Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.4:5.4.4 Ripeness
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.4
5.4.4 Ripeness
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233662:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een laatste horde die hier bespreking behoeft, is ripeness. Op grond van deze doctrine dient de rechter een inhoudelijke beoordeling achterwege te laten indien van een concreet en actueel geschil nog geen sprake is.1 In dat geval geldt dat een rechterlijk oordeel prematuur is en dat het geschil nog niet ripe is om te worden beslecht. Vergeleken met de doctrines van standing en mootness is de toepassing van mootness niet zozeer afhankelijk van de hoedanigheid van eiser en van feiten of omstandigheden die in zijn sfeer kunnen liggen, maar veeleer van de aard en het voorwerp van het geschil.
In zoverre is ripeness vergelijkbaar met de political question-doctrine. Ook de toepassing van de political question-doctrine hangt eerst en vooral af van het voorwerp van het geschil. Persoonlijke omstandigheden en de identiteit van eiser zijn, zoals in eerdere hoofdstukken is gebleken, voor de toepassing van de doctrine niet relevant:
‘[T]he [political question] doctrine is designed to restrain the Judiciary from inappropriate interference in the business of the other branches of Government; the identity of the litigant is immaterial to the presence of these concerns in a particular case.’2
Ripeness is voor de Amerikaanse federale rechter onder meer van belang in geschillen waarin beleid of wetgeving nog in voorbereiding is of weliswaar is vastgesteld, maar daaruit nog geen verplichtingen voor burgers voorvloeien. Ter illustratie kan worden gewezen op de zaak Ohio Forestry Association v. Sierra Club.3 Daarin werd het Hof gevraagd om zich uit te laten over een plan voor de ontwikkeling van een natuurgebied. Dit plan was vastgesteld door een federaal agentschap belast met het beheer van bossen en natuurgebieden. Het plan maakte het kappen van bomen mogelijk en wees daarvoor diverse geschikte gebieden aan.
Het Hof achtte het geschil nog niet ripe om te worden beslecht. Daartoe overwoog het dat uit het plan in kwestie op zichzelf nog geen verplichtingen voortvloeiden voor burgers. Het plan vormde veeleer een kader voor toekomstige besluitvorming en vergunningverlening over het kappen van bos en vergde in zoverre nog nadere besluitvorming. Volgens het Hof kon het plan worden betrokken in een procedure over deze nadere besluitvorming. Omdat het plan als zodanig nog geen rechtsgevolgen had, was er geen noodzaak om dit plan aan een inhoudelijke beoordeling te onderwerpen:
‘[R]eview of the […] claims […] now would require time-consuming judicial consideration of the details of an elaborate, technically based plan, which predicts consequences that may affect many different parcels of land in a variety of ways, and which effects themselves may change over time. That review would have to take place without benefit of the focus that a particular logging proposal could provide. […]. And, of course, depending upon the agency’s future actions to revise the [p]lan or modify the expected methods of implementation, review now may turn out to have been unnecessary.’4