Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.5.7
5.7.5.7 Het vorderen van rente over onverschuldigd betaalde Europese subsidies
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401939:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In artikel 70, eerste lid, onder b, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) is wel neergelegd dat indien onverschuldigd betaalde bedragen te laat worden terugbetaald, deze bedragen in voorkomend geval worden verhoogd met rente. Hier gaat het echter alleen om de rente over de periode nadat de termijn tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen is verstreken, niet om de rente vanaf de dag waarop zich de onregelmatigheid heeft voorgedaan tot het moment waarop terugvordering plaatsvindt.
HvJEU 29 maart 2012, C-564/10 (Pfeifer & Langen), n.n.g., AB 2012, 203, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 47. Zie ook HvJEG 6 mei 1982, 54/81 (Fromme), Jur. 1982, p. 1449, r.o. 8 waarin het Hof van Justitie reeds eerder had geoordeeld dat het lidstaten is toegestaan om op grond van het nationale recht rente te vorderen in geval het Unierecht daarin niet voorziet. In dat arrest ging het echter om een iets ander geval nu het EU-recht - anders dan in het onderhavige geval - er niet in voorzag dat de rente terugvloeide naar de EUbegroting. De rente werd bijgeschreven op het credit van de eigen begroting van de lidstaat.
HvJEU 29 maart 2012, C-564/10 (Pfeifer & Langen), n.n.g., AB 2012, 203, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 48.
HvJEU 29 maart 2012, C-564/10 (Pfeffer & Langen), n.n.g., AB 2012, 203, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 51.
In deze bepaling is neergelegd dat de lidstaten ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen dienen te nemen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.
HvJEU 29 maart 2012, C-564/10 (Pfeffer & Langen), n.n.g., AB 2012, 203, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 52.
Zie hieromtrent ook punt 4 van de annotatie van Geleijnse & Den Ouden bij HvJEU 29 maart 2012, C-564/10 (Pfeffer & Langen), n.n.g., AB 2012, 203.
Uit artikel 4, derde lid, van de Verordening nr. 2988/95 volgt dat, indien een daartoe strekkende bepaling bestaat, de door een eindontvanger wegens onregelmatigheden terug te betalen Europese subsidie wordt vermeerderd met rente. Op basis van deze bepaling is in veel Europese landbouwsubsidie-verordeningen bepaald dat eindontvangers van Europese subsidies verplicht zijn onverschuldigd ontvangen Europese subsidies met rente terug te betalen. De overige Europese subsidieregelingen bevatten geen verplichting tot het vorderen van rente over de wegens onregelmatigheden terug te vorderen Europese subsidies 1 Uit het arrest Pfeifer & Langen volgt dat artikel 4, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95 er in dat geval niet aan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale recht niet enkel voorziet in de terugvordering van wederrechtelijk uit de begroting van de Unie verkregen voordelen, maar ook in de invordering van vertragingsrente en/of compenserende rente.2 Het staat wel aan het nationale recht om de modaliteiten en de voorwaarden voor de invordering van die rente vast te stellen.3 Hieronder valt ook het vaststellen en toepassen van de verjaringsregeling ten aanzien van de rentevordering. Dit betekent dat voor de rentevordering niet de verjaringsregels gelden die zijn neergelegd in artikel 3 van de Verordening nr. 2988/95, zij het dat de rente niet kan worden ingevorderd indien de terugvordering van het wederrechtelijk uit de Eu-begroting verkregen voordeel zelf is verjaard.4
Opvallend is dat het Hof van Justitie vervolgens onder verwijzing naar artikel 325 vwEu5 oordeelt dat de lidstaat bovendien verplicht is om, wanneer een regeling van de Unie ontbreekt en zijn nationale recht voorziet in de invordering van rente in het kader van de terugvordering van soortgelijke wederrechtelijk uit de nationale begroting verkregen voordelen, op overeenkomstige wijze rente in te vorderen bij de terugvordering van wederrechtelijk uit de begroting van de Unie verkregen voordelen. Dit geldt met name wanneer, zoals in deze zaak, de door de lidstaat ingevorderde rente op grond van het Eu-recht moet worden overgemaakt aan de begroting van de EU, aldus het Hof van Justitie.6 Het Hof past hier derhalve de 'nationale bevoegdheid = Europese verplichting'-regel toe. Voormeld arrest laat zien dat aan de bescherming van de financiële belangen van de EU een groter gewicht toekomt dan aan het creëren van een gelijk speelveld voor de Europese ontvangers van Europese subsidies.7 De benadering van het Hof van Justitie heeft immers tot gevolg dat per lidstaat verschilt of rente is verschuldigd over wederrechtelijk ontvangen Europese subsidies.