heeft betoogd dat de koper reeds voor vervulling van de voorwaarde als bezitter van de zaak moet worden aangemerkt.5 Ook in de Duitse en Oostenrijkse literatuur is door een aantal auteurs verdedigd dat de koper reeds voor vervulling van de voorwaarde bezitter is van de zaak.6 Desalniettemin moet naar mijn mening worden aangenomen dat de koper gedurende de periode van onzekerheid houder is van de verkochte zaak, zodat de heersende leer bijval verdient.
Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat de verschaffing van bezit door degene die zich tegelijkertijd de eigendom van die zaak voorbehoudt neerkomt op een innerlijk tegenstrijdige houding die rechtens onbestaanbaar is.7 Deze twee met elkaar onverenigbare standpunten kunnen niet tegelijkertijd tot uitdrukking komen, nu het voorbehouden van het eigendomsrecht veronderstelt dat de verkoper zich tot het moment van vervulling van de voorwaarde nog beschouwt als eigenaar. Aangezien bezit neerkomt op het houden van de zaak voor zichzelf – dat wil zeggen: met de eigendomspretentie – kan de verkoper niet enerzijds zijn eigendom voorbehouden, maar anderzijds zijn eigendomspretentie laten varen. Vergelijkbaars geldt vanuit het perspectief van de koper. De koper kan niet enerzijds instemmen met het eigendomsvoorbehoud, waarmee hij te kennen geeft dat hij het eigendomsrecht van de verkoper respecteert totdat hij de verschuldigde prestatie voldoet, maar anderzijds de zaak voor zichzelf houden, waarmee hij namelijk tot uitdrukking brengt dat hij pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen wil zeggen dat hij geen beter recht van een ander op de zaak duldt.8 Het hebben van de eigendomspretentie laat zich niet verenigen met het respecteren van het eigendomsrecht van een ander.9
Dit alles is reeds in 1929 op bloemrijke wijze verwoord door Eggens in zijn opstel ‘Het recht van bezit kan niet als zoodanig overgedragen worden’.10 Zijn uiteenzetting geldt onverkort voor het huidige recht, aangezien zij simpelweg volgt uit het karakter van het bezit en de verhouding van bezit tot het eigendomsrecht. Waar bezit veronderstelt dat men de zaak houdt zonder respectering van rechten van anderen op de zaak, kan men niet een zaak bezitten onder eerbiediging van eens anders eigendomsrecht. Dat geldt echter slechts voor het geval dat degene die bezit wil verschaffen aan een ander ook eigenaar is van de zaak, aangezien in die gevallen uit de verhouding van bezit tot eigendom volgt dat zij – vanwege de hierboven genoemde innerlijke tegenstrijdigheid – niet van elkaar kunnen worden gescheiden.11 Voor die gevallen heeft Eggens er terecht de nadruk op gelegd dat een bewust beoogde splitsing van eigendom en bezit niet kan worden bewerkstelligd door een eigenaar die het bezit wil verschaffen, maar het eigendomsrecht wil behouden of omgekeerd het eigendomsrecht wil overdragen, maar het bezit wil behouden. Hij heeft er de aandacht op gevestigd dat dergelijke afspraken met zichzelf in tegenspraak zijn.12 Dat neemt niet weg dat het kan gebeuren dat wel bezit wordt verschaft, maar geen eigendom wordt overgedragen – bijvoorbeeld in het geval van een nietige titel – maar ook in dergelijke gevallen beogen partijen wel degelijk een eigendomsoverdracht.13 De bedoeling om eigendom over te dragen is derhalve noodzakelijk voor de bezitsverschaffing, omdat de verkrijger niet enerzijds de pretentie van eigendom kan hebben, maar anderzijds een beter recht van een ander op de zaak kan respecteren. Bezit als pretentie van eigendom veronderstelt dat men geen beter recht van een ander duldt.14
Bovengenoemde leer, die uitgaat van een strikte coïncidentie van bezitsverschaffing en eigendomsoverdracht, moet evenwel niet in al haar gestrengheid worden doorgevoerd. In het bijzonder staat aan het bovengenoemde niet in de weg dat bij de overdracht van een onroerende zaak reeds bij de ondertekening van de notariële leveringsakte aan de koper de sleutels worden overhandigd, waardoor hem het bezit van de onroerende zaak is verschaft.15 De bezitsverschaffing geschiedt in een zodanig geval namelijk zozeer vooruitlopend op een aanstonds plaatsvindende overdracht dat van een innerlijke tegenstrijdigheid, zoals hierboven is verwoord, geen sprake is. De bezitsverschaffing geschiedt dan immers wel degelijk in het kader van de eigendomsoverdracht, zij het dat de eigendomsoverdracht door een formaliteit – inschrijving van de notariële akte – nog even op zich laat wachten. Partijen beogen in een dergelijk geval wel terstond een eigendomsovergang te bewerkstelligen. Zoals Hijma terecht opmerkt, is het opmaken van de leveringsakte een daad met een zodanig definitief karakter, die aan beide partijen de mogelijkheid biedt om op korte termijn de eigendomsovergang te bewerkstelligen.16 Dat zich bepaalde feiten kunnen voordoen op de dag van het opmaken van de leveringsakte of tussen dat moment en het moment van inschrijving van de akte, als gevolg waarvan de eigendom toch niet overgaat, doet daaraan niet af. In het passeren van de leveringsakte ligt volgens de verkeersopvatting namelijk zozeer besloten dat de eigenaar te kennen geeft zijn eigendomspretenties te laten varen ten gunste van de verkrijger, waardoor de koper wel degelijk als bezitter kan worden aangemerkt, hetgeen des te meer geldt wanneer de koopovereenkomst reeds voordien overeenkomstig artikel 7:3 BW is ingeschreven in de openbare registers.17
Anders ligt dit voor het eigendomsvoorbehoud, waarbij de vervreemder namelijk juist uitdrukkelijk zijn rechten voorbehoudt, waaruit volgt dat hij vooralsnog geheel niet bereid is zijn eigendomspretenties met betrekking tot de zaak te laten varen ten gunste van de koper. Terwijl de inschrijving van de leveringsakte bij de levering van een onroerende zaak slechts een administratieve hindernis vormt, waar partijen zich gewoonlijk niet om bekommeren, is de eigendomsovergang bij het eigendomsvoorbehoud niet slechts afhankelijk van een administratieve hindernis, maar van een onzekerder gebeurtenis, namelijk de betaling van de koopprijs door de koper. Terwijl met het opmaken van de leveringsakte ‘in feite (…) de transactie op het notariskantoor [wordt] afgerond’,18 ligt in het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud daarentegen juist besloten dat partijen de transactie vooralsnog niet volledig willen afronden, maar juist de eigendomsovergang willen uitstellen.19
Maar zelfs als men zou aanvaarden dat het mogelijk is om aan een ander het bezit van een zaak te verschaffen, ondanks het feit dat de vervreemder zijn eigendomspretenties niet laat varen, zou men tot de conclusie moeten komen dat een dergelijke situatie bij het eigendomsvoorbehoud niet aan de orde is, omdat het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud daadwerkelijk leidt tot een rechtsverhouding op grond waarvan de koper de zaak voor de verkoper houdt. De koper die instemt met een eigendomsvoorbehoud, geeft blijk van een erkenning en respectering van het eigendomsrecht van de verkoper. Zijn machtsuitoefening met betrekking tot de zaak berust niet op het feit dat hij pretendeert eigenaar te zijn, maar op het feit dat de verkoper bereid is geweest hem reeds voor voldoening van de verschuldigde tegenprestatie de macht over de zaak te verschaffen. Uit het feit dat de koper instemt met het eigendomsvoorbehoud en aldus het eigendomsrecht van de verkoper respecteert, in het bijzonder doordat hij bij zijn machtsuitoefening met de door de verkoper gestelde beperkingen rekening moet houden en gewoonlijk ook houdt, blijkt zijn houderschap. Daarmee ligt aan het eigendomsvoorbehoud een rechtsverhouding ten grondslag, op grond waarvan de koper de zaak vooralsnog houdt voor de verkoper, die daardoor niet alleen eigenaar blijft, maar ook bezitter.20 Op vergelijkbare gronden wordt naar Duits en Oostenrijks recht aangenomen dat de koper de zaak gedurende de periode van onzekerheid houdt voor de verkoper. Zo merkt Joost op dat de koper Fremdbesitzer is, ‘weil (…) der Käufer in Anerkennung des noch bestehenden Eigentums des Verkäufers besitzt.’21 De eerbiediging van het eigendomsrecht van de verkoper door de koper wordt bovendien afgeleid uit het feit dat de koper zich aan bepaalde Obhuts- en Sorgfaltspflichten met betrekking tot de zaak moet houden, teneinde het eigendomsrecht van de verkoper te waarborgen.22 Zo volgt volgens Bydlinski uit het feit dat de koper slechts de door de verkoper toegestane gebruiks- en genotsbevoegdheden kan uitoefenen, dat de koper geenszins ‘gleich einem Eigentümer frei mit der Sache verfahren’ kan.23 Vanuit het perspectief van de verkoper wordt opgemerkt dat de wil van de verkoper om tot betaling van de koopprijs eigenaar te blijven, ‘den Besitzwillen als wesensmäûigen Bestandteil in sich [schlieût], d.h. den Willen, die dem Inhalt des Eigentums entsprechende Stellung zur Sache zu haben.’24 Door anderen wordt doorslaggevend geacht dat de koper zich bereid heeft verklaard om onder bepaalde omstandigheden de zaak terug te geven aan de verkoper, waaruit blijkt dat hij het eigendomsrecht van de verkoper respecteert.25
De door Vriesendorp naar voren gebrachte argumenten leiden niet tot een andere conclusie. Zo merkt hij op dat ook bij het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud het doel van de koopovereenkomst gericht blijft op eigendomsovergang en derhalve sprake is van een rechtsverhouding waaruit voortvloeit dat het in beginsel niet de bedoeling is dat de zaak terugkeert bij de verkoper.26 Net als bij een gewone koopovereenkomst zou de koper derhalve bezitter worden. De vergelijking met de gewone koopovereenkomst gaat evenwel mank. Het bezit van de koper volgt daar immers logischerwijs uit het feit dat de koper ook eigenaar wordt. Bovendien moet de koopovereenkomst met eigendomsvoorbehoud niet worden vergeleken met een koopovereenkomst waarbij reeds voor betaling van de koopprijs de eigendom wordt overgedragen, maar met een koopovereenkomst waarbij de eigendom pas wordt overgedragen met de betaling van de koopprijs. Zoals in hoofdstuk 2 is betoogd, vormt het eigendomsvoorbehoud niet in die zin een uitzondering op het normaaltype dat de eigendom pas overgaat met betaling van de koopprijs, maar juist dat de koper reeds voor betaling van de koopprijs de macht over de zaak verkrijgt. De verkoper kan immers de levering ook uitstellen tot het moment dat de koper de koopprijs voldoet. Daaruit blijkt dat de macht van de koper over de zaak niet gebaseerd is op diens eigendomspretentie, maar enkel op het feit dat de verkoper bereid is geweest reeds voor de eigendomsovergang de koper de macht over de zaak te verschaffen. De koper is voor diens macht over de zaak derhalve afhankelijk van de bereidheid van de verkoper om hem voor vervulling van de voorwaarde de macht over de zaak te verschaffen, als gevolg waarvan de koper de zaak voor de verkoper houdt.27
Dat bij het eigendomsvoorbehoud sprake zou zijn van een rechtsverhouding die ertoe strekt dat de zaak niet meer terugkeert bij de verkoper, acht ik evenmin juist. Met het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud geven partijen te kennen dat de verkoper de zaak terug kan nemen, tenzij de koper de verschuldigde prestatie voldoet. Gedurende de periode van onzekerheid bestaat derhalve een rechtsverhouding die ertoe strekt dat de koper de zaak moet teruggeven aan de verkoper. Dat de koper in de regel door betaling van de verschuldigde koopprijs eigenaar wordt en de zaak dan niet hoeft terug te geven aan de verkoper, brengt geen wijziging in deze rechtsverhouding. Dat de koper de zaak dan niet hoeft terug te geven, heeft namelijk niet zijn oorzaak in de rechtsverhouding, maar juist in de omstandigheid dat de rechtsverhouding dan wegvalt doordat de koper eigenaar wordt van de verkochte zaak.28 Zolang de koper de verschuldigde prestatie echter niet voldoet, bestaat deze rechtsverhouding die de strekking heeft dat de koper de zaak aan de verkoper moet teruggeven.29
Evenmin kan het bezit van de koper gebaseerd worden op het feit dat de zaak ‘economisch’ al tot diens vermogen hoort.30 Daargelaten of dergelijke argumenten een rol kunnen spelen bij de bepaling van bezit of houderschap,31 kan niet gezegd worden dat de zaak vanaf de machtsverschaffing in economische zin reeds in het vermogen van de koper valt, nu hij de verschuldigde tegenprestatie nog geheel niet heeft geleverd. Weliswaar neemt zijn economische belang nadien met elke deelbetaling toe, maar dit economisch belang manifesteert zich nu juist in het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, waarvan de koper zonder meer bezitter is.
Ook artikel 3:114 BW biedt geen argument voor het bezit van de koper.32 Hoewel de tekst van de bepaling in samenhang met artikel 3:91 BW op het eerste gezicht tot de conclusie leidt dat de koper inderdaad bezitter wordt, omdat de verkoper de koper in staat stelt de macht over de zaak uit te oefenen, die hij zelf over het goed kon uitoefenen, kan het bezit van de koper toch niet uit artikel 3:114 BW volgen. Volgens deze redenering zou een ieder aan wie de macht over de zaak wordt verschaft, bezitter van de zaak worden. Noodzakelijk voor de bezitsoverdracht van artikel 3:114 BW is dat de bezitter zijn macht ten aanzien van de zaak volledig laat varen ten gunste van de verkrijger, zodat deze vervolgens de zaak als een eigenaar kan gaan behandelen, zonder dat de vervreemder nog enige zeggenschap uitoefent over de zaak. Bij een eigendomsvoorbehoud is daarvan geen sprake, nu de eigenaar door het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud juist te kennen geeft dat hij zijn macht met betrekking tot de zaak nog niet wil laten varen, maar veeleer wil behouden totdat de koper de verschuldigde prestatie voldoet.
Bovendien kunnen ook geen argumenten worden ontleend aan de omstandigheid dat de wetgever een aantal bepalingen die betrekking heeft op bezitters van overeenkomstige toepassing heeft verklaard op de verkrijger uit hoofde van een overdracht onder opschortende voorwaarde, nu daaruit juist blijkt dat de wetgever de koper niet als bezitter beschouwde.33 Tot slot kan het bezit van de koper evenmin worden gebaseerd op de omstandigheid dat het voorbehouden eigendomsrecht niet meer dan een zekerheidsrecht is, hetgeen hier namelijk wordt bestreden, en evenmin op een gelijkenis met de koper van een onroerende zaak aan wie de sleutels reeds voor de overschrijving van de akte worden gegeven vanwege de hierboven aangevoerde verschillen tussen deze beide gevallen.