Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.4.2.1
5.4.2.1 Art. 6:170, 6:171 en 6.3.9 (oud) BW
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713204:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het artikel is weliswaar niet tot arbeidsrelaties beperkt, maar ik hanteer hier – in lijn met de literatuur (Asser/Sieburgh 6-IV 2019/83) – de term ‘werkgever’.
Parl. Gesch. Boek 6 1981 (V.V. II), p. 721: “Samenvattend kan men dus zeggen dat de aansprakelijkheid van particuliere opdrachtgevers (werkgevers) – dat wil zeggen opdrachtgevers (werkgevers) die niet als ondernemer of als overheid werkzaam zijn – enigszins lichter zal worden en dat overigens alles hetzelfde blijft.”
In het ontwerp wordt gesproken over ‘ondernemingen’ en niet ‘ondernemers’. Ik hanteer de term ‘ondernemer’. Overigens was in het ontwerp ook een verruiming opgenomen voor de overheid. Ik laat dit aspect hier buiten beschouwing.
Parl. Gesch. Boek 6 1981 (TM), p. 710 e.v.
Parl. Gesch. Boek 6 1981 (TM), p. 710 e.v.
Parl. Gesch. Boek 6 1981 (TM), p. 710 e.v.
Zie ook: HR 9 november 2007, NJ 2007/568 (Groot Kievitsdal).
Parl. Gesch. Boek 6 1981 (MvA II), p. 725. Opmerkelijk is evenwel dat de kritiek op artt. 6.3.8 en 6.3.9 niet zozeer was gericht op de rechtvaardiging voor het onderscheid tussen natuurlijke personen en ondernemers als het aankwam op de aansprakelijkheidsdrempel, maar meer op de afbakening van het begrip ‘onderneming’.
Het OBW kende overigens geen vergelijkbare bepaling.
Zie ook Klaassen 1990, p. 65, die schrijft dat art. 6.3.10 nog niet als een risicoaansprakelijkheid was geformuleerd.
Parl. Gesch. Boek 6 1981, p. 725 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 6 1981, p. 719-720, 728-731. Zie ook MvA bij het vierde gedeelte van de Invoeringswet, Kamerstukken II 1984/1985, 17 496, nr. 10, p. 3; Vgl. Klaassen 1990, p. 65-66.
Art. 6:170 BW regelt de kwalitatieve aansprakelijkheid van de werkgever1 voor onrechtmatig handelen van zijn ondergeschikte. De invloed die de hoedanigheid van ondernemer heeft gehad op (de totstandkoming van) dit artikel blijkt uit de parlementaire geschiedenis. In het Ontwerp Meijers werd de aansprakelijkheid van de werkgever voor zijn ondergeschikten geregeld in art. 6.3.8 en 6.3.9. Op grond van art. 6.3.8 was de werkgever aansprakelijk voor de schade die zijn ondergeschikten bij de vervulling van de hen opgedragen taak hadden veroorzaakt.2 Art. 6.3.9 hield een verruiming3 van de aansprakelijkheid in voor ondernemers ten opzichte van particulieren.4 Voor ondernemers zou hebben te gelden dat zij ook aansprakelijk zouden zijn voor de schade die ondergeschikten hadden veroorzaakt buiten de vervulling van de hen opgedragen taak.5 Vereist was dat de kans op schade door de taak zou zijn vergroot. Was dit niet het geval, dan was sprake van een toevallige samenloop van omstandigheden. Was dit wel het geval, dan “behoort de onderneming […] in haar verhouding tot de derde-benadeelde dit als een bedrijfsrisico te dragen.”6 De ratio voor deze uitbreiding van de aansprakelijkheid voor ondernemers ten opzichte van particulieren ten eerste gelegen in de ‘eenheid van onderneming’-gedachte en slachtofferbescherming. Er werd aangevoerd dat de benadeelde in geval van schade de werkgever als ‘eenheid’ mocht beschouwen en niet hoefde te worden opgezadeld met het onderzoek naar de ondergeschikte die de schade had veroorzaakt. Ten tweede werd overwogen dat ondernemers de mogelijkheid hebben om de schade als bedrijfsrisico te verzekeren en zodoende de schade te spreiden over een groot aantal personen. Ik citeer:
“Deze argumenten zijn deugdelijk wanneer het betreft onrechtmatige daden gepleegd door ondergeschikten van ondernemingen, niet echter voor onrechtmatige daden van personeel in dienst van particulieren.”7
Na kritiek op het voorstel, is het onderscheid tussen de artt. 6.3.8 en 6.3.9 in het GO verdwenen. De artikelen zijn samengevoegd tot art. 6.3.2.2 (thans art. 6:170 BW). Daarnaast is de regel van art. 6.3.9 tot uitgangspunt verheven (art. 6.3.2.2 lid 1, thans art. 6:170 lid 1 BW) en de regel van art. 6.3.8 omgevormd tot een – enger geformuleerde – uitzondering (art. 6.3.2.2 lid 2, thans art. 6:170 lid 2 BW). De uitzondering houdt in dat de natuurlijk persoon alleen aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten die niet werkzaam zijn voor zijn beroep of bedrijf, indien de ondergeschikte handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. Hiermee ontstaat een tweedeling tussen enerzijds opdrachtgevers die gebruik maken van ondergeschikten in het kader van hun beroep of bedrijf en anderzijds opdrachtgevers die weliswaar gebruik maken van ondergeschikten, maar niet in het kader van een beroep of bedrijf. Met andere woorden, een belangrijk verschil tussen lid 1 en lid 2 is de bedrijfsmatige aard van de aangesproken partij en de bedrijfsmatige context van de handelingen van de ondergeschikte. De omstandigheid dat de term ‘onderneming’ niet meer is gehandhaafd in art. 6.3.2.2 en het latere art. 6:170 BW betekent dus niet dat de invloed van de hoedanigheid van ondernemer verdwenen is. Het bedrijfsmatige (en beroepsmatige) handelen vormt nog steeds een aanknopingspunt om te differentiëren in aansprakelijkheid. De rechtvaardiging voor deze differentiatie is, zoals gezegd, de ‘eenheid van onderneming’-gedachte,8 slachtofferbescherming en de mogelijkheden tot risicospreiding.9
Naast de kwalitatieve aansprakelijkheid voor ondergeschikten in het huidige art. 6:170 BW, kent het BW de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten in art. 6:171 BW.10 Een eerdere versie van dit artikel was opgenomen in art. 6.3.10 OM. Dit artikel ging, anders dan het huidige art. 6:171 BW, nog uit van een verwijtbare gedraging aan het adres van de opdrachtnemer.11 Art. 6.3.10 bepaalde namelijk dat een opdrachtgever in beginsel aansprakelijk is voor schade toegebracht door een niet-ondergeschikte opdrachtnemer (lid 1), maar dat deze aansprakelijkheid vervalt “indien bij de keuze van de opdrachtnemer en bij de uitoefening van toezicht, voor zover dit vereist was, de nodige zorgvuldigheid is betracht of indien ook bij de nodige zorgvuldigheid de schade zou zijn toegebracht.” In het GO werd art. 6.3.10 opgenomen in art. 6.3.2.3 en werd deze disculpatiemogelijkheid geschrapt. Ook de term ‘onderneming’ werd geschrapt. Met het schrappen van deze term kan echter niet worden gezegd dat de hoedanigheid van ondernemer aan betekenis heeft ingeboet. Dit maak ik op uit de parlementaire geschiedenis:
“Artikel 6.3.2.3 betreft […], evenals het oorspronkelijke artikel 6.3.10, het geval dat de zelfstandige opdrachtnemer werkzaamheden in opdracht van een onderneming verricht, zij het dat deze term in het artikel niet meer behoefde te worden gebruikt, nu het de aansprakelijkheid van de opdrachtgever reeds met zoveel woorden beperkt tot fouten, begaan bij “werkzaamheden tot uitoefening van diens bedrijf.”12
De ratio van art. 6.3.10, art. 6.3.2.3 en het huidige art. 6:171 BW moet volgens de parlementaire geschiedenis worden gevonden in de eenheid van onderneming, slachtofferbescherming, de mogelijkheden om de schade als bedrijfsrisico te verzekeren, de spreiding van bedrijfsrisico’s en de profijtgedachte.13