Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.2
9.2 De pedagogische opdracht van het onderwijs
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976997:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J. Ritzen 1992; Veugelers & De Kat 1998 en Leune 2001, p. 43.
J. Ritzen, ‘School moet uitleggen wat democratie inhoudt’, Trouw 17 maart 1993, Em. Naaijkens, ‘Blik van buiten. Ook niet-cognitieve opbrengsten doen ertoe. Interview met J.J.M. Ritzen’, VO-magazine 2012, 3, p. 40.
Vgl. T. Visser, ´Oriëntatie op autonomie. In gesprek met Bas Levering´, Narthex 2009, 5, p. 11-15 en De Winter 1995, p. 132-133.
Roede e.a. 2004, p. 49-52; vgl. N. Dullemans, ´Over de onmacht van onderwijsministers’, Schoolbestuur 2012, 4, p. 34, SLO 1996 en Nelis & Van Sark 2009, p. 174-175.
Zie: W.L. Wardekker, ´Vorming als pedagogische opdracht van de school´, Ned. Tijdschrift voor OVO, jrg. 10, 2, p. 75-90, C. Klaassen 1993, J.G. Valstar, ´Het perspectief en de ontwikkeling van waarden´. Lezing Velon-congres, Ede, 1995, W.Veugelers, ‘Docenten en de pedagogische opdracht van het onderwijs´,Velon,1994, 4 en C. Klaassen 1996, p. 193-197.
Van Gessele 1997; vgl. Veugelers e.a. 2002.
F.A.J. Korthagen 1998; vgl. N. Besselink, ´Kinderen tonen zich al jong betrokken. Wereldburgerschap van kinderen´, Trouw 7 september 2012, L. Hogeling 2012, p. 10-12 en N. Engels, ´Inleiding´, in: Ibid. 1998, p. 7.
De Winter 1995, p. 69, 124, 129.
De Winter 2004.
M.Willemse, Waardenvol opleiden, (diss. VU), Amsterdam: VU 2006, p. 5.
Ibid., p. 6; Hogeling 2012, p. 8.
Vgl. Roumen 2008.
Veugelers & De Kat 2005, p. 16-17; vgl. L. Bleker, ’Maak van burgerschap verplicht eind-examenvak’, School! 2012, 7, p. 18-19 en ’Burgerschap werkt’, Ibid., p. 20 en W. Veugelers, ’Denken over burgerschapsvorming’, in: Peschar et al., 2010, p. 58.
G. ten Dam e.a., ´De kern van het onderwijs en de lerarenopleiding in theoretisch perspectief´, in: Idem e.a. (red.), Pedagogisch opleiden 2004, p. 28.
Savater 2013, p. 12-13.
Ibid., p. 13-14.
Ibid., p. 14.
Naast de legitimatie door de normatieve democratietheorieën vormt de pedagogische opdracht een tweede legitimatiebron voor burgerschapsvorming. In 1992 start minister Ritzen (PvdA) hierover een discussie met het onderwijsveld.1 Hij nodigt ouders, leraren en schoolbesturen uit om samen in actie te komen.2 Aanvankelijk is het de bedoeling om alleen de waarden-en normenoverdracht op school tot onderwerp van het debat te maken.3 Gaandeweg is dit door Ritzen verbreed tot een debat over vormingsdoelen.4 De persoonsvorming, de socialisatie en kwalificatie van en de vorming tot democratisch burger zijn daarbij als de kerndoelen van het onderwijs aangemerkt.5 Uit het debat blijkt een streven om leerlingen te vormen tot democratische burgers6, waarbij er in het kader van de persoonsvorming aandacht is voor de verwerving van democratisch burgerschap en van lokaal, nationaal én world citizenship.7
Een stap voorwaarts in het discours over de pedagogische opdracht vormt de dissertatie Kinderen als medeburgers (1995) van De Winter, waarin de noodzaak van de democratische opvoeding wordt benadrukt.8 Een decennium later wijst hij op het belang van de participatieopvoeding in een democratisch-pedagogisch offensief, hetgeen ‘niet langer slechts een kwestie is van de vele individuele pedagogische keuzes, maar van de pedagogische verantwoordelijkheid van de samenleving’.9 De participatie-ontwikkeling en een sociaal ethische component in de lerarenopleiding is eveneens nodig, omdat leraren de leerlingen moeten voorbereiden op hun plaats in de plurale samenleving.10
De relatie tussen het waardenvol opleiden van leraren en de opdracht om de persoonlijke identiteitsvorming van leerlingen te stimuleren vormt daarbij de kern.11 De vraag stelt zich hierbij of ‘het onderwijs de leerlingen moet vormen tot een kritisch zelfbepalend persoon of tot een sociaal betrokken wezen, of tot beide’.12 De meningen zijn verdeeld. De nog te bespreken pedagogen Veugelers & De Kat zien de pedagogische identiteit van politieke socialisatie zich bij voorkeur richten op ‘de ontwikkeling van een kritisch-democratisch burgerschap dat zelfsturing, sociale betrokkenheid, kritische meningsvorming en daarop gebaseerd handelen impliceert’.13 Ten Dam zou veeleer de persoonsidentiteit meer willen benadrukken. Zij ziet dit als belangrijk met het oog op het willen en kunnen participeren van burgers in de democratische, multiculturele samenleving.14
Savater ziet de school ‘als de hoeder van de verworvenheden van de beschaving die niet verworpen kunnen worden, zonder concessies te doen aan de barbarij’.15 Het onderwijs bevordert een bepaald menstype boven andere, het wil een model van burgerschap, van arbeidsethos, van psychologische rijpheid overdragen. ‘Samen op de bres staan voor het behoud van de democratische beschaving’ is zijn parool.16 Dat vraagt om de vorming van leerlingen tot democratisch burgerschap. Savater stelt dat de huidige tijd twee alternatieven biedt aan mensen die de politiek schuwen voor het actief burgerschap: ‘de individuele vrijheid en het universeel kosmopolitisme’.17
9.2.1 Persoonsvorming en toeleiding tot de arbeidsmarkt9.2.2 Democratische waardenvorming9.2.3 Ministeriële koersdocumenten