Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/5.2.2.1
5.2.2.1 Krijger/Citco Bank Antilles
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254475:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie thans artikel 476a Rv dat de derde-beslagene verplicht ‘verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen’ en artikel 477a Rv waarin is bepaald dat indien de derde-beslagene in gebreke blijft verklaring te doen, hij op vordering van de executant wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn.
Ongewijzigd bleven ook de directievoering over de bouw van de woning en de goedkeuring van de declaraties bij dezelfde onderneming (Architectural Ventures), waarin de echtgenote van Van Ooyen het voor het zeggen had; zie A-G Vranken in zijn conclusie bij het arrest, nr. 17.
Zie paragraaf 5.2.3.2.1.
HR 9 juni 1995, NJ 1996, 213, RvdW 1995, 124 (Krijger/Citco), r.o. 3.3.
De vereenzelviging kan er ook uit bestaan dat een of meer rechtspersonen worden vereenzelvigd met een natuurlijk persoon.
Vgl. Roelvink 1977, p. 138.
Mohr 1996, p. 790; hij noemt o.m. het Heuga-arrest (HR 26 januari 1994, NJ 1994, 545) als voorbeeld, waarin een moedervennootschap met haar dochtervennootschap werd vereenzelvigd om te voorkomen dat de OR van de dochtervennootschap buitenspel werd gezet in relatie tot de beëindiging van een vrijwillig toegepast (afgezwakt) structuurregime bij de moedervennootschap.
Bartman 1996, p. 878 en al eerder Bartman 1992, p. 63 e.v.
Mohr 1997, p. 99.
Vgl. in dit verband Van Schilfgaarde in zijn noot bij HR 4 oktober 1991, NJ 1992, 247 (Glorywave), nrs. 1-2, waar hij schrijft dat voor een echte doorbraak op grond van terzijdestelling van rechtspersoonlijkheid een wettelijke grondslag ontbreekt, zodat een beroep zal moeten worden gegaan op meer algemene noties, die (daarom) tot een voorzichtige toepassing nopen.
Tussen Krijger en Citco Bank Antilles bestond discussie over een samenstel van gebeurtenissen die Citco en het Antilliaanse hof als een ‘schijnhandeling’ bestempelden. Krijger had met Lorimar een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een huis voor een bedrag van f 304.000,-. Toen Citco op enig moment derdenbeslag legde onder Krijger voor al hetgeen hij verschuldigd zou zijn of worden aan Lorimar, zegde Krijger diezelfde dag nog de overeenkomst met Lorimar op. Tegelijkertijd sloot Krijger een nieuwe overeenkomst met Intervorm, die het huis afbouwde. Krijger betaalde ten slotte aan Citco het bedrag dat hij nog aan Lorimar verschuldigd zou zijn, namelijk f 4399,30. In een verklaringsprocedure1 stelde Citco zich op het standpunt dat de gehele aanneemsom onder het beslag viel, dus óók hetgeen Krijger schuldig was of zou worden aan Intervorm.
Het hof overweegt dat het standpunt van Citco alleen dan opgaat, wanneer ervan wordt uitgegaan dat hetgeen Krijger aan Intervorm is verschuldigd zijn grondslag vindt in de rechtsverhouding van Krijger met Lorimar.2 Citco bepleit immers een doorbraak van aansprakelijkheid, gebaseerd op het standpunt dat Lorimar en Intervorm moeten worden vereenzelvigd. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan om aan te nemen dat schulden aan de ene rechtspersoon (Intervorm) hun grondslag vinden in de rechtsverhouding met een andere rechtspersoon (Lorimar), aldus het hof. Uit de volgende omstandigheden leidt het hof vervolgens af dat Krijger weliswaar een nieuwe overeenkomst heeft gesloten, maar in feite dezelfde rechtsverhouding met dezelfde persoon voortzette, zodat Lorimar en Intervorm in die zin moeten worden vereenzelvigd:
Lorimar en Intervorm hebben dezelfde directeur/eigenaar, de heer Van Ooyen;
namens beide vennootschappen heeft Van Ooyen de contacten met Krijger onderhouden;
een week voor de beslaglegging is de statutaire doelomschrijving van Intervorm gewijzigd, in die zin dat daaronder naast verbouwings- en inrichtingsactiviteiten ook bouwactiviteiten werden gebracht;
Krijger heeft de overeenkomst met Lorimar opgezegd, omdat hij niet verder lastiggevallen wilde worden met beslagen van derden. Diezelfde dag heeft Lorimar aan Krijger laten weten zijn beslissing te betreuren. Partijen hebben geen schadeclaims jegens elkaar ingediend;
op dezelfde datum kwamen Krijger en Intervorm op voorstel van Van Ooyen overeen dat Intervorm het in aanbouw zijnde huis zou afmaken;
dezelfde bouwvakkers met dezelfde gereedschappen en dezelfde bouwmaterialen hebben ten slotte het huis afgemaakt.3
Een belangrijke omstandigheid, die in de aangehaalde literatuur mijns inziens onderbelicht is gebleven, noemt het hof een overweging verder. Ik doel op het door het hof onderscheide motief van zowel Krijger als Van Ooyen bij de gekozen handelwijze. Het hof was van oordeel dat men zich kennelijk ervan bewust was dat, indien niets zou worden ondernomen, de nog niet vervallen termijnen van de aanneemsom onder het beslag zouden vallen. Krijger en Van Ooyen kunnen voor hun handelwijze geen ander motief hebben gehad dan te voorkomen dat dit zou gebeuren, aldus het hof, en zij hebben in dat kader ‘weloverwogen’ gehandeld. Het is mijns inziens vooral om die reden dat het hof de overeenkomst tussen Krijger en Intervorm als een schijnhandeling aanmerkt, waardoor mag worden aangenomen dat hetgeen Krijger aan Intervorm is verschuldigd zijn grondslag vindt in de rechtsverhouding van Krijger met Lorimar. Over schijnhandelingen kom ik hierna nog te spreken;4 ik volsta hier met de constatering dat dit handelen voor het hof de belangrijkste factor lijkt te zijn geweest om de door Citco bepleite doorbraak aan te nemen.
A-G Vranken kan zich volledig vinden in de overwegingen van het hof en noemt het resultaat van de beslissing wenselijk. De Hoge Raad gaat daarin mee en oordeelt dat de gedachtegang van het hof ‘berust op het juiste uitgangspunt dat van het identiteitsverschil tussen twee door dezelfde persoon beheerste rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt, en op de eveneens juiste gedachte dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd – naar ’s hofs oordeel in dit geval: het ten nadele van de beslaglegger frustreren van een beslag – in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd’.5 Concrete uitkomst van de zaak: Krijger had al betaald aan Intervorm, maar moest ook aan Citco afdragen. Het misbruik van het identiteitsverschil tussen twee (of meer) rechtspersonen6 rechtvaardigt dus onder bijzondere omstandigheden dat de afzonderlijke entiteiten met elkaar worden vereenzelvigd. De door de Hoge Raad gebezigde zinsnede misbruik van identiteitsverschil dient daarbij mijns inziens te worden begrepen als het misbruik van de afzonderlijke identiteit – in de zin van de zelfstandige rechtssubjectiviteit – van twee of meer rechtspersonen.7
Mohr vroeg zich na het wijzen van dit arrest af of de Hoge Raad van het rechte pad was afgeweken. Hij is van mening dat vereenzelviging geheel uit den boze is in gevallen van een financiële aansprakelijkheidsstelling, omdat de aansprakelijkheid dan – buiten onrechtmatigheid – een zelfstandige grondslag ontbeert. Onrechtmatigheden in dit verband dienen zijns inziens met toepassing van artikel 6:162 BW te worden bestreden, terwijl vereenzelviging wel een oplossing kan bieden in gevallen waarin door gebruik van rechtspersonenrecht de toepasselijkheid van rechtsregels wordt gefrustreerd zonder dat dit kan worden ‘goedgemaakt’ door schadevergoeding.8 Bartman toonde zich daarentegen een voorstander van vereenzelviging als zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid.9 Zijns inziens biedt een verwijzing naar het leerstuk van de onrechtmatige daad geen adequate oplossing voor het probleem dat de praktijk zich vaak geconfronteerd ziet om, in een brij van talloze verbonden vennootschappen en al dan niet gefingeerde transacties, de betrokken belangen te (onder)scheiden en te beslissen naar de strekking van de geschonden rechtsregel. Men raakt in deze gevallen in bewijsproblemen die volgens Bartman als onbillijk moeten worden beschouwd. Het is niet onredelijk om het schadegevolg in de risicosfeer van Krijger te brengen, nu hij had meegewerkt aan het misbruik van identiteitsverschil. Zijn schade zal hij zelf op de andere betrokkenen moeten verhalen. Mohr betwijfelt sterk of een vordering door Citco jegens Krijger op grond van onrechtmatige daad tot een ander resultaat zou hebben geleid en is er duidelijk niet van gediend dat Krijger vervolgens zelf zijn schade zou moeten verhalen op Van Ooyen.10
Het is nog te vroeg om hier reeds de voorkeur uit te spreken voor een bepaald standpunt; ik doe dat verderop. Wel kan worden geconstateerd dat de discussie zich toespitst op de vraag of en in hoeverre vereenzelviging als een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid kan dienen. In Krijger/Citco heeft de Hoge Raad zich hierover nog niet uitgelaten, maar slechts de mogelijkheid tot vereenzelviging van verschillende rechtssubjecten erkend. Men kan hierin een duidelijke tweespalt ontwaren tussen enerzijds de idee dat het leerstuk van de onrechtmatige daad kan voorzien in een oplossing voor casus als deze en anderzijds de idee dat naast artikel 6:162 BW een afzonderlijke behoefte bestaat om recht te kunnen doen aan de feitelijke situatie, ook al lijkt het positieve recht – de rechtssubjectiviteit – daaraan in de weg te staan.11