Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.3.5.6
3.3.5.6 Recht van enquête en overige mogelijkheden tot het vergaren van inlichtingen buiten de regering om
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.2.8.
Zie paragraaf 2.2.9.
Zie voorbeelden Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 382.
Bijvoorbeeld naar aanleiding van de RSV-enquête ingestelde OOW-commissie is een heel aantal wijzigingen in het RvO II geïntroduceerd, waaronder de introductie van het begrotingsoverleg (destijds ‘fact finding’). Meer over het parlementaire enquêterecht o.a. in Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 792 en Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 375-387.
Zie ook de motie Fokke c.s. waarin is neergelegd dat de conclusies en aanbevelingen van de tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête worden overgenomen, Kamerstukken II 2015/15, 34 400, nr. 4.
Zie het verslag van de Tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête, Kamerstukken II 2015/16, 34 400, nr. 2. Dit instrument zal waarschijnlijk voor het eerst worden toegepast bij een onderzoek naar de zogenoemde Panama Papers en de rol van de Nederlandse financiële sector bij internationale belastingconstructies (Handelingen II 2016/17, nr. 10, item 14).
Artikel 29 RvO II en artikel 53 RvO I.
Artikel 27 onderdeel d en f RvO II en artikel 33 lid 2 en 3 RvO I.
Artikel 90 Comptabiliteitswet 2001.
Artikel 21a Wet op de Raad van State.
Het recht van enquête is neergelegd in artikel 70 van de Grondwet. Dit zwaarste parlementaire onderzoeksmiddel kent vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw een ware opbloei. Met name inzake het budgetrecht is het recht van enquête, in het bijzonder de parlementaire enquête naar de RSV-affaire in 1986, van waarde gebleken.1 Maar ook de parlementaire enquête Financieel Stelsel heeft ervoor gezorgd dat het budgetrecht in een aantal opzichten is versterkt.2
Het recht van enquête – ook wel het recht van onderzoek – dient ertoe om de Kamers zelf, buiten de regering om, inlichtingen te laten vergaren – dit in tegenstelling tot het inlichtingenrecht dat er juist toe dient om van de regering informatie te verkrijgen. Het recht van enquête onderscheidt zich van het (gewone) parlementaire onderzoek door de verregaande bevoegdheden van een enquêtecommissie neergelegd in de Wet op de Parlementaire Enquête 2008. In de politieke praktijk hebben de rapporten van diverse enquêtecommissies geleid tot het vertrek van verschillende bewindslieden.3 Bovendien heeft een parlementaire enquête meer dan eens geleid tot een aanpassing van de politieke praktijk of wetgeving.4
In juli 2016 heeft de Tweede Kamer ingestemd met een experiment parlementaire ondervraging (ook wel ‘mini-enquête’ genoemd).5 De tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête, die dit instrument heeft voorgesteld, definieert de politieke ondervraging als ‘een kortlopende parlementaire enquête gericht op het verkrijgen van mondelinge inlichtingen door middel van het horen van personen onder ede’. Een parlementaire ondervraging ziet volgens de tijdelijke commissie op het verkrijgen van mondelinge inlichtingen, waarbij geen beroep wordt gedaan op de overige instrumenten uit de Wet op de parlementaire enquête.6
Naast de parlementaire enquête waarmee de Kamers buiten de regering om zelf inlichtingen kunnen vergaren, staan de Kamers ook andere mogelijkheden ter beschikking om inlichtingen buiten de regering om te vergaren die van belang zijn voor de uitoefening van het budgetrecht. Dit kan door middel van het organiseren van hoorzittingen,7 het vragen van adviezen aan deskundigen of adviescolleges,8 en het voorleggen van een verzoek tot het doen van onderzoek aan de Algemene Rekenkamer9 en aan de Afdeling advisering van de Raad van State.10