De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.5:4.5.4.5 Onderwijsbeleid gericht op de hoofdlijnen met politiek realisme
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.4.5
4.5.4.5 Onderwijsbeleid gericht op de hoofdlijnen met politiek realisme
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949698:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoontjens 2023, p. 279.
Onderwijsraad 2014, p. 15.
Onderwijsraad 2014, p. 33-37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoontjens schrijft dat het onderwijsbeleid zich de laatste jaren aan de hand van twee gezichtspunten heeft ontwikkeld.1 Enerzijds is er sprake geweest van deregulering en autonomievergroting op bestuurlijk en beheersmatig vlak. Anderzijds is de wetgever meer gaan sturen en optreden op het vlak van kwaliteitsbeleid. Deze ogenschijnlijk tegengestelde bewegingen heeft de wetgever proberen te verenigen door te sturen op aspecten waar de overheid verantwoordelijk voor is.
De huidige sturingsvisie komt deels voort uit het onderscheid tussen het wat en hoe, dat gemaakt werd in het parlementair onderzoek naar onderwijsvernieuwingen onder leiding van de commissie Dijsselbloem.2 Het onderzoek was gericht op de besturingsprocessen rond de implementatie van onderwijsvernieuwingen.3 Aan de hand van dit onderzoek stelt de commissie vast dat bij de vele veranderingen in het onderwijs weinig aandacht is geweest voor een afbakening tussen datgene wat behoort tot de verantwoordelijkheid van de school en datgene wat behoort tot de verantwoordelijkheid van de overheid.4 Een dergelijke afbakening van verantwoordelijkheden zou bijdragen aan de versterking van het maatschappelijk vertrouwen in het onderwijs en het vertrouwen van het onderwijs in de overheid. De overheid zou moeten voorschrijven wat de leerling moet kennen en kunnen, het is primair aan de school hoe de leerling deze kennis, inzicht en vaardigheden opdoet. Dit zou recht doen aan de door het onderwijs verworven autonomie, maar ook aan de eigen autonomie van de politiek.5 De overheid zou moeten staan voor deugdelijk onderwijs. Zij stelt het kerncurriculum vast en de belangrijkste kennis, inzicht en vaardigheden die de leerling dient te verwerven. Ook bekostigt zij de scholen om hen in staat te stellen om aan de kwaliteitseisen te voldoen. Een vorm van toezicht en handhaving is daarnaast onmisbaar om te zorgen dat aan de eisen wordt voldaan.
In 2014 stelt de Onderwijsraad evenwel vast dat het rapport van de commissie Dijsselbloem grote impact had, maar dat de conclusies en aanbevelingen geen structurele verandering teweeg hebben gebracht in de onderwijspolitiek en het onderwijsbeleid.6 De overheid mengt zich nog steeds intensief in de inrichting van het onderwijs op scholen. Ook wordt veel beleid op elkaar gestapeld zonder een gedegen onderbouwing. De Onderwijsraad adviseert onder meer dat de overheid zich dient te gaan richten op de hoofdlijnen, met oog voor balans tussen kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid.7 In een beleidsreactie op dit advies van de Onderwijsraad onderschrijft de minister dat het de taak van de overheid is om stabiel te sturen op de hoofdlijnen.8 Echter ziet zij ook dat de politieke werkelijkheid rationele beleidsontwikkeling lastig maakt. Politieke veranderingen of incidenten in het onderwijsveld kunnen leiden tot onverwachte beleidswijzigingen of ingrepen in het stelsel. Het streven van de overheid is dan ook om te sturen op de hoofdlijnen. Dit gaat evenwel gepaard met enig politiek realisme, waardoor dieper ingrijpen in het onderwijs niet wordt uitgesloten.