Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.12
8.12 Beschikkingsbevoegdheid over de zaak
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS395237:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de verwijzingen in voetnoot 500.
W.C.L. van der Grinten in punt 2 van diens noot onder HR 8 juni 1973, AA 1973, p. 565-571 (Nationaal Grondbezit/Kamphuis).
Zie W.C.L. van der Grinten, ‘Recensie’, NJB 1993, p. 1087-1088.
Zie – in navolging van Groefsema 1993, passim (voor de hier centraal staande problematiek i.h.b. p. 69-76) –Van Gaalen 2001, p. 114-117, Van Vliet 2002, p. 64-65, Bartels 2004, p. 59-60, Peter 2007, p. 111, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 142 en nr. 968, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 437, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 234, Krzemi/ski 2013, p. 294-300, Reehuis 2013, p. 56 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 546. Zie ook Nieuwenhuis 1980, p. 55, die evenwel lijkt uit te gaan van een verlening van beschikkingsbevoegdheid met privatieve werking, aangezien hij opmerkt dat sprake is van een ‘contractuele verschuiving van de beschikkingsbevoegdheid.’
Zie voor de toepassing in het kader van de vervreemding van onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken Serick 1963, p. 153 e.v., Bülow 2012, p. 246-247, Staudinger/Gursky 2014, § 185 BGB, Rn. 33-40, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 46-47 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 55.
Mayrhofer 1969b, p. 291 en p. 293, Frotz 1970, p. 184, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 634, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 10, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 98, Klang/Leupold 2011, § 367 ABGB, Rn. 14 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 55.
HR 14 januari 2011, NJ 2012, 88 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Mesdag II), rov. 3.3.3.
W.M. Kleijn in punt 3 van diens noot onder HR 8 juni 1973, NJ 1974, 346 (Nationaal Grondbezit/Kamphuis), Schoordijk 1978, p. 424, voetnoot 10, Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 172, Mezas 1985, p. 59, Brahn 1992a, p. 52, Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 136, Asser/Mijnssen, De Haan & Van Dam 2006, nr. 215, Peter 2007, p. 162-164, Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 546 en Snijders & Rank-Berenschot 2012, p. 413. In die richting ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 234, waarbij uiteindelijk echter beide opties voor mogelijk lijken te worden gehouden (zo ook Bartels 2014, p. 152, voetnoot 14). Vgl. voorts Struycken 2007, p. 582-583 die het debat toespitst op middellijke vertegenwoordiging, omdat bij het eigendomsvoorbehoud de constructie van de alternatieve opschortende voorwaarde voorhanden is en p. 585 waar hij de contractuele machtiging wil beperken tot ‘vormen van beschikking door een vertegenwoordiger op eigen naam.’
Zo ook Van Vliet 2002, p. 64-65, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 968, Steneker 2012, nr. 38, Reehuis 2013, nr. 70 en Asser/Van Mierlo 3-IV 2016, nr. 546. In deze richting ook (voorheen) O.K. Brahn, ‘De beschikkingsbevoegdheid van de houder van roerend goed’, WPNR 1974 (5260), p. 267-270 en Vriesendorp 1985a, p. 96, die echter uitgaan van zgn. ‘zakelijke vertegenwoordiging’.
Bartels 2014, p. 152, voetnoot 14.
Zie voor het Duitse recht Serick 1963, p. 432-434.
Vriesendorp 1985a, p. 96 en Groefsema 1993, p. 61 en p. 71.
Vanwege het eigendomsvoorbehoud heeft de koper in beginsel niet de bevoegdheid om te beschikken over (het onvoorwaardelijk eigendomsrecht ten aanzien van) de zaak. Geregeld wordt aan de koper desondanks de bevoegdheid verleend om reeds voor vervulling van de voorwaarde de zaak over te dragen in zijn normale bedrijfsuitoefening, zodat de koper door middel van deze uitoefening van zijn bedrijf de benodigde middelen kan verwerven, waarmee hij de verkoper kan voldoen.1 Een dergelijke bevoegdheid pleegt met name te worden verleend in de gevallen dat de zaken bestemd zijn om te worden doorverkocht en de koper een wederverkoper is. Onomstreden is dat de afnemer van de koper in een dergelijk geval eigenaar wordt van de zaak. Minder duidelijk is evenwel op welke wijze de vervreemdingsbevoegdheid geconstrueerd moet worden.
Algemeen aanvaard is de opvatting dat iemand die geen eigenaar is van een zaak, deze zaak toch als beschikkingsbevoegde kan overdragen, wanneer de eigenaar toestemming heeft verleend om over de zaak te beschikken.2 Voorheen werd nog wel betoogd dat ook dan nog altijd sprake is van een overdracht door een beschikkingsonbevoegde, zij het dat als gevolg van de toestemming van de rechthebbende de verkrijger op grond van artikel 3:86 BW ook dan eigenaar werd, wanneer hij weliswaar bekend was met de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, maar afging op de toestemming van de beschikkingsbevoegde.3 Deze opvatting lijkt inmiddels niet meer te worden verdedigd.4
Met name onder invloed van het Duitse recht heeft in de Nederlandse literatuur de opvatting aan terrein gewonnen dat de rechthebbende van een zaak een ander kan machtigen om over de zaak te beschikken, zodat ook de ander beschikkingsbevoegd wordt.5 Het Duitse recht erkent een dergelijke machtiging uitdrukkelijk in § 185 BGB, waarin is bepaald dat een beschikking die een niet-rechthebbende treft, geldig is, als zij met instemming van de rechthebbende geschiedt.6 Net als in het Nederlandse recht ontbreekt een dergelijke algemene bepaling in het Oostenrijkse recht. Ook in het Oostenrijkse recht wordt de mogelijkheid om een ander te machtigen om over de zaak te beschikken echter algemeen aanvaard. Steun daarvoor wordt ontleend aan een aantal specifieke wettelijke bepalingen, zoals § 1086 ABGB, op grond waarvan degene aan wie een Verkaufsauftrag is verleend, bevoegd is om de zaak aan een derde te vervreemden.7
De machtigingsconstructie is naar Nederlands recht met name aanvaard bij middellijke vertegenwoordiging. De eigenaar van een zaak kan de middellijk vertegenwoordiger machtigen om de zaak in eigen naam als beschikkingsbevoegde te vervreemden. Er is dan sprake van contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid. In het arrest Mesdag II is deze constructie door de Hoge Raad geaccepteerd, door te overwegen dat de geconsigneerde weliswaar geen rechthebbende was, maar desalniettemin beschikkingsbevoegd kon zijn, indien hij deze beschikkingsbevoegdheid kon ontlenen aan de in de consignatieovereenkomst opgenomen opdracht tot verkoop.8 Bovendien zijn eventuele beperkingen van de vervreemdingsbevoegdheid die zijn opgenomen in de consignatieovereenkomst rechtstreeks van invloed op de beschikkingsbevoegdheid van de gemachtigde.
Ondanks deze algemene aanvaarding in de literatuur en rechtspraak van de mogelijkheid om een ander contractueel beschikkingsbevoegd te maken, lijkt een meerderheid in de literatuur bij een wederverkoop van onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken door de koper voor een andere constructie te kiezen.9 Die constructie houdt in dat de bevoegdheid om de zaak in te normale bedrijfsuitoefening te vervreemden een alternatieve opschortende voorwaarde vormt, waaronder de overdracht heeft plaatsgevonden. De koper wordt niet alleen eigenaar als hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet, maar tevens als hij overgaat tot vervreemding van de verkochte zaak in de normale bedrijfsuitoefening. Hierna wordt aan beide constructies aandacht besteed en vervolgens betoogd dat de bevoegdheid om als koper de zaak voor vervulling van de voorwaarde te vervreemden – in overeenstemming met de situatie bij middellijke vertegenwoordiging – moet worden begrepen als een contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid.10
Voorafgaand daaraan verdient het opmerking dat het bij dit alles in de eerste plaats aankomt op de uitleg van het beding van eigendomsvoorbehoud en de vervreemdingsbevoegdheid.11 Afhankelijk van de precieze formulering van de vervreemdingsbevoegdheid kan het zo zijn dat een van beide constructies meer voor de hand ligt.12 In het navolgende wordt dan ook onderzocht hoe de constructie van de vervreemdingsbevoegdheid moet worden begrepen wanneer de koopovereenkomst daarover niet met zoveel woorden uitsluitsel geeft.
8.12.1 Alternatieve opschortende voorwaarde8.12.2 Contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid