Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.2.2.4
13.2.2.4 Samenwerkende groep
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232784:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens het op dezelfde dag gewezen arrest HR 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4701, BNB 1992/286, in welk geval feitelijk was vastgesteld dat geen sprake was van een samenwerkende groep, maar waar eveneens uit volgt dat, indien daarvan wel sprake was geweest, dit van invloed had kunnen zijn op de waardering. In dit verband zij ook gewezen op de noot van Hoogendoorn onder het arrest in BNB, waar hij opmerkt dat, hoewel waarde in het economische verkeer een objectieve maatstaf is, subjectieve factoren niet geheel buiten aanmerking worden gelaten. De plaats van de certificaten in het vermogen van belanghebbende speelt mede een rol bij de waardering. Hij verwijst in dit verband naar een nuanceverschil tussen de waardering voor het successierecht en voor de vermogensbelasting.
Vergelijk ook de noot van Hoogendoorn onder het arrest in BNB.
Zie over de certificaathouder met zeggenschap ook paragraaf 13.2.2.3 hiervoor.
Van den Dool en van der Hoeven 2015, paragraaf 4.5.
De aanwezigheid van een samenwerkende groep komt met enige regelmaat in de jurisprudentie terug. Deze omstandigheid heeft als (mogelijke) consequentie dat daarmee het belang van een aandeelhouder of certificaathouder een andere betekenis heeft, te weten van een in eigen onderneming gestoken vermogen in plaats van een belegging, en daarmee een hogere waarde. Indien de leden van de samenwerkende groep gezamenlijk een meerderheidspositie hebben, kunnen zij daarmee de controle hebben over de vennootschap. Dit zal zich uiteraard eerder voordoen bij een samenwerkende groep van aandeelhouders, dan bij certificaathouders, omdat deze laatsten de STAK moeten beheersen om controle te krijgen over de vennootschap waarvan de aandelen gecertificeerd zijn.
Een voorbeeld is het in paragraaf 13.2.2.2 reeds kort genoemde arrest HR 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8298, BNB 1992/108. Dit betreft een casus waarbij belanghebbende certificaten had van een minderheidspakket aandelen. De overige certificaten waren in handen van zijn zusters en de STAK, alsmede de vennootschap, werd bestuurd door de ouders van belanghebbende. Het geschil betrof de waardering voor de vermogensbelasting. Het hof had geoordeeld dat sprake is van een samenwerkende groep, als gevolg waarvan de certificaten voor belanghebbende niet de betekenis van een belegging hebben en het hof de waardering op de intrinsieke waarde van de inspecteur volgt. In cassatie heeft belanghebbende de stelling betrokken dat de houder van een pakket certificaten nooit tot een samenwerkende groep kan behoren. De Hoge Raad wijst deze stelling af en overweegt dat de enkele omstandigheid dat aan de certificaten bepaalde aandeelhoudersrechten niet zijn verbonden er niet aan in de weg staat dat de certificaathouder door middel van samenwerking bij het besturen van het administratiekantoor deel kan uitmaken van een samenwerkende groep.1
Als men in overweging neemt dat het waardedrukkende effect van certificering veroorzaakt wordt door het ontbreken van zeggenschap, lijkt mij dit tot op zekere hoogte passend: via de samenwerking op STAK-niveau worden zeggenschap en economisch belang weer bij elkaar gebracht.2 Het deelnemen aan een samenwerkende groep kan echter een persoonlijk element zijn, aangezien het de certificaathouder is die samenwerkt. Dit hoeft uiteraard niet te gelden voor een gegadigde voor deze certificaten, die om in deze positie te kunnen komen ten minste zeker moet zijn van een positie als bestuurder van de STAK.3 De vraag is dan in hoeverre de aanwezigheid van een samenwerkende groep tot gevolg heeft dat de belangen van de leden van deze groep, die ieder voor zich slechts een minderheidsbelang houden, een grotere waarde krijgen dan aan een dergelijk minderheidsbelang kan worden toegekend. In dit verband zij nog gewezen op de overweging van het hof in de voornoemde casus, dat bij een vervreemding door belanghebbende de andere leden van de samenwerkende groep bereid zouden zijn tot het betalen van een hogere prijs dan de beleggingswaarde, waarmee het hof voor dit geval de persoon van de gegadigde ook nader invult.
Van den Dool en Van der Hoeven4 geven, in relatie tot de waardering van minderheidspakketten aandelen, aan dat de aanwezigheid van een samenwerkende groep een persoonlijke omstandigheid betreft, die bij een objectief waardebegrip geen rol kan spelen. Weliswaar is het rekening houden hiermee historisch verankerd geraakt in de waarderingspraktijk, gezien de waarderingsmaatstaf geldswaarde die voor de waarde in het economische verkeer gebruikt werd en waarbij het meer paste om rekening te houden met de subjectieve positie van de aandeelhouder. Met de objectivering van het waardebegrip in de verschillende heffingswetten verviel huns inziens echter ook de relevantie van de samenwerkende groep. Een willekeurige koper van een minderheidspakket zal naar hun mening zeker niet ervan uitgaan dat hij een welkome partner is in de samenwerkende groep. Naar hun mening kan de aanwezigheid van een samenwerkende groep in twee situaties een waardebepalende factor zijn:
De omstandigheden zijn van zodanige aard, dat een derde wel welkom is in de groep. Hoe groter het minderheidspakket is, hoe meer men mag verwachten dat men in samenwerking met andere grote aandeelhouders de dienst zal uitmaken bij de vennootschap, met als uiterste voorbeeld het 50%-pakket.
In de samenwerkende groep bevinden zich in beginsel de beste gegadigden voor een te koop aangeboden minderheidspakket. Dit minderheidspakket kan dan een hogere waarde hebben, indien reëel is dat de minderheidsaandeelhouder zijn positie kan uitbuiten. Ook kan zich de situatie voordoen waarin een van de leden van de samenwerkende groep door aankoop van het minderheidspakket een meerderheid kan verwerven. Men moet echter in gedachten houden dat de omstandigheid dat de andere leden van een samenwerkende groep gegadigden kunnen zijn die bereid zijn om een hogere prijs te betalen, nog niet betekent dat dit in een concreet geval zo is.
Zij geven voorts aan dat in de jurisprudentie in eerste instantie de samenwerkende groep betekenis bleef houden, maar dat deze in latere jurisprudentie in hoge mate is gerelativeerd. Zie voor een aantal voorbeelden van uitspraken over waardering bij een samenwerkende groep en de ontwikkeling daarin de aangehaalde passage van Van den Dool en Van der Hoeven.
De aanwezigheid van een samenwerkende groep kan op vergelijkbare wijze een rol spelen bij de waardering van certificaten van een minderheidspakket aandelen. Voor invloed van een samenwerkende groep op de waarde van de certificaten is naar mijn mening vereist dat de certificaathouders de STAK beheersen (en daarmee indirect het onderliggende vermogen). Een voor de hand liggende wijze waarop men in deze positie komt, is indien de samenwerkende certificaathouders samen een meerderheid van de stemmen in het bestuur van de STAK hebben. Ook is theoretisch denkbaar dat sprake is van een vergadering van certificaathouders met zodanig verregaande bevoegdheden, dat deze de STAK controleert. In geval van certificering die bedoeld is om te functioneren als beschermingsfiguur zal van een dergelijke groep echter niet of nauwelijks sprake kunnen zijn: het doel van de certificering staat eraan in de weg dat de certificaathouders een dergelijk grote zeggenschap hebben, aangezien zij daarmee in principe ook in staat zouden zijn om de bescherming van de certificering ongedaan te maken.
Bovendien is de enkele aanwezigheid van een samenwerkende groep niet voldoende om tot de conclusie te komen dat hiervan een waardeverhogend effect uitgaat. Hiervoor is tevens nodig dat ofwel de positie in de samenwerkende groep kan overgaan op een verkrijger van de certificaten, bijvoorbeeld omdat een zetel in het bestuur van de STAK aan het bezit van de certificaten gekoppeld is, ofwel een of meer van de overige leden van de samenwerkende groep in de omstandigheden van het specifieke geval bereid en in staat zouden zijn om een hogere prijs voor de certificaten te betalen, dan de omvang van dit pakket certificaten op zichzelf zou rechtvaardigen. In geval van certificering als beschermingsfiguur komt mij voor dat deze situatie zich zelden voor zal doen.