Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.2:6.3.4.2 De toegenomen mogelijkheden tot opsporing voorafgaand aan de klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.2
6.3.4.2 De toegenomen mogelijkheden tot opsporing voorafgaand aan de klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946262:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet alleen de vormvereisten voor de indiening van de klacht worden gerelativeerd. De Hoge Raad heeft recent ook de rechtsregel dat bij gebreke aan een klacht geen opsporing plaatsvindt van een nieuwe uitzondering voorzien. In 1977 bevestigde de Hoge Raad het uitgangspunt dat gericht opsporingsonderzoek naar een klachtdelict niet is toegestaan zolang een klacht ontbreekt, omdat dit zich niet zou verhouden met het belang dat de regeling van klachtdelicten dient. Dat uitgangspunt was sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926 niet langer wettelijk verankerd, maar is desalniettemin in de praktijk steeds gehandhaafd. In voornoemd arrest uit 1977 was dit uitgangspunt van één uitzondering voorzien: opsporing is ook bij het ontbreken van een klacht toegestaan indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven een opsporingsonderzoek te wensen. 1Die relativering van het uitgangspunt is begrijpelijk en dient het belang van de klachtgerechtigde zelf. Meer recent heeft de Hoge Raad in 2018 – in een zaak die zag op één dader die zich schuldig had gemaakt aan een reeks afdreigingen – ook geaccepteerd dat na de ontvangst van een klacht naspeuringen worden gedaan naar mogelijke andere slachtoffers. In de betreffende zaak had de politie na de ontvangst van de klacht van één klachtgerechtigde eigener beweging andere slachtoffers opgespoord. Personen die geld hadden overgeboekt naar de verdachte werden benaderd met de vraag of zij zijn afgedreigd en of zij aangifte wilden doen. Dit was volgens de Hoge Raad niet in strijd met de strekking van de regeling van klachtdelicten, zolang geen onderzoekshandelingen worden geïnitieerd of voortgezet vanaf het moment dat een slachtoffer uitdrukkelijk kenbaar maakt geen prijs te stellen op opsporing en vervolging ter zake het hem aangedane feit. 2
Deze laatste versoepeling op het uitgangspunt dat zonder klacht niet wordt opgespoord, past niet goed bij de ontwikkeling dat méér oog bestaat voor het individuele belang van het slachtoffer. De klachtgerechtigde had het tot dan toe immers in handen om iedere vorm van opsporing en vervolging van een feit dat hem is aangedaan te verhinderen, maar de nuance in het arrest van de Hoge Raad uit 2018 maakt dit recht minder absoluut. Eerder in dit onderzoek werd al geconcludeerd dat de ratio achter het klachtvereiste geen aanleiding geeft om de mogelijkheid tot het benaderen van klachtgerechtigden afhankelijk te maken van het bestaan van een klacht die een ander heeft ingediend naar aanleiding van een ander (gelijksoortig) klachtdelict. 3Het oordeel van de Hoge Raad verhoudt zich mijns inziens dan ook slecht tot de strekking van de regeling van klachtdelicten en sluit evenmin aan op de tendens dat steeds meer oog bestaat voor het individueel betrokken slachtoffer.