Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.5.2:1.5.2 Rechtsvergelijking
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.5.2
1.5.2 Rechtsvergelijking
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973539:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/2.
Idem.
Zie voor een rechtsvergelijkende studie van de klachtplicht naar Nederlands recht en het leerstuk Estoppel Ermers 2014 en Ermers 2014*.
Zie Tamboer 2021.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor mijn onderzoek naar het fenomeen van de Obliegenheit maak ik gebruik van rechtsvergelijking met het Duitse recht. De keuze voor het Duitse recht ligt voor de hand: het is consensus dat het Nederlandse begrip Obliegenheit is ontleend aan de Duitse rechtsleer. Het ligt dan ook in de rede om voor een onderzoek naar de Nederlandse figuur van de Obliegenheit de Duitse rechtsleer te bestuderen. Maar er zijn meer argumenten die pleiten voor deze keuze. Duitsland kent, net als Nederland, rechtsverwerking als zelfstandig leerstuk onder de paraplu van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Het leerstuk, alsmede de handelsrechtelijke klachtplicht van par. 377 HGB, wordt bovendien als Obliegenheit gekenschetst. Deze koppeling tussen het fenomeen Obliegenheit, de redelijkheid en billijkheid, rechtsverwerking en klachtplichten is niet vanzelfsprekend: Frankrijk en België erkennen rechtsverwerking bijvoorbeeld niet als zelfstandig leerstuk. Bovendien is rechtsverwerking in die jurisdicties geconstrueerd als een vorm van stilzwijgende afstand van recht en niet onder de paraplu van de redelijkheid en billijkheid gebracht.1 Een ander afwijkend voorbeeld is het Engelse recht, dat met een specifieke invulling van het concept Estoppel in bepaalde gevallen een leerstuk kent dat enige verwantschap vertoont met rechtsverwerking.2 Het conceptuele verschil tussen deze rechtsstelsels met betrekking tot dit onderwerp maakt rechtsvergelijking problematisch, zodat ik daarvan ben weggebleven.3
Ik heb ervoor gekozen de vergelijking met het Duitse recht te integreren in hoofdstuk 2, dat aan de Obliegenheit is gewijd. Ik heb er daarnaast voor gekozen om de vergelijking met het Duitse recht te beperken tot het fenomeen van de Obliegenheit. Een rechtsvergelijking met betrekking tot rechtsverwerking en, bijvoorbeeld, de klachtplicht van par. 377 HGB valt buiten het bestek van dit onderzoek. Het leerstuk van rechtsverwerking speelt in dit boek een rol, maar vooral in de onderlinge verhouding met de wettelijke klachtplichten. Een vergelijking van rechtsverwerking naar Nederlands en Duits recht is dan ook van minder belang voor dit onderzoek. Met betrekking tot de Duitse handelsrechtelijke klachtplicht geldt bovendien dat een rechtsvergelijkende studie met het Nederlandse art. 7:23 lid 1 BW recent nog is uitgevoerd.4 Hier spelen ook praktische overwegingen een rol: rechtsvergelijking is tijdrovend en heeft veel tekst nodig, terwijl ik ernaar streef om een compact boek te schrijven.
Voor mijn onderzoek naar het Duitse recht heb ik mij geconcentreerd op de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de literatuur. Net als voor het Nederlandse recht, geldt voor het Duitse recht dat het fenomeen Obliegenheit geen plek in het burgerlijk wetboek heeft. Voor het Duitse recht heb ik rechtsfiguren bestudeerd die in de Duitse literatuur als Obliegenheit worden aangemerkt, net zoals ik dat voor het Nederlandse recht heb gedaan.