Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.3:6.3.4.3 De ambivalentie van de rechtsbescherming voor klachtgerechtigden
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.3.4.3
6.3.4.3 De ambivalentie van de rechtsbescherming voor klachtgerechtigden
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946182:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 4 december 2018, NJ 2019/297, randnummer 4.2.2. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat, hoewel de Hoge Raad in dit arrest het naspeuren van andere slachtoffers zonder een klacht acceptabel acht, uiteindelijk wel is gecasseerd. De opsporing voorafgaand aan de klacht is daartoe niet redengevend, maar het feit dat de klachttermijn is geschonden. In hoofdstuk 3, paragraaf 3.3. is uiteengezet dat en waarom de Hoge Raad vooralsnog wel strak de hand houdt aan dat – in artikel 66 Sr verankerde – wettelijke voorschrift.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor kwam aan bod dat de Hoge Raad de vormvereisten ten aanzien van (het indienen van) een klacht heeft gerelativeerd en dat de mogelijkheden tot het verrichten van opsporing voorafgaand aan een klacht zijn uitgebreid. De conclusie was dat de versoepelingen op deze beide punten niet zonder meer steeds het belang van klachtgerechtigden dienen. Die conclusie moet van enig perspectief worden voorzien. De Hoge Raad lijkt bij de beoordeling op deze twee punten immers steevast wel oog te hebben voor het belang van de concreet betrokken slachtoffers. In de zaken die hebben geleid tot deze jurisprudentie ging het immers steeds om klachtgerechtigde slachtoffers die (uiteindelijk) wél vervolging wensten. De Hoge Raad relativeert de hiervoor omschreven rechtsregels dan ook met het oog op de belangen van die individuen. Zo overweegt de Hoge Raad bijvoorbeeld dat het persoonlijk belang dat het klachtvereiste pleegt te beschermen “niet in het geding is” indien een klacht niet voldoet aan de wettelijke eisen maar wel vaststaat dat de klachtgerechtigde vervolging wenst. 1Dit maakt inzichtelijk dat de Hoge Raad wel degelijk oog heeft voor het concrete belang van de individueel betrokken slachtoffers en vanuit dit licht bezien sluit die jurisprudentie aan op de ontwikkeling dat steeds meer rekenschap wordt gegeven van die belangen.
Het probleem is evenwel dat de gewezen jurisprudentie niet alleen de positie van die klachtgerechtigden raakt, maar de grenzen bepaalt waaraan politie en justitie zich in de toekomst conformeren. Dat raakt ook de positie van klachtgerechtigden die later willen dat opsporing en vervolging van de hun aangedane klachtdelicten achterwege blijft. Het leidt tot de paradoxale situatie dat een nuance van de regeling van klachtdelicten in een concreet geval waarin de betrokkene vervolging wenst, afbreuk kan doen aan de rechtsbescherming die de regeling van klachtdelicten later biedt aan klachtgerechtigden die juist wensen dat vervolging achterwege blijft. Het belang van die groep klachtgerechtigden mag niet uit het oog worden verloren bij het bewaken van een juiste toepassing van de regeling van klachtdelicten. Het is immers juist primair die situatie – waarbij een klachtgerechtigde géén vervolging wenst – waaraan de regeling haar bestaansrecht ontleent. Op dit punt schiet de jurisprudentie van de Hoge Raad mijns inziens te kort. Het passeren van gebreken in zaken waarin het individu vervolging wenselijk acht kan dus afbreuk doen aan duidelijke grenzen aan opsporing en vervolging die bestaan ten faveure van klachtgerechtigden die willen dat vervolging uitblijft.
In hoofdstuk 7 worden concrete voorstellen gedaan voor aanpassing van de regeling van klachtdelicten. Daarbij komt ook aan bod of en in hoeverre de relativering van vormvereisten mijns inziens wenselijk is met het oog op het gedegen functioneren van de regeling van klachtdelicten. Voor nu volstaat de vaststelling dat in de loop der jaren de rechtsregels die zien op (de indiening van) de klacht en opsporing voorafgaand aan de klacht zijn gerelativeerd en dat die ontwikkelingen verklaarbaar zijn in het licht van de centralere plaats die de belangen van het slachtoffer zijn gaan innemen in de rechtspleging, maar dat het relativeren van die rechtsregels niet in alle gevallen het belang van klachtgerechtigden dient.