Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.4
8.4 Kwalificatie eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397600:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Flume 1962, p. 391 die zich sterk keert tegen deze bewijsvoering aan de hand van hetgeen juist bewezen moet worden. Sedertdien is dit bewustzijn algemeen doorgedrongen tot de Duitse literatuur. Zie Lux 2004, p. 145, Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 57 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 76. Zie voor Oostenrijk bijv. Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 9 en Rummel & Lukas/Rummel 2014, § 897 ABGB, Rn. 6. Dit alles neemt niet weg dat bepaalde rechtsgevolgen wel sterk samenhangen met het antwoord op de vraag hoe dit recht nader gekwalificeerd moet worden. Zie bijv. paragraaf 8.6.1 waarin de bevoegdheid om jegens derden op te treden wordt gebaseerd op het goederenrechtelijk karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Dat is m.i. niet problematisch, omdat het goederenrechtelijk karakter van dat recht reeds voordien op basis van andere argumenten als goederenrechtelijk is gekwalificeerd. Zie hierna in paragraaf 8.4.1.
Zo bijv. Loof 2016, p. 821 en Schuijling 2017, p. 20.
Zie hierna in paragraaf 8.5.3.
In deze subparagraaf wordt onderzocht hoe het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan worden getypeerd. Daarbij is het volgende van belang. De wet besteedt nauwelijks aandacht aan de karakteristieken van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Zoals hiervoor aan de orde kwam, is het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een product van de voorwaardelijke beschikking, waarmee gegarandeerd wordt dat de koper door vervulling van de voorwaarde ook daadwerkelijk (onvoorwaardelijk) eigenaar wordt. De nadere inpassing van dit eigendomsrecht in het systeem van het vermogensrecht en de verhouding tot het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde dient dan ook te geschieden door de gevolgen van de voorwaardelijke beschikking in het systeem van het vermogensrecht af te tasten tegen de achtergrond van de bepalingen die de voorwaardelijke beschikking en het eigendomsrecht bestrijken.
In het bijzonder moet worden gewaakt voor een rechtlijnige deductieve argumentatiemethode, waarbij uit de omstandigheid dat de koper een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft zonder meer bepaalde rechtsgevolgen worden afgeleid. Het is niet zozeer de kwalificatie van de positie van de koper als een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde die dwingend bepaalde rechtsgevolgen voorschrijft, maar veeleer omgekeerd dat de nadere kwalificatie van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde afhangt van de wijze waarop dit recht moet worden ingepast in het goederenrechtelijk systeem.1 Het komt mij voor dat dit in de literatuur soms onvoldoende wordt onderkend. Zo kan bijvoorbeeld niet worden gezegd dat de koper gedurende de periode van onzekerheid eigenaar wordt van de vruchten van de zaak omdat hij een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft.2 Wanneer men namelijk de wettelijke bepalingen tot uitgangspunt neemt die betrekking hebben op de vraag wie eigenaar wordt van de vruchten, dan wordt, zoals hierna nog zal blijken, duidelijk dat die vraag in het geheel niet wordt bepaald door de kwalificatie van de rechtspositie van de koper als eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, maar door de contractuele verhouding tussen de verkoper en de koper.3
In het vervolg van deze paragraaf komt allereerst aan de orde in hoeverre het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een ‘echt’ goederenrechtelijk recht is (paragraaf 8.4.1) en wat precies moet worden verstaan onder een recht zonder werking (paragraaf 8.4.2). Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of de verhouding tussen verkoper en koper als een gemeenschap moet worden begrepen (paragraaf 8.4.3) en wordt onderzocht of het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zich laat typeren als een wilsrecht, zoals in de literatuur wel pleegt te geschieden (paragraaf 8.4.4). Tot slot wordt aandacht besteed aan een bijzonderheid van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in geval van een eigendomsvoorbehoud: de vormgeving van de voorwaarde bewerkstelligt een bijzondere verbintenisrechtelijke afhankelijkheid van het eigendomsrecht onder voorwaarde (paragraaf 8.4.5).
8.4.1 Goederenrechtelijk recht8.4.2 Een recht zonder werking8.4.3 Gemeenschappelijk toebehoren?8.4.4 Een wilsrecht?8.4.5 Een causaal recht bij eigendomsvoorbehoud