De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.7:4.5.4.7 Conclusie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.7
4.5.4.7 Conclusie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949358:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De steeds veranderende sturingsvisie van de overheid is van belang voor de leraar. Hij dient immers te werken binnen de kaders die de overheid stelt met wet- en regelgeving en binnen de kaders die voortvloeien uit het beleid van het bevoegd gezag. De mate waarin die kaders de leraar autonomie bieden zijn mede afhankelijk van de wijze waarop de overheid stuurt op het onderwijs. Als de overheid bijvoorbeeld met wet- en regelgeving diep ingrijpt in de inhoud van het onderwijs, blijft er minder ruimte over voor het bevoegd gezag om samen met de leraar het onderwijs vorm te geven.
Uit het voorgaande blijkt dat de wijze waarop de overheid beoogt te sturen op het onderwijs de afgelopen vijftig jaar een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Na de Tweede Wereldoorlog lag voornamelijk de nadruk op het creëren van voldoende onderwijs. De overheid zag het toen voornamelijk als haar taak om het onderwijs te faciliteren. Dit werd het distributieve onderwijsbeleid genoemd. Vervolgens, toen eenmaal voldoende onderwijs was gecreëerd, zag de overheid het als haar taak om actief te sturen op de nodige onderwijsveranderingen en -vernieuwingen. Oftewel, de overheid voerde constructief onderwijsbeleid. Met de komst van meer liberale kabinetten ontstond ook een meer liberale visie op de sturing van het onderwijs. Het onderwijsbeleid werd sinds de jaren 80 daarom meer gericht op het streven naar meer autonomie voor het bevoegd gezag en het terugbrengen van het aantal regels. Dit was het onderwijsbeleid gericht op autonomie en deregulering. Deze lijn is in de jaren ‘00 grotendeels doorgezet. Daarbij kwam wel het besef dat de overheid scherper zou moeten sturen op de hoofdlijnen van het onderwijsbeleid, zoals de kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid van het onderwijs. Hoewel het belang van het sturen op hoofdlijnen door de minister wordt onderschreven, ziet hij ook dat bijvoorbeeld diep ingrijpen in het onderwijs bij incidenten niet voorkomen kan worden. Momenteel is het streven om de autonomie van het bevoegd gezag te beperken en scherpere wettelijke normen te stellen waar de Inspectie het bevoegd gezag op kan aanspreken.