De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.2:4.5.4.2 Het distributieve onderwijsbeleid
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.2
4.5.4.2 Het distributieve onderwijsbeleid
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949646:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Karstanje 1998 p. 11-12.
R. Bronneman-Helmers, Overheid en onderwijsbestel: beleidsvorming rond het Nederlandse onderwijsstelsel (1990-2010), Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau 2011, p. 25.
Idenburg 1970, p. 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds omstreeks 1870 kwam de politieke opvatting op dat eenieder in ieder geval een basisniveau van onderwijs zou moeten hebben genoten.1 Om dit te bewerkstelligen was interventie van de overheid onontbeerlijk. Deze interventies waren in eerste instantie gericht op het creëren van openbaar onderwijs. Vanaf 1887 ging de overheid ook het bijzonder onderwijs bekostigen en sinds 1917 geschiedde dat op gelijke voet als ten aanzien van het openbaar onderwijs. Bronneman-Helmers schrijft dat door de financiele gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbaar onderwijs omvangrijke en gedetailleerde regelgeving ontstond.2 Deze periode wordt door Idenburg gekenmerkt als de distributieve onderwijspolitiek.3 De overheid was vooral bezig met het verdelen van geld. De sturing vanuit de overheid was verder beleidsarm en niet zozeer gericht op verandering of vernieuwing van het onderwijs.4 Dit werd het terrein van de scholen geacht. Aan hen kwam immers de vrijheid van onderwijs toe.