Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.5.3
1.5.3 Over de combinatie van mijn werkzaamheden als onderzoeker en praktijkjurist
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973603:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze aanpak is geïnspireerd door de werkwijze van Katan in haar proefschrift, zie Katan 2017; in de voorgaande paragrafen werd deze werkwijze al toegepast. Ik merk daarbij op dat ik niet bij iedere uitspraak, waar ik naar verwijs, heb gecontroleerd of (oud-)kantoorgenoten daarbij betrokken waren. Bovendien geldt voor rechtspraak van voor september 2008 dat het procuraat nog gold, zodat het kan zijn dat in dergelijke uitspraken alleen de naam van de betreffende procureur is vermeld.
Ik wijs op het congres ‘Dubbele petten in de rechtswetenschap’ op 24 september 2021 te Leiden en het verslag daarvan in de uitgave van Ars Aequi van januari 2022.
Dat is bijvoorbeeld anders bij zekerheidsrechten als pand en hypotheek en de positie van banken, of civiele schadevergoedingsprocedures tegen overtreders van het kartelverbod en de positie van gedaagden binnen dat domein.
Te weten Boom 2021 en Boom 2022.
Het onderzoek waarvan dit boek het resultaat vormt, heb ik gecombineerd met mijn werkzaamheden als cassatieadvocaat bij BarentsKrans Coöperatief UA. Dat betekent dat bij meerdere gerechtelijke uitspraken die in dit boek de revue passeren, kantoorgenoten van mij of ikzelf betrokken waren. Als ik bekend ben met de betrokkenheid van een kantoorgenoot bij een uitspraak, of als ik daarbij zelf betrokken was, vermeld ik dat in de betreffende voetnoot. In het rechtspraakoverzicht voeg ik bij die uitspraken een asterisk toe.1
Verder merk ik op dat mijn werkzaamheden als cassatieadvocaat geen relevante belemmeringen met zich hebben gebracht voor mijn werkzaamheden als onderzoeker. Ik zeg dit omdat in de juridische gemeenschap gedebatteerd wordt over de verwevenheid van wetenschap en praktijk.2 De reden dat dit mij niet heeft belemmerd, is tweeërlei. De eerste reden is dat het onderzoeksonderwerp van dit boek naar zijn aard vrij neutraal is, in die zin dat er bij mijn weten niet bepaalde ‘repeat players’ voor het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten zijn aan te wijzen die per definitie gebaat zouden zijn bij een bepaalde juridische benadering.3 Er zijn misschien professionele partijen te bedenken wiens voornaamste bedrijfsactiviteit verkoop aan consumenten, bedrijven of organisaties is, en die in dat opzicht mogelijk gebaat zijn bij een strenge toepassing van klachttermijnen. Tegelijk zijn dit soort partijen zelf ook koper. In die hoedanigheid ontvalt hen dat belang.
De tweede reden is dat het innemen van een rechtswetenschappelijk standpunt als onderzoeker losstaat van het standpunt dat in de hoedanigheid van advocaat in een juridische procedure namens een bepaalde procespartij wordt bepleit. In lijn met dit standpunt merk ik op dat de resultaten van dit onderzoek en de opvattingen die in dit boek zijn opgenomen niet vooraf met mijn kantoor zijn afgestemd. Dat is ook niet gebeurd bij eerdere publicaties in het kader van dit onderzoek.4
Tegelijk hebben mijn werkzaamheden als advocaat mijn onderzoek wel degelijk beïnvloed. Die invloed uit zich vooral in een praktijkgerichte onderzoeksblik. Dit boek houdt steeds voor ogen wat de relevantie van de daarin opgenomen beschouwingen is voor de rechtspraktijk. Het doel is om die rechtspraktijk verder te brengen door een evaluatie van het bestaande juridisch kader met betrekking tot rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Het onderwerp is bij uitstek relevant voor de praktijk.