Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.1:6.3.4.1 De relativering van vormverzuimen aangaande de klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.1
6.3.4.1 De relativering van vormverzuimen aangaande de klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946160:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.
HR 29 juni 1914, NJ 1914, p. 1079.
HR 11 januari 1994, NJ 1994/278. De lijn is recent nogmaals bevestigd in HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13.
HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:380.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eerder in dit onderzoek is vastgesteld dat het in de rechtspraak niet zozeer draait om een klacht die formeel aan alle wettelijke vereisten voldoet, maar dat de bedoeling van de klachtgerechtigde bij het doen van aangifte doorslaggevend is.1 In 1914 accepteerde de Hoge Raad reeds dat de aangifte niet expliciet een verzoek tot vervolging behoefde te bevatten indien de bedoeling van de klager dat vervolging zou worden ingesteld afdoende uit de aangifte bleek.2 In 1994 gaat de Hoge Raad een stap verder door te accepteren dat die wens ook op een later moment kan blijken. 3Deze lijn in de jurisprudentie maakt het mogelijk om – hoewel formeel een klacht ontbreekt – op te sporen en te vervolgen, waarna het ontbreken van een klacht achteraf kan worden hersteld. Een arrest uit 2014 illustreert dat de Hoge Raad zelfs accepteert dat de bedoeling van de klachtgerechtigde pas in hoger beroep wordt vastgesteld, ook indien het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard bij gebreke aan een klacht.4
Deze ontwikkeling in de rechtspraak ten aanzien van de vormverzuimen die betrekking hebben op (de indiening van) de klacht sluit aan op de toenemende mate waarin oog bestaat voor de belangen van het slachtoffer. Een klachtgerechtigde die wel vervolging wenst, maar op gebrekkige wijze klaagt, is logischerwijs niet gebaat bij een vervolging tegen de verdachte die vanwege dat gebrek strandt. Het is in dit licht begrijpelijk – en het past bij de tijdsgeest – dat een niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdachte, dat is geënt op het ontbreken van een rechtsgeldige klacht, wordt gepasseerd indien afdoende blijkt dat de klachtgerechtigde met zijn aangifte beoogde dat de dader zou worden vervolgd.
Toch is het de vraag of de relativering van vormvereisten de beste manier is om tegemoet te komen aan het belang van klachtgerechtigden. Soepele omgang met vormvereisten doet immers afbreuk aan de normerende werking die uitgaat van die vormvereisten. De mogelijkheid dat een gebrekkige klacht ‘aan de achterkant’ in de fase van vervolging kan worden hersteld, vermindert de noodzaak voor de opsporingsautoriteiten om ‘aan de voorkant’ bij de start van de opsporing secuur na te gaan of een rechtsgeldige klacht is ingediend. Dit bergt het risico in zich dat sneller en vaker wordt opgespoord en vervolgd in weerwil van de wensen van een klachtgerechtigde.
De herstelmogelijkheden – die volgen uit de hiervoor omschreven jurisprudentie – maken dat de klachtgerechtigde alsnog kan worden gevraagd hoe hij tegen de vervolging aankijkt, waarna zich drie verschillende scenario’s kunnen voordoen. De klachtgerechtigde kan bevestigen dat hij vervolging wenst, waarmee het gebrek is hersteld. Het is echter ook mogelijk dat het slachtoffer de zaak liever had laten rusten, maar vervolging accepteert nu de politie toch al aan de deur is geweest of een verdachte toch al is gedagvaard. Ten derde is mogelijk dat de betrokkene te kennen geeft dat vervolging inderdaad onwenselijk is, waarna de opsporing wordt gestaakt of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. Zowel in het tweede als in het derde scenario wordt onvoldoende recht gedaan aan de wettelijk beschermde wens van de klachtgerechtigde om de zaak te laten rusten.
Daarbij verdient opmerking dat het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte niet heeft te gelden als rechtsherstel voor de klachtgerechtigde die geen vervolging wenste. De klachtgerechtigde is immers ten onrechte geconfronteerd met opsporing en vervolging en de ruchtbaarheid die dit met zich bracht. Dit nadeel voor de klachtgerechtigde wordt niet teruggedraaid met een niet-ontvankelijkheidverklaring in de strafzaak tegen de verdachte. Dat nadeel kan echter wel worden voorkomen door een strakke hantering van de vormen omtrent de klacht, waarbij politie en justitie zich slechts roeren eerst nadat de klachtgerechtigde een klacht indient en eventuele gebreken aan de klacht worden geadresseerd voordat opsporing en vervolging worden geïnitieerd.