Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.4.10.3
5.4.10.3 In kracht van gewijsde gegane beslissing van de nationale rechter waarbij geen schending wordt aangenomen en de Commissie is voornemens een beschikking te nemen waarbij wel een schending wordt vastgesteld
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575233:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 december 2000, zaak C-344/98 (Masterfoods), Jur. 2000, p. 1-11369, r.o. 48.
Komninos 2008, p. 129.
Komninos 2008, p. 129-130.
HvJ EG 13 januari 2004, zaak C-453/00 (Ktihne & Heitz), Jur. 2004, p. 1-837.
Op grond van art. 382 Rv kan het vonnis op vordering van een partij worden herroepen in drie gevallen. In de eerste plaats indien het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd. In de tweede plaats indien het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld. In de derde plaats indien de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Aan de andere kant is het wel voorstelbaar dat het middel van de herroeping op termijn zal worden uitgebreid door de mogelijkheid van toepassing op rechterlijke uitspraken die door het EHRM in strijd zijn geacht met art. 6 EVRM. Zie Hillen-Muns e.a. 2001, p. 51 e.v.; Hartlief & Spronken 2001, p. 1758 e.v. In het wetsvoorstel herziening van het procesrecht is echter bewust afgezien van de mogelijkheid om bij schending van art. 6 EVRM een nationale rechterlijke uitspraak te herroepen, gelet op de positie van de wederpartij die in het gedrang zal komen. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 14 (MvT). Zie ook de brief van de Minister van Justitie (Donner) d.d. 12 augustus 2005, Kamerstukken II 2004/2005, 29 279, nr. 28. Een bestaand alternatief is volgens de Minister van Justitie het voeren van een procedure op grond van onrechtmatige rechtspraak. Zie voor wat betreft de vraag of de Staat ook aansprakelijk is voor een schending van het gemeenschapsrecht indien deze schending bestaat in een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01 (Ktibler), Jur. 2003, p. 1-10239, NJ 2004, 160 m.nt. MRM. In Ktibler overweegt het HvJ EG in r.o. 38 dat het belang van het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde niet kan worden betwist. Het beginsel van staatsaansprakelijkheid vereist wel een schadevergoeding, maar niet een herziening van de rechterlijke beslissing die de schade heeft veroorzaakt.
HvJ EG 16 maart 2006, zaak C-234/04 (Kapferer), Jur. 2006, p. 1-2585.
Het arrest Lucchini is gewezen in een zaak over onrechtmatig verleende staatssteun. Zie HvJ EG 18 juli 2007, zaak C-119/05 (Lucchini), Jur. 2007, p. 1-6199.
Komninos 2008, p. 133-134.
Komninos 2008, p. 134. Daarbij dient wel te worden aangetekend dat moet worden betwijfeld of de rol van de nationale rechter op het terrein van het staatssteunrecht nog steeds zo marginaal is als vroeger. Zie Adriaanse 2006, p. 4. Zie over de handhaving van EG-recht in situaties van onrechtmatige staatssteun de dissertatie van Adriaanse 2006.
Indien de nationale rechter een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft genomen waarbij geen schending van het mededingingsrecht is aangenomen, kan de Commissie alsnog een beschikking nemen waarbij wel een schending van het mededingingsrecht wordt vastgesteld. Zoals in § 5.4.10.2 besproken hoeft de Commissie op grond van Masterfoods en artikel 85 EG geen rekening te houden met de eerdere uitspraak van de nationale rechter.1 Dit is ook het geval als de nationale rechter een groepsvrijstelling heeft toegepast en de Commissie besluit om op grond van artikel 29 lid 1 Verordening 1/2003 de voordelen van de groepsvrijstelling voor de desbetreffende mededingingsbeperkende overeenkomst in te trekken (zie § 5.4.3).
De Commissie heeft in § 102 van het in 1999 verschenen Witboek betreffende de modernisering van de regels inzake de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag aangegeven dat een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde tussen de procespartijen heeft (bindende kracht in een ander geding tussen dezelfde partijen) ex artikel 236 Rv tussen partijen blijft gelden, ondanks een met die uitspraak strijdige beschikking van de Commissie.2 Komninos wijst op het feit dat dit leidt tot de situatie dat een verbod van de Commissie tegenover de hele wereld geldt (erga omnes), uitgezonderd de partijen tussen wie de uitspraak van de nationale rechter gezag van gewijsde heeft gekregen (res judicata).3Bij verticale overeenkomsten is dit nog voorstelbaar, maar bij bijvoorbeeld het misbruik maken van een machtspositie is dit á veel ingewikkelder. Het is dan onvermijdelijk dat een gedraging van een machtspositiehouder die door de nationale rechter niet als mededingingsbeperkend wordt beschouwd (geen misbruik), en door de Commissie wel als mededingingsbeperkend wordt beschouwd (wel misbruik), tot problemen leidt. Indien het gezag van gewijsde tussen procespartijen zou blijven gelden, blijft er weinig ruimte over voor een beschikking van de Commissie die op grond van artikel 249 EG bindend is voor de geadresseerde.
Hoe dient de verhouding tussen de nationale rechter en de Commissie nu te worden bezien? Komninos wijst op het feit dat de opmerking van de Commissie in § 102 van het Witboek betreffende de modernisering van de regels inzake de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (dat een rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft tussen de procespartijen en waarbij geen schending van het mededingingsrecht wordt aangenomen, tussen partijen blijft gelden, ondanks het feit dat de Commissie wel een schending van het mededingingsrecht heeft vastgesteld) meer uit politieke overwegingen is gemaakt, dan uit inhoudelijke juridische overwegingen.4 Op deze manier konden de nationale rechters en de politiek destijds gerust worden gesteld, zodat de modernisering en de decentralisering van de handhaving van het Europees mededingingsrecht niet in gevaar zou komen.
In artikel 16 Verordening 1/2003 en Masterfoods kunnen geen aanwijzingen worden gevonden voor het bestaan van een regel waarbij een verbod van de Commissie tegenover een ieder zou gelden (erga omnes), uitgezonderd de partijen tussen wie de uitspraak van de nationale rechter gezag van gewijsde heeft gekregen (res judicata). Het HvJ EG heeft in de zaak Kühne & Heitz geoordeeld dat een besluit dat formele rechtskracht heeft gekregen niet in de weg kan staan aan de verplichting voor de nationale rechter de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren.5 De verplichting voor de nationale rechter de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren, lijkt op het eerste gezicht belangrijker te zijn dan het rechtszekerheidsbeginsel. Het HvJ EG heeft in Kühne & Heitz geoordeeld dat onder omstandigheden een bestuursorgaan krachtens het in artikel10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel gehouden is, zijn besluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het HvJ EG inmiddels aan de relevante bepaling van Gemeenschapsrecht heeft gegeven. Aan de hand van de resultaten van dat heronderzoek zal dat orgaan moeten bepalen, in hoeverre het, zonder de belangen van derden te schaden, op het eerdere besluit dient terug te komen.
In Kühne & Heitz werd door het HvJ EG uitgegaan van een aantal feitelijke omstandigheden. In de eerste plaats bood het nationale recht het bestuursorgaan de mogelijkheid, terug te komen op het definitief geworden besluit. In de tweede plaats was het in geding zijnde besluit pas definitief geworden ten gevolge van een uitspraak van een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor beroep. In de derde plaats was die uitspraak gebaseerd op een uitlegging van het Gemeenschapsrecht die, gelet op een later arrest van het HvJ EG, onjuist was zonder dat was verzocht om een prejudiciële beslissing ex artikel 234 EG. In de vierde plaats had de belanghebbende zich tot het bestuursorgaan gewend onmiddellijk na kennis te hebben genomen van het arrest van het HvJ EG. Het is, mede gelet op het feit dat het HvJ EG zich in zijn uitspraak voornamelijk heeft toegespitst op de zojuist genoemde specifieke omstandigheden, de vraag wat het effect van deze uitspraak is voor het gezag van gewijsde van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de burgerlijke rechter. In het burgerlijk procesrecht biedt het buitengewone rechtsmiddel herroeping (artikelen 382-389 Rv) slechts een beperkt aantal gronden voor aantasting van het in kracht van gewijsde gegane rechterlijk vonnis.6 Het is maar zeer de vraag of de gronden voor herroeping op grond van het gemeenschapsrecht moeten worden opgerekt zodat bij dit soort situaties herroeping mogelijk is.7
In Kapferer speelde de vraag of een nationale rechter op grond van het uit artikel10 EG voortvloeiende samenwerkingsbeginsel gehouden is, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te onderzoeken en te vernietigen wanneer zij in strijd met het gemeenschapsrecht blijkt te zijn.8 Het HvJ EG overweegt (r.o. 20):
'In dit verband moet worden herinnerd aan het belang, zowel in de communautaire rechtsorde als in de nationale rechtsordes, van het beginsel van kracht van gewijsde. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (arrest van 30 september 2003, C-224/01, Jurispr. blz. I-10239, punt 38).'
Het HvJ EG vervolgt (r.o. 21):
'Bijgevolg gebiedt het gemeenschapsrecht een nationale rechter niet, nationale procedureregels die een beslissing kracht van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een schending van het gemeenschapsrecht door deze beslissing kunnen worden opgeheven (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, Jurispr. blz. 1-3055, punten 46 en 47).'
Het HvJ EG maakt vervolgens (r.o. 23) een vergelijking met Kühne & Heitz. In de eerste plaats maakt het HvJ EG een onderscheid tussen de formele rechtskracht van een besluit van een bestuursorgaan (Kühne & Heitz) en een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing (Kapferer). In de tweede plaats wordt een onderscheid gemaakt tussen de situatie dat naar nationaal recht de bevoegdheid bestaat om op die beslissing terug te komen (Kühne & Heitz) en de situatie waarin dat niet het geval is (Kapferer). Het HvJ EG oordeelt dat het uit artikel10 EG voortvloeiende samenwerkingsbeginsel de nationale rechter op grond van Kapferer niet gebiedt om nationale procedureregels buiten toepassing te laten teneinde een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te onderzoeken en te vernietigen wanneer deze in strijd met het gemeenschapsrecht blijkt te zijn.
In het later gewezen arrest Lucchini oordeelt het HvJ EG, onder verwijzing naar de voor de nationale rechter algemeen geldende verplichting van gemeenschapsconforme interpretatie en zo nodig buiten toepassing laten van met het gemeenschapsrecht strijdig nationaal recht,
'dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de toepassing van een bepaling van nationaal recht waarin het beginsel van het gezag van gewijsde is neergelegd, zoals artikel 2909 van het Italiaanse burgerlijk wetboek, voor zover toepassing daarvan in de weg staat aan de terugvordering van staatssteun die in strijd met het gemeenschapsrecht is verleend en waarvan de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt bij een definitief geworden beschikking van de Commissie is vastgesteld.'9
Dit oordeel doet niet af aan Kapferer, nu het in Lucchini ging om onrechtmatig verleende staatssteun.10 Het betrof in Lucchini dan ook uitdrukkelijk niet de decentrale toepassing van gemeenschapsrecht met directe werking zoals de artikelen 81 EG en 82 EG. Met betrekking tot de toepassing en handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG zijn de nationale rechters en de Commissie samen parallel bevoegd, anders dan bij de inhoudelijke beoordeling door de Commissie van steunmaatregelen op hun verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt.11