In dit arrest is beslist dat wanneer ontvangen bedragen naar hun aard niet aan de heffing in de woonstaat worden onderworpen, de werkstaat waarin het volledige belastbare inkomen wordt verdiend rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
HR, 18-07-2025, nr. 22/02356, nr. 22/02359, nr. 22/02362
22/02356, 22/02359, 22/02362
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
22/02356
22/02359
22/02362
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1158, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1574
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:442
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:373
ECLI:NL:HR:2025:1161, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:440
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1571
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:442
ECLI:NL:HR:2025:889, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1569
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:442
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:441
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:441, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:889
ECLI:NL:PHR:2023:440, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1161
ECLI:NL:PHR:2023:442, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:889
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1158
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1161
ECLI:NL:PHR:2023:373, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1158
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071801
NDFR Nieuws 2025/1165
FutD 2025-1467
V-N 2025/34.5 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1235 met annotatie van mr. dr. J.J.A.M. Korving
NLF 2025/1622
BNB 2025/120 met annotatie van D.S. Smit
Viditax (FutD) 2025071801
NDFR Nieuws 2025/1164
FutD 2025-1467
V-N 2025/34.4 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1236 met annotatie van mr. dr. J.J.A.M. Korving
NLF 2025/1623
BNB 2025/121 met annotatie van D.S. Smit
Viditax (FutD) 2025071801
NDFR Nieuws 2025/1163
FutD 2025-1467
V-N 2025/34.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1234 met annotatie van mr. dr. J.J.A.M. Korving
NLF 2025/1621 met annotatie van Erik Swaving Dijkstra
BNB 2025/119 met annotatie van D.S. Smit
NLF 2023/1053
V-N 2023/25.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/759
Viditax (FutD) 2023042101
FutD 2023-1044
NLF 2023/1051
V-N 2023/25.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/758 met annotatie van dr. M.J. van Hulten LLM
Viditax (FutD) 2023042101
FutD 2023-1044
NLF 2023/1027 met annotatie van Erik Swaving Dijkstra
NTFR 2023/760
NLF 2023/1052
V-N 2023/25.7 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/757 met annotatie van dr. M.J. van Hulten LLM
Viditax (FutD) 2023042101
FutD 2023-1044
Beroepschrift 18‑07‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/02356) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 mei 2022, nr. 21/00740, inzake [X] te [Z] (Frankrijk), domicilie kiezend te [Q], betreffende de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 2015.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 5 juli 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in samenhang met artikel 21bis, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en het EU-recht en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2015 in Nederland recht heeft op een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting omdat Nederland rekening moet houden met belastingvoordelen die zijn verbonden aan de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Belanghebbende woont in het jaar van geschil, 2015, in Frankrijk. Hij geniet in 2015 belastbaar inkomen in zowel Frankrijk als Nederland. Voor de overige feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de hofuitspraak.
Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001), voor zover hier van belang, luidt:
- ‘1.
Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:
- 1o.
de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en
- 2o.
de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6. (…)
- 6.
Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie (…) in de belastingheffing van die andere lidstaat (…) wordt betrokken en: (…)
- b.
van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting, onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. (…).
- 8.
Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. (…)’
Buiten geschil is dat belanghebbende niet ingevolge artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige omdat zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ is het in beginsel aan de woonstaat om de belastingplichtige de belastingvoordelen toe te kennen die verband houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie (en hiervoor een aftrek of tegemoetkoming te verlenen). De woonstaat is immers, uitzonderingen daargelaten, het beste in staat om de fiscale draagkracht van de belastingplichtige te beoordelen, aangezien de belastingplichtige in zijn woonstaat doorgaans het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Zie HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 32; HvJ 5 juli 2005, D, C-376/03, ECLI:EU:C:2005:424, punt 36 en HvJ 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C-147/18, ECLI:EU:C:2019:205, punt 26. Ingezetenen betalen in hun woonstaat belasting over hun inkomen dat zij wereldwijd behalen. Het is derhalve de woonstaat die het best bij de belastingheffing over het totale inkomen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift van de woonstaat naar de werkstaat (hierna ook: bronstaat), indien de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in de werkstaat, zodat de woonstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33. Het is dus slechts in uitzonderingsgevallen aan de werkstaat om aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie te verlenen, en wel in die gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kan houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend. Zie HR 8 oktober 2021, ECLI: NL:HR:2021:1472, onderdeel 4.3. Nu in 2015 het gezinsinkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is verdiend, gaat het Hof er terecht vanuit dat ingevolge artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001 de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet verschuift van Frankrijk naar Nederland.
Partijen houdt verdeeld de vraag of belanghebbende op grond van artikel 7.8, achtste lid, Wet IB 2001, in samenhang met artikel 21 bis, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. In artikel 7.8, achtste lid, Wet IB 2001 is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan een buitenlandse belastingplichtige alsnog als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt voor het geval Nederland daar op grond van het EU-recht toe is gehouden en artikel 7.8 Wet IB 2001 daarin niet voorziet. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.8, achtste lid (destijds zesde lid), Wet IB 2001 is het volgende opgemerkt:
‘In het zesde lid is een delegatiebepaling opgenomen op basis waarvan belastingplichtigen die in de EU (…) wonen maar van wie het inkomen niet voor meer dan 90% in Nederland aan de loonbelasting of inkomstenbelasting is onderworpen, onder bepaalde voorwaarden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kunnen worden aangewezen. Deze delegatiebepaling is opgenomen om snel en adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen in de jurisprudentie van het HvJ EU. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Hierin stond een inwoonster van Finland centraal met een klein pensioeninkomen uit Finland en een klein pensioeninkomen uit Estland. Beide pensioeninkomens waren gering en ongeveer gelijk. Zij was wegens haar geringe wereldinkomen niet belastbaar In haar woonstaat Finland, zodat daar haar draagkracht en persoonlijke- en gezinssituatie, in het bijzonder de weerslag daarop door het belasten van inkomen verworven in een andere lidstaat, niet in aanmerking konden worden genomen. Het HvJ EU heeft uitgemaakt dat in dergelijke omstandigheden de weigering van de werkstaat om de niet-ingezetene gelijk te behandelen aan een ingezetene in een niet te rechtvaardigen schending van het vrije verkeer van werknemers resulteert. Hoe aan deze uitspraak exact invulling moet worden gegeven in de nationale wetgeving, is nog onduidelijk omdat de jurisprudentie van het HvJ EU op dit punt nog in ontwikkeling is.’
Kamerstukken II, 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 22–24 en 41–42, en nr. 11, blz. 74.
Aan de delegatiebepaling is invulling gegeven in artikel 21bis UBIB 2001, waarvan het eerste lid luidt:
‘Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
- a.
pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
- b.
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; en
- c.
aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.’
Artikel 21 bis, eerste lid, UBIB 2001 is in de nota van toelichting als volgt toegelicht:
‘Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som.
Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.’
Stb 2014, 579
Artikel 21bis, eerste lid, UBIB 2001 breidt het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit voor gepensioneerden van wie het inkomen niet voor tenminste 90% in Nederland aan de loonbelasting of inkomstenbelasting is onderworpen, maar die in hun woonstaat geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd omdat zij aldaar een te gering inkomen hebben. Zoals toegelicht, geeft de bepaling hiermee uitvoering aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 10 mei 2012, Commissie v. Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282. In dit arrest was sprake van een te gering wereldinkomen in de woonstaat, doordat het wereldinkomen (vrijwel geheel) onder de belastingvrije som van de woonstaat viel, zodat de woonstaat geen rekening kon houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van artikel 21bis, eerste lid, onderdelen a en b, UBIB 2001. Het geschil ziet op de toepassing van onderdeel c van voornoemd artikellid.
Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat indien een niet-ingezetene het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in een andere lidstaat dan zijn woonstaat waardoor deze geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie, de discriminatie is gelegen in het feit dat in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de niet-ingezetene. Zie HvJ 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, punt 26. Bij een belastingvoordeel dat samenhangt met de draagkracht volstaat de enkele omstandigheid dat een niet-ingezetene in de werkstaat inkomsten heeft verworven onder dezelfde voorwaarden als een ingezetene van die staat niet om zijn situatie objectief vergelijkbaar te achten met die van deze ingezetene. Om een dergelijke objectieve vergelijkbaarheid te kunnen vaststellen, is tevens vereist dat de woonstaat, vanwege het feit dat de niet-ingezetene het belangrijkste deel van zijn inkomen in de werkstaat heeft verworven, niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie. Zie Kieback, C-9/14, punt 28. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift niet naar de werkstaat indien de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend is om het mogelijk te maken dat deze overeenkomstig zijn wettelijke regeling rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409, punt 29, waaruit volgt dat de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend was omdat ongeveer 42% van het wereldinkomen van het echtpaar Gschwind in de woonstaat werd verkregen. In Commissie v. Estland is gepreciseerd dat als krachtens de belastingwetgeving van de woonstaat een belastingplichtige wegens een gering wereldinkomen in die staat niet belastbaar is, bij het belasten van inkomen verworven in een andere staat de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking moeten worden genomen.
In de onderhavige procedure is geen sprake van een situatie waarin het inkomen in Frankrijk niet in de heffing wordt betrokken vanwege zijn aard (zie HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C;2004:4031.) of zijn geringe omvang waardoor het totale inkomen onder een belastingvrije som valt (zie Commissie v. Estland, C-39/10). Uit de feiten blijkt dat de woonstaat, Frankrijk, beschikt over voldoende belastbaar inkomen om aldaar aftrekposten te kunnen vergelden. Het Hof heeft derhalve niet kunnen vaststellen dat het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om de in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen.
Belanghebbende is niet wegens de aard of geringe hoogte van zijn (wereld)inkomen in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd. Ingevolge artikel 21bis, eerste lid, onderdeel c, UBIB 2001 kan hij niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt. Terecht heeft de Inspecteur hem de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen geweigerd. Het Hof is echter van oordeel dat ingevolge het EU-recht Nederland verplicht is (deels) rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Mijns inziens is die conclusie niet juist.
Geen schending EU-recht
Woonstaatcriterium en inkomensbegrip
De vraag is of de uitleg van het EU-recht door het HvJ, onder meer neergelegd in de arresten Schumacker, C-279/93 en Commissie v. Estland, C-39/10 in de situatie van belanghebbende, een niet-ingezetene van Nederland, ertoe leidt dat Nederland bij de belastingheffing rekening dient te houden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Zoals hiervoor opgemerkt, rust de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen in beginsel op de woonstaat. Deze verplichting verschuift van de woonstaat naar de werkstaat enkel wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat verdient én in de woonstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat deze laatste hem niet de voordelen kan toekennen die uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien. Zie ook BJ, C-241/20, punt 37 en HvJ 22 juni 2017, Bechtel, C-20/16, EU:C:2017:488, punt 56.
Niet in geschil is dat het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is verdiend. In geschil is of Frankrijk beschikt over voldoende belastbaar inkomen zodat belanghebbende aldaar in de belastingheffing wordt betrokken en rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hiervan is geen sprake indien het inkomen in Frankrijk in absolute zin zo gering zou zijn (‘geen inkomsten van betekenis’) dat (in het geheel) geen rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie in de woonstaat. Vgl. X, C-283/15, punt 33. In de voorliggende situatie is de belastinggrondslag in Frankrijk toereikend om belanghebbende in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk, als woonstaat, kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.
Als ik het Hof goed begrijp, dan acht het Hof het bij de toepassing van de Schumacker-leer voorts relevant in welke mate de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming verleent.2. Ik kan het Hof hierin niet volgen.
Mate van tegemoetkoming in woonstaat irrelevant
Het Hof is van oordeel dat Nederland als bronstaat (deels) rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Aan dit oordeel ligt onder meer ten grondslag 's Hofs vaststelling dat 1) belanghebbende en zijn echtgenote in Frankrijk geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd en 2) het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. Zie onderdeel 4.9 van de uitspraak. De eerste vaststelling is gebaseerd op het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2015 geen inkomstenbelasting in Frankrijk heeft betaald. Zie onderdeel 2.3 van de uitspraak. Mijns inziens is dit feit zo algemeen gesteld niet van doorslaggevend belang. Het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in Frankrijk kan (mede) veroorzaakt zijn door verleende aftrekposten en tegemoetkomingen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en zijn echtgenote. In dat geval is geen sprake van een verboden discriminatie.3. Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt dat het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in de woonstaat het gevolg dient te zijn van de aard (zie Wallentin, C-169/03) of de geringe omvang (zie Commissie v. Estland, C-39/10) van het inkomen, waardoor de belastingplichtige in zijn woonstaat niet in de belastingheffing wordt betrokken. Het Hof heeft ten onrechte niet onderzocht welke omstandigheden redengevend zijn geweest voor het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2015 in Frankrijk geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd.
De tweede vaststelling van het Hof berust op de onjuiste opvatting dat in een situatie waarin de woonstaat over voldoende belastbaar inkomen beschikt, vervolgens dient te worden onderzocht of ingevolge de nationale wetgeving van die woonstaat deze volledig of in voldoende mate rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Indien en voor zover dit laatste niet het geval is, verschuift naar het oordeel van het Hof de verplichting om met de persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden alsnog naarde bronstaat. Ik meen dat niet juist is 's Hofs opvatting dat gekeken moet worden naar de mate van tegemoetkoming in de woonstaat. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat als voorwaarde heeft te gelden dat het belastbaar inkomen in de woonstaat voldoende hoog dient te zijn zodat de woonstaat ingevolge zijn belastingregels daadwerkelijk — cijfermatig — in voldoende mate (volledigeenenaarebehoren) rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Onjuist is mijns inziens ook het uitgangspunt van het Hof dat in dit kader beoordeeld dient te worden welke fiscale faciliteiten in de woonstaat verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie (waarbij voor het begrip faciliteit die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie een ruime uitleg zou gelden). Naar mijn mening is niet van belang of en in welke mate de woonstaat bij de belastingheffing daadwerkelijk rekening houdt met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Uit het arrest D, C-376/03 blijkt dat wanneer een belastingplichtige het belangrijkste deel van zijn vermogen in de woonstaat bezit, de andere staat waarin hij slechts een deel van zijn vermogen bezit (in die procedure 10%) niet verplicht is hem de voordelen toe te kennen die hij aan zijn eigen ingezetenen toekent. De omstandigheid dat de woonstaat geen vermogensbelasting meer kende, waardoor subjectieve belastingplicht ontbrak, maakte niet dat de bronstaat alsnog rekening diende te houden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen.
Ik leid uit de rechtspraak van het HvJ af dat slechts indien in de woonstaat de belastinggrondslag niet toereikend is, zodat een belastingplichtige niet in de heffing wordt betrokken en de woonstaat geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, zich de uitzonderingssituatie voordoet dat de bronstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Het Hof is echter van oordeel dat dit een (te) strikte uitleg van de Schumacker-leer is. Het Hof verwijst in dit verband onder meer naar HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:NL:XX:2013:183 en naar X, C-283/15, waaruit naar zijn oordeel zou kunnen worden afgeleid dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledigeenenaarebehoren in aanmerking moet worden genomen. De uitleg van het Hof van voornoemde arresten is mijns inziens niet juist.
In het arrest X, C-283/15 is sprake van een belastingplichtige die in de woonstaat niet over belastbaar inkomen beschikt4. en twee andere staten waarin de belastingplichtige wel over belastbaar inkomen beschikt. Het feit dat het grootste deel van het inkomen in meerdere andere staten dan de woonstaat wordt ontvangen, maakt naar het oordeel van het HvJ voor de toepassing van de Schumacker-leer niet uit. Het beslissende criterium blijft dat een lidstaat de persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kan nemen wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat daar voldoende inkomen wordt ontvangen. Zie X, C-283/15, punt 42 en BJ, C-241/20, punt 39. Door de plicht rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie in een dergelijk geval te verdelen over de twee andere staten dan de woonstaat, is gewaarborgd dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledigeenenaarebehoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld. Een voorwaarde is dus dat de andere staten vanwege voldoende belastbaar inkomen rekening kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Of en in hoeverre dit gebeurt, hangt af van de nationale wetgeving in die andere staten. In punt 49 van het arrest X heeft het HvJ de rechtsregel geformuleerd dat de werkstaten die heffingsbevoegdheid hebben voor het inkomen, persoonlijke aftrekposten verlenen naar verhouding van het aandeel van het inkomen in de werkstaat. Hiermee heeft het HvJ bewerkstelligd dat bij een belastingplichtige zonder inkomen in de woonstaat en met inkomen in twee werkstaten, de persoonlijke en gezinssituatie toch volledig en naar behoren in aanmerking kan worden genomen. Die situatie wijkt af van de situatie van belanghebbende. Nu Frankrijk over voldoende belastinggrondslag beschikt, kan aldaar de persoonlijke en gezinssituatie volledig en naar behoren in aanmerking worden genomen en is Nederland — anders dan het Hof voorstaat — niet gehouden (pro rata) een persoonlijke aftrekpost en tegemoetkoming te verlenen.
Ook het door het Hof aangehaalde arrest Imfeld & Garcet, C-303/12 doet niets af aan de hoofdregel dat ingeval de woonstaat beschikt over voldoende belastbaar inkomen, de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet naar de bronstaat verschuift. Uit punt 69 van HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750 volgt dat de woonstaat van zijn verplichting kan worden ontheven indien de werkstaat (bilateraal of eenzijdig) rekening houdt met de aan de persoonlijke en gezinssituatie verbonden belastingvoordelen. Uit Imfeld & Garcet, C-303/12 volgt dat de woonstaat in dat geval in zijn wetgeving moet regelen dat het voordeel in de woonstaat alleen wordt geweigerd indien (en voor zover) dit in de werkstaat kan worden verkregen. Op die manier wordt de belastingplichtige er namelijk van verzekerd dat zijn persoonlijke en gezinssituatie geheel en naar behoren in aanmerking wordt genomen.
De ongunstige behandeling die het Hof veronderstelt en kennelijk strijdig acht met het EU-recht, is in feite het gevolg van de omstandigheid dat de regeling ten aanzien van persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen van de woonstaat (Frankrijk) verschilt van die van de bronstaat (Nederland). De omstandigheid dat een woonstaat die beschikt over voldoende belastbaar inkomen, ingevolge zijn wetgeving een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming (geheel of gedeeltelijk) niet verleent, vloeit echter voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels en leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het EU-recht. Zie HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:696, onderdeel 2.3.3 en HR 8 oktober 2021, onderdeel 4.3. Ik meen dat niet juist is de opvatting van het Hof dat de rechtspraak van het HvJ meebrengt dat indien de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming deels niet verleent, de bronstaat deze plicht in zoverre dient over te nemen.
Volledigheidshalve merk ik op dat de omstandigheid dat een belastingplichtige zijn woonplaats naar een andere EU-lidstaat heeft overgebracht, nadelige fiscale gevolgen kan hebben. Het HvJ heeft in zijn arrest van 15 juli 2004, Lindfors, C-365/02, ECLI:EU:C:2004:449, punt 34 reeds geoordeeld dat het EU-recht een burger van de EU niet de garantie biedt dat de overbrenging van zijn werkzaamheden naar een andere lidstaat dan die waarin hij tot dan verbleef, fiscaal neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de regelingen van de lidstaten ter zake, kan een dergelijke overbrenging naar gelang van het geval voor de burger op het vlak van de indirecte belastingen meer of minder voordelig of nadelig uitvallen, aldus het HvJ. Ingevolge HvJ 12 juli 2005, C-403/03, Egon Schempp, ECLI:EU:C:2005:446, punt 45 waarin wordt verwezen naar de Lindfors-zaak, heeft het vorenstaande eveneens te gelden voor de inkomstenbelasting. De overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat kan voor een belastingplichtige onder omstandigheden leiden tot een verzwaring van zijn belastingpositie. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat de grensoverschrijding van een belastingplichtige te allen tijde fiscaal neutraal dient uit te werken.
Conclusie
Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van Frankrijk over te nemen. Het belastbaar inkomen in Frankrijk is zodanig hoog dat aldaar rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dit betekent dat het EU-recht er niet toe dwingt dat Nederland daarmee (ook) rekening houdt bij de belastingheffing van belanghebbende.
Mijns inziens kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
Zie onderdeel b van de Bijlage over de Schumacker-rechtspraak van het HvJ.
Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107.
Zie punt 40: ‘Dat is kennelijk het geval met X, die blijkens de stukken in het bij het Hof ingediende dossier in de loop van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingjaar op het grondgebied van zijn woonlidstaat, te weten het Koninkrijk Spanje, geen inkomen had.’
Beroepschrift 18‑07‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/02362) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 18 mei 2022, nrs. 20/00549 en 21/00429, inzake [X] te [Z] (Frankrijk) betreffende de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2015 en 2016.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 5 juli 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in samenhang met artikel 21 bis, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en het EU-recht en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2015 in Nederland recht heeft op een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting omdat Nederland rekening moet houden met belastingvoordelen die zijn verbonden aan de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Belanghebbende woont in het jaar van geschil, 2015, in Frankrijk. Hij geniet in 2015 belastbaar inkomen in zowel Frankrijk als Nederland. Voor de overige feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de hofuitspraak.
Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001), voor zover hier van belang, luidt:
- ‘1.
Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:
- 1°
. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en
- 2°
. de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6. (…)
- 6.
Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie (…) in de belastingheffing van die andere lidstaat (…) wordt betrokken en:
(…)
- b.
van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting, onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. (…).
- 8.
Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. (…)’
Buiten geschil is dat belanghebbende niet ingevolge artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige omdat zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ is het in beginsel aan de woonstaat om de belastingplichtige de belastingvoordelen toe te kennen die verband houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie (en hiervoor een aftrek of tegemoetkoming te verlenen). De woonstaat is immers, uitzonderingen daargelaten, het beste in staat om de fiscale draagkracht van de belastingplichtige te beoordelen, aangezien de belastingplichtige in zijn woonstaat doorgaans het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Zie HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 32; HvJ 5 juli 2005, D, C-376/03, ECLI:EU:C:2005:424, punt 36 en HvJ 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C-147/18, ECLI:EU:C:2019:205, punt 26. Ingezetenen betalen in hun woonstaat belasting over hun inkomen dat zij wereldwijd behalen. Het is derhalve de woonstaat die het best bij de belastingheffing over het totale inkomen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift van de woonstaat naar de werkstaat (hierna ook: bronstaat), indien de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in de werkstaat, zodat de woonstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33. Het is dus slechts in uitzonderingsgevallen aan de werkstaat om aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie te verlenen, en wel in die gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kan houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend. Zie HR 8 oktober 2021, ECLI: NL:HR:2021:1472, onderdeel 4.3. Nu belanghebbende in 2015 zijn inkomen niet geheel-of nagenoeg geheel in Nederland heeft verdiend, gaat het Hof er terecht vanuit dat ingevolge artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001 de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet verschuift van Frankrijk naar Nederland.
Partijen houdt voorts verdeeld de vraag of belanghebbende op grond van artikel 7.8, achtste lid, Wet IB 2001, in samenhang met artikel 21bis, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. In artikel 7.8, achtste lid, Wet IB 2001 is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan een buitenlandse belastingplichtige alsnog als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt voor het geval Nederland daar op grond van het EU-recht toe is gehouden en artikel 7.8 Wet IB 2001 daarin niet voorziet. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.8, achtste lid (destijds zesde lid), Wet IB 2001 is het volgende opgemerkt:
‘In het zesde lid is een delegatiebepaling opgenomen op basis waarvan belastingplichtigen die in de EU (…) wonen maar van wie het inkomen niet voor meer dan 90% in Nederland aan de loonbelasting of inkomstenbelasting is onderworpen, onder bepaalde voorwaarden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kunnen worden aangewezen. Deze delegatiebepaling is opgenomen om snel en adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen in de jurisprudentie van het HvJ EU. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Hierin stond een inwoonster van Finland centraal met een klein pensioeninkomen uit Finland en een klein pensioeninkomen uit Estland. Beide pensioeninkomens waren gering en ongeveer gelijk. Zij was wegens haar geringe wereldinkomen niet belastbaar in haar woonstaat Finland, zodat daar haar draagkracht en persoonlijke- en gezinssituatie, in het bijzonder de weerslag daarop door het belasten van inkomen verworven in een andere lidstaat, niet in aanmerking konden worden genomen. Het HvJ EU heeft uitgemaakt dat in dergelijke omstandigheden de weigering van de werkstaat om de niet-ingezetene gelijk te behandelen aan een ingezetene in een niet te rechtvaardigen schending van het vrije verkeer van werknemers resulteert. Hoe aan deze uitspraak exact invulling moet worden gegeven in de nationale wetgeving, is nog onduidelijk omdat de jurisprudentie van het HvJ EU op dit punt nog in ontwikkeling is.’
Kamerstukken II, 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 22–24 en 41–42, en nr. 11, blz. 74.
Aan de delegatiebepaling is invulling gegeven in artikel 2Ibis UBIB 2001, waarvan het eerste lid luidt:
‘Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
- a.
pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
- b.
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; en
- c.
aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.’
Artikel 21bis, eerste lid, UBIB 2001 is in de nota van toelichting als volgt toegelicht:
‘Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag ïs dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.’
Stb 2014, 579
Artikel 21bis, eerste lid, UBIB 2001 breidt het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit voor gepensioneerden van wie het inkomen niet voor tenminste 90% in Nederland aan de loonbelasting of inkomstenbelasting is onderworpen, maar die in hun woonstaat geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd omdat zij aldaar een te gering inkomen hebben. Zoals toegelicht, geeft de bepaling hiermee uitvoering aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 10 mei 2012, Commissie v. Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282. In dit arrest was sprake van een te gering wereldinkomen in de woonstaat, doordat het wereldinkomen (vrijwel geheel) onder de belastingvrije som van de woonstaat viel, zodat de woonstaat geen rekening kon houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van artikel 21bis, eerste lid, onderdelen a en b, UBIB 2001. Het geschil ziet op de toepassing van onderdeel c van voornoemd artikellid.
Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat indien een niet-ingezetene het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in een andere lidstaat dan zijn woonstaat waardoor deze geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie, de discriminatie is gelegen in het feit dat in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de niet-ingezetene. Zie HvJ 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, punt 26. Bij een belastingvoordeel dat samenhangt met de draagkracht volstaat de enkele omstandigheid dat een niet-ingezetene in de werkstaat inkomsten heeft verworven onder dezelfde voorwaarden als een ingezetene van die staat niet om zijn situatie objectief vergelijkbaar te achten met die van deze ingezetene. Om een dergelijke objectieve vergelijkbaarheid te kunnen vaststellen, is tevens vereist dat de woonstaat, vanwege het feit dat de niet-ingezetene het belangrijkste deel van zijn inkomen in de werkstaat heeft verworven, niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie. Zie Kieback, C-9/14, punt 28. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift niet naar de werkstaat indien de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend is om het mogelijk te maken dat deze overeenkomstig zijn wettelijke regeling rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409, punt 29, waaruit volgt dat de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend was omdat ongeveer 42% van het wereldinkomen van het echtpaar Gschwind in de woonstaat werd verkregen. In Commissie v. Estland is gepreciseerd dat als krachtens de belastingwetgeving van de woonstaat een belastingplichtige wegens een gering wereldinkomen in die staat niet belastbaar is, bij het belasten van inkomen verworven in een andere staat de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking moeten worden genomen.
In de onderhavige procedure is geen sprake van een situatie waarin het inkomen in Frankrijk niet in de heffing wordt betrokken vanwege zijn aard (zie HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:4031.) of zijn geringe omvang waardoor het totale inkomen onder een belastingvrije som valt (zie Commissie v. Estland, C-39/10). Uit de feiten blijkt dat de woonstaat, Frankrijk, beschikt over voldoende belastbaar inkomen om aldaar aftrekposten te kunnen vergelden. Het Hof heeft derhalve niet kunnen vaststellen dat het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om de in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen.
Belanghebbende is niet wegens de aard of geringe hoogte van zijn (wereld)inkomen in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd. Ingevolge artikel 2Ibis, eerste lid, onderdeel c, UBIB 2001 kan hij niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt. Terecht heeft de Inspecteur hem de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen geweigerd. Het Hof is echter van oordeel dat ingevolge het EU-recht Nederland verplicht is (deels) rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Mijns inziens is die conclusie niet juist.
Geen schending EU-recht
Woonstaatcriterium en inkomensbegrip
De vraag is of de uitleg van het EU-recht door het HvJ, onder meer neergelegd in de arresten Schumacker, C-279/93 en Commissie v. Estland, C-39/10 in de situatie van belanghebbende, een niet-ingezetene van Nederland, ertoe leidt dat Nederland bij de belastingheffing rekening dient te houden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Zoals hiervoor opgemerkt, rust de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen in beginsel op de woonstaat. Deze verplichting verschuift van de woonstaat naar de werkstaat enkel wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat verdient én in de woonstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat deze laatste hem niet de voordelen kan toekennen die uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien. Zie ook BJ, C-241/20, punt 37 en HvJ 22 juni 2017, Bechtel, C-20/16, EU:C:2017:488, punt 56.
Niet in geschil is dat het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is verdiend. In geschil is of Frankrijk beschikt over voldoende belastbaar inkomen om rekening te kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Hiervan is geen sprake indien het inkomen in Frankrijk in absolute zin zo gering zou zijn (‘geen inkomsten van betekenis’) dat (in het geheel) geen rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie in de woonstaat. Vgl. X, C-283/15, punt 33. In de voorliggende situatie is de belastinggrondslag in Frankrijk toereikend om belanghebbende in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk, als woonstaat, kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.
Als ik het Hof goed begrijp, dan acht het Hof het bij de toepassing van de Schumacker-leer voorts relevant in welke mate de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming verleent.2. Ik kan het Hof hierin niet volgen.
Mate van tegemoetkoming in woonstaat irrelevant
Het Hof is van oordeel dat Nederland als bronstaat (deels) rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Aan dit oordeel ligt onder meer ten grondslag 's Hofs vaststelling dat 1) belanghebbende in Frankrijk geen inkomstenbelasting is verschuldigd en 2) het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. Zie onderdeel 4.8 van de uitspraak.
De eerste vaststelling is gebaseerd op het feit dat in Frankrijk een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een bedrag van nihil. Zie onderdeel 2.6 van de uitspraak. Mijns inziens is dit feit zo algemeen gesteld niet van doorslaggevend belang. Het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in Frankrijk kan (mede) veroorzaakt zijn door verleende aftrekposten en tegemoetkomingen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. In welk geval geen sprake is van een verboden discriminatie.3. Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt dat het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in de woonstaat het gevolg dient te zijn van de aard (zie Wallentin, C-169/03) of de geringe omvang (zie Commissie v. Estland, C-39/10) van het inkomen, waardoor de belastingplichtige in zijn woonstaat niet in de belastingheffing wordt betrokken, 's Hofs oordeel is voorts onbegrijpelijk, nu uit de informatie van de Inspecteur in de reeds aangehaalde brief van 29 december 2021 blijkt dat de inkomsten in Frankrijk in de belastingheffing zijn betrokken. Het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in Frankrijk lijkt in casu te worden veroorzaakt door de aftrekposten en tegemoetkomingen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Dan is een verboden discriminatie niet aan de orde.
De tweede vaststelling van het Hof berust op de onjuiste opvatting dat in een situatie waarin de woonstaat over voldoende belastbaar inkomen beschikt, vervolgens dient te worden onderzocht of ingevolge de nationale wetgeving van die woonstaat deze volledig of in voldoende mate rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Indien en voor zover dit laatste niet het geval is, verschuift naar het oordeel van het Hof de verplichting om met de persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden alsnog naarde bronstaat. Ik meen dat niet juist is 's Hofs opvatting dat gekeken moet worden naar de mate van tegemoetkoming in de woonstaat. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat als voorwaarde heeft te gelden dat het belastbaar inkomen in de woonstaat voldoende hoog dient te zijn zodat de woonstaat ingevolge zijn belastingregels daadwerkelijk — cijfermatig — in voldoende mate (volledigeenenaarebehoren) rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Onjuist is mijns inziens ook het uitgangspunt van het Hof dat in dit kader beoordeeld dient te worden welke fiscale faciliteiten in de woonstaat verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie (waarbij voor het begrip faciliteit die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie een ruime uitleg zou gelden). Naar mijn mening is niet van belang of en.in welke mate de woonstaat bij de belastingheffing daadwerkelijk rekening houdt met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Uit het arrest D, C-376/03 blijkt dat wanneer een belastingplichtige het belangrijkste deel van zijn vermogen in de woonstaat bezit, de andere staat waarin hij slechts een deel van zijn vermogen bezit (in die procedure 10%) niet verplicht is hem de voordelen toe te kennen die hij aan zijn eigen ingezetenen toekent. De omstandigheid dat de woonstaat geen vermogensbelasting meer kende, waardoor subjectieve belastingplicht ontbrak, maakte niet dat de bronstaat alsnog rekening diende te houden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen.
Ik leid uit de rechtspraak van het HvJ af dat slechts indien in de woonstaat de belastinggrondslag niet toereikend is, zodat een belastingplichtige niet in de heffing wordt betrokken en de woonstaat geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, zich de uitzonderingssituatie voordoet dat de bronstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Het Hof is echter van oordeel dat dit een (te) strikte uitleg van de Schumacker-leer is. Het Hof verwijst in dit verband onder meer naar HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:NL:XX:2013:183 en naar X, C-283/15, waaruit naar zijn oordeel zou kunnen worden afgeleid dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledigeenenaarebehoren in aanmerking moet worden genomen. De uitleg van het Hof van voornoemde arresten is mijns inziens niet juist.
In het arrest X, C-283/15 is sprake van een belastingplichtige die in de woonstaat niet over belastbaar inkomen beschikt4. en twee andere staten waarin de belastingplichtige wel over belastbaar inkomen beschikt. Het feit dat het grootste deel van het inkomen in meerdere andere staten dan de woonstaat wordt ontvangen, maakt naar het oordeel van het HvJ voor de toepassing van de Schumacker-leer niet uit. Het beslissende criterium blijft dat een lidstaat de persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kan nemen wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat daar voldoende inkomen wordt ontvangen. Zie X, C-283/15, punt 42 en BJ, C-241/20, punt 39. Door de plicht rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie in een dergelijk geval te verdelen over de twee andere staten dan de woonstaat, is gewaarborgd dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledigeenenaarebehoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld. Een voorwaarde is dus dat de andere staten vanwege voldoende belastbaar inkomen rekening kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Of en in hoeverre dit gebeurt, hangt af van de nationale wetgeving in die andere staten. In punt 49 van het arrest X heeft het HvJ de rechtsregel geformuleerd dat de werkstaten die heffingsbevoegdheid hebben voor het inkomen, persoonlijke aftrekposten verlenen naar verhouding van het aandeel van het inkomen in de werkstaat. Hiermee heeft het HvJ bewerkstelligd dat bij een belastingplichtige zonder inkomen in de woonstaat en met inkomen in twee werkstaten, de persoonlijke en gezinssituatie toch volledig en naar behoren in aanmerking kan worden genomen. Die situatie wijkt af van de situatie van belanghebbende. Nu Frankrijk over voldoende belastinggrondslag beschikt, kan aldaar de persoonlijke en gezinssituatie volledig en naar behoren in aanmerking worden genomen en is Nederland — anders dan het Hof voorstaat — niet gehouden (pro rata) een persoonlijke aftrekpost en tegemoetkoming te verlenen.
Ook het door het Hof aangehaalde arrest Imfeld & Garcet, C-303/12 doet niets af aan de hoofdregel dat ingeval de woonstaat beschikt over voldoende belastbaar inkomen, de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet naar de bronstaat verschuift. Uit punt 69 van HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750 volgt dat de woonstaat van zijn verplichting kan worden ontheven indien de werkstaat (bilateraal of eenzijdig) rekening houdt met de aan de persoonlijke en gezinssituatie verbonden belastingvoordelen. Uit Imfeld & Garcet, C-303/12 volgt dat de woonstaat in dat geval in zijn wetgeving moet regelen dat het voordeel in de woonstaat alleen wordt geweigerd indien (en voor zover) dit in de werkstaat kan worden verkregen. Op die manier wordt de belastingplichtige er namelijk van verzekerd dat zijn persoonlijke en gezinssituatie geheel en naar behoren in aanmerking wordt genomen.
De ongunstige behandeling die het Hof veronderstelt en kennelijk strijdig acht met het EU-recht, is in feite het gevolg van de omstandigheid dat de regeling ten aanzien van persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen van de woonstaat (Frankrijk) verschilt van die van de bronstaat (Nederland). De omstandigheid dat een woonstaat die beschikt over voldoende belastbaar inkomen, ingevolge zijn wetgeving een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming (geheel of gedeeltelijk) niet verleent, vloeit echter voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels en leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het EU-recht. Zie HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:696, onderdeel 2.3.3 en HR 8 oktober 2021, onderdeel 4.3. Ik meen dat niet juist is de opvatting van het Hof dat de rechtspraak van het HvJ meebrengt dat indien de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming deels niet verleent, de bronstaat deze plicht in zoverre dient over te nemen.
Volledigheidshalve merk ik op dat de omstandigheid dat een belastingplichtige zijn woonplaats naar een andere EU-lidstaat heeft overgebracht, nadelige fiscale gevolgen kan hebben. Het HvJ heeft in zijn arrest van 15 juli 2004, Lindfors, C-365/02, ECLI:EU:C:2004:449, punt 34 reeds geoordeeld dat het EU-recht een burger van de EU niet de garantie biedt dat de overbrenging van zijn werkzaamheden naar een andere lidstaat dan die waarin hij tot dan verbleef, fiscaal neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de regelingen van de lidstaten ter zake, kan een dergelijke overbrenging naar gelang van het geval voor de burger op het vlak van de indirecte belastingen meer of minder voordelig of nadelig uitvallen, aldus het HvJ. Ingevolge HvJ 12 juli 2005, C-403/03, Egon Schempp, ECLI:EU:C:2005:446, punt 45 waarin wordt verwezen naar de Lindfors-zaak, heeft het vorenstaande eveneens te gelden voor de inkomstenbelasting. De overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat kan voor een belastingplichtige onder omstandigheden leiden tot een verzwaring van zijn belastingpositie. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat de grensoverschrijding van een belastingplichtige te allen tijde fiscaal neutraal dient uit te werken.
Conclusie
Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van Frankrijk over te nemen. Het belastbaar inkomen in Frankrijk is zodanig hoog is dat aldaar rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dit betekent dat het EU-recht er niet toe dwingt dat Nederland daarmee (ook) rekening houdt bij de belastingheffing van belanghebbende.
Mijns inziens kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
In dit arrest is beslist dat wanneer ontvangen bedragen naar hun aard niet aan de heffing in de woonstaat worden onderworpen, de werkstaat waarin het volledige belastbare inkomen wordt verdiend rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
Zie onderdeel b van de Bijlage over de Schumacker-rechtspraak van het HvJ.
Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107.
Zie punt 40: ‘Dat is kennelijk het geval met X, die blijkens de stukken in het bij het Hof ingediende dossier in de loop van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingjaar op het grondgebied van zijn woonlidstaat, te weten het Koninkrijk Spanje, geen inkomen had.’
Beroepschrift 18‑07‑2025
Edelhoogachtbare Heer/Vrouwe,
1. Inleiding
Als gemachtigde van [X], wonende [te Z], Frankrijk, teken ik hierbij beroep in cassatie aan tegen bovengenoemde uitspraak, in het bijzonder waar het de onderdelen 4.8 en 4.9 betreft. Het beroep betreft de belastingjaren 2015 en 2016. In een bijlage bij onder meer dit arrest heeft het Hof een juridisch kader en stappenplan geschetst om te bepalen of en in welke mate Nederland als bronstaat aan belanghebbende fiscale tegemoetkomingen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie moet verlenen (hierna te noemen: subjectgebonden voordelen). Naar ons oordeel getuigen de punten 22 t/m 27 van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het Unierecht waar het de toekenning van de subjectgebonden voordelen door de bronstaat betreft, in het bijzonder in een situatie dat de woonstaat de subjectgebonden voordelen gedeeltelijk kan toekennen. Punt 28 uit de bijlage van het Hof behandelt de generieke afwijzing van de door ons ingediende eis dat de algemene heffingskorting (belastingdeel) toegekend dient te worden ongeacht de vraag of sprake is van kwalificerende buitenlandse belastingplicht naar artikel 7.8 Wet Inkomstenbelasting 2001 en/of toepassing van de Schumackerdoctrine. Hoewel die eis onzerzijds wel genoemd is in de uitspraak komt het oordeel van het Hof in de uitspraak niet expliciet terug. We leiden uit de voetnoten 11) en 14) echter af dat in lijn met punt 28 uit de bijlage dat deze eis niet gehonoreerd is. Dit beroepschrift richt zich tevens tot de inhoud van punt 28 van de uitspraak (zie 5 hierna).
Wij stemmen in met grote delen van de uitspraak van het Hof, in het bijzonder tot en met punt 4.6. Ten aanzien van punt 4.6 merken wij op dat het Hof, in lijn met de door ons bij het Hof naar voren gebrachte argumentatie, terecht stelt dat artikel 21bis UBIB 2001 moet worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht, onder terzijdestelling van de Toelichting bij art. 21is UBIB. Ook de volgende conclusie aldaar delen we:
‘… indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan is voorzien in de toelichting, dan dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en de beperking die volgt uit de Toelichting buiten toepassing te blijven.’
Het Hof laat, ook na toepassing van het stappenplan van de bijlage waarin artikel 21bis UBIB niet meer wordt genoemd, op deze wijze echter onduidelijkheid bestaan of artikel 21bis UBIB nu inderdaad van toepassing is of niet. Met andere woorden: of belanghebbende aangemerkt kan worden als kwalificerende buitenlands belastingplichtige onder artikel 7.8 lid 8 van de WetlB2001, zoals door ons in hoger beroep bepleit. De vraag of dit het geval is, is in die zin van belang, dat slechts in dat geval de bronstaat Nederland naar Unierecht gerechtigd is subjectgebonden voordelen die al in de woonstaat verleend zijn in aanmerking te nemen. Uw Raad wordt derhalve verzocht zich alsnog uit te spreken over deze rechtsvraag.
2. Toepassing van een evenredige verdeling in subjectgebonden voordelen op basis van inkomensverdelingen tussen bronstaat en woonstaat.
Woonlidstaat Frankrijk heeft aan belanghebbende ten dele een of meer subjectgebonden tegemoetkoming(en) toegekend, gegeven het feit dat zijn gehele AOW-inkomen ter heffing aan Frankrijk is toegewezen en het belastingverdrag de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud als methode ter voorkoming van dubbele belasting aan Frankrijk voorschrijft. Dat roept de vraag op of, en hoe, de bronstaat met dergelijke (gedeeltelijke) woonstaatvoordelen rekening moet houden.
Het Hof staat in de punten 23 en 26 een evenredigheidsbenadering voor op het totaal van de subjectgebonden voordelen van de bronstaat in geval de woonstaat ten dele de eigen voordelen ook heeft toegekend. Dit ter voorkoming van ongewenste cumulatie van voordelen van beide staten (punten 24 en 25 uit de bijlage). Vooropgesteld zij dat het Europese Hof van Justitie (EHvJ) in diverse uitspraken heeft vastgesteld dat aan bestrijding van cumulatie van deze voordelen de voorwaarde gesteld moet worden dat deze wettelijk is vastgelegd in de nationale wetgeving van een lidstaat, danwel in het van toepassing zijnde belastingverdrag. Het laatste is in dezen niet aan de orde. Het eerste vereist voor Nederland toepassing van artikel 7.8 lid 4 van de WetlB2001, wat met zich brengt dat er sprake is van kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Over het laatste heeft het Hof geen expliciet oordeel uitgesproken (zie laatste alinea onder 1 hierboven). Aangevuld hierop zij dat de voordelen in artikel 7.8 lid 4 limitatief zijn opgesteld en dat het derhalve geen verrekening van de Nederlandse heffingskortingen met vergelijkbare buitenlandse voordelen toestaat.
Naast deze Unierechtelijke en nationaalrechtelijke beperkingen in het kunnen verrekenen van Nederlandse subjectgebonden voordelen dient vervolgens de vraag beantwoord te worden welke van beide benaderingen uit punt 22 van de bijlage gekozen dient te worden. Het Hof noemt daar als eerste de mogelijkheid dat per soort tegemoetkoming (van de bronstaat) rekening wordt gehouden met de tegemoetkomingen van de woonstaat en als tweede dat naar het totaal van de tegemoetkomingen wordt gekeken. Het Hof kiest voor de tweede mogelijkheid en motiveert die keuze op basis van pragmatische overwegingen in de punten 23 t/m 25 van de bijlage.
Tegen deze benadering maken wij bezwaar. We menen dat deze in strijd is met het Unierecht omdat het EHvJ in diverse arresten benadrukt heeft dat het in aanmerking nemen van subjectgebonden voordelen van andere lidstaten slechts betrekking mag hebben op vergelijkbare voordelen. Zie daartoe de volgende arresten: Wallentin (C-169/03, p. 23/, Commissie v. Estland (C-39/10; p.37); lmfeld& Garcet (C-303/12; p.78,79; zie ook Conclusie bij dit arrest:p.82);X (C-283/15, p. 48); BJ v. België (C-241/20; p. 49–51, maar in het bijzonder p-52; zie ook Conclusie bij dit arrest p. 58 en 81); voorts:Conclusie Ritter-Coulais (C-152/03,p.95–99); Conclusie Renneberg (C-527/06; p.22) en Conclusie Kieback (C-9/14; p. 47 t/m 49).
Het Hof noemt in punt 25 van de bijlage dat de (algemene) belastingvrije som in het arrest Commissie vs. Estland uitgezonderd wordt van anti-cumulatie. Deze vaststelling lijkt ons terecht, en dient als algemeen beginsel te worden aangenomen. Kennelijk heeft het EHvJ in die casus niet willen toetsen (in welke mate) de woonstaat (Finland) in dat geval reeds de belastingvrije som had toegekend en dat vervolgens ook niet in aanmerking willen nemen bij de verplichting van de bronstaat (Estland) om eveneens een belastingvrije som toe te kennen. Onder omstandigheden zou dat zeker nog geleid kunnen hebben tot verlaging van de belastingvrije som van de bronstaat had het EHvJ dat wel toegestaan. Op grond van dit arrest dient de verrekening van de belastingvrije som van de woonstaat met een soortgelijk voordeel van de bronstaat buiten beschouwing te blijven. Niet valt in te zien dat dit oordeel van het EHvJ beperkt zou moeten blijven tot de omstandigheden van het Fins/Estse geval.
De voorgestelde pro-rata benadering is voorts in strijd met punt 98 van het arrest De Groot (C-385/00). Ook daar werd een pro-rata toekenning van subjectgebonden voordelen door Nederland voorgestaan, weliswaar als woonstaat, maar de afwijzing door het EHvJ is direct in onderhavige zaak van toepassing nu op grond van de Schumackerdoctrine de verplichting tot het bieden van de voordelen naar de bronstaat Nederland verschoven is. Het garanderen dat de subjectgebonden voordelen volledig en naar behoren worden toegekend geldt namelijk analoog evenzeer voor de bronstaat in geval van een Schumackersituatie, zo blijkt uit punt 57 van het arrest C-241/20. De evenredigheidsbenadering doet dus niet op de juiste wijze recht aan het in aanmerking nemen van reeds door de woonstaat Frankrijk verleende fiscale voordelen. Niet aangetoond is immers dat Frankrijk een complementair deel aan vergelijkbare voordelen heeft toegekend. Daarmee is dus niet verzekerd dat bij deze pro-rata benadering voldaan is aan de eis uit het Imfeld & Garcet arrest, p. 70:
‘In deze context heeft het Hof in punt 101 van het reeds aangehaalde arrest de Groot gepreciseerd dat methoden tot voorkoming van dubbele belastingheffing of nationale belastingregelingen die tot gevolg hebben dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen of verzacht, de belastingplichtigen van de betrokken staten echter wel ervan moeten verzekeren dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld, omdat daardoor anders een met de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen onverenigbare ongelijke behandeling zou worden gecreëerd die niet het gevolg is van de tussen de nationale belastingstelsels bestaande dispariteiten.’
Het uitgangspunt van het EHvJ is dus dat een lidstaat steeds de subjectgebonden voordelen in zijn geheel moet toekennen, ook als dat de bronstaat in verband met een Schumackersituatie betreft, en dat die lidstaat slechts rekening mag houden met elders toegekende vergelijkbare voordelen. Dispariteiten tussen nationale stelsels wat betreft subjectgebonden voordelen worden aldus uitdrukkelijk erkend en gegarandeerd. Dit alles leidt ertoe dat bij het in aanmerking nemen van subjectgebonden voordelen voor de soort — voor-soort vergelijking gekozen moet worden. Een evenredigheidsbenadering als in punt 26 van de bijlage doet geen recht aan deze opstelling van het EHvJ. Het Hof erkent zelf dat cumulatie van faciliteiten in beide lidstaten bij de door haar gekozen benadering niet uitgesloten is. Benadrukt dient echter te worden dat daar tegenover juist ook te sterke anticumulatie bij deze benadering zeer wel mogelijk is. Dat zich bij een soort-voor-soort benadering complicaties kunnen voordoen als genoemd in de punten 23 en 24 van de bijlage van het Hof moge zo zijn, maar kan niet doorslaggevend zijn ten opzichte van de principiële opstelling die het EhvJ kiest wat betreft vergelijking van voordelen. Deze complicaties zijn bovendien oplosbaar. In de eerste plaats kan aan belanghebbende worden toegewezen aan te tonen welke voordelen hij in de woonstaat — volledig en niet volledig- reeds heeft genoten. De omvang van het vraagstuk van complicaties wordt beperkt doordat slechts vergelijkbare voordelen van woonstaat en bronstaat in beschouwing hoeven te worden genomen. In casu blijft dat hier beperkt tot hoogstens de Franse belastingvrije sommen vs. de Nederlandse heffingskortingen (zie 4). Bovendien bieden de aangifte en de aanslag inkomstenbelasting van de woonstaat aanknopingspunten om de (mate van) toegekende subjectgebonden voordelen te identificeren. Waar dit niet voldoende is heeft vrijwel elke lidstaat aangiftesoftware die kan dienen om dit op individueel nader te onderzoeken, en waarover overigens in hoger beroep goed overleg is geweest met de belastinginspecteur. Wat betreft de problematiek van vaststellen van de volgorde van toegekende voordelen door de woonstaat zijn theoretische overwegingen van belang, die bijvoorbeeeld ontleend kunnen worden aan de discussie over de verzilveringsproblematiek (van heffingskortingen) in Nederland, zij het dat deze wat betreft belastingvrije sommen tot een andere conclusie zal leiden dan de onder het Nederlandse stelsel gehanteerde heffingskortingen. Verificatiemogelijkheden staan belastingdiensten voorts ter beschikking door uitwisseling van informatie op basis van bepalingen in het belastingverdrag of de EU Administratieve bijstandsrichtlijn.
We komen in concreto op de voor belanghebbende geldende situatie in 4 terug.
3. Drukvergelijking en maximering in verband met non-discriminatie
Het Hof past in 4.9 van de uitspraak begrenzing van de toe te kennen subjectgebonden voordelen toe op grond van drukvergelijking met een Nederlands ingezetene in vergelijkbare omstandigheden, althans voor het jaar 2016. In punt 27 van de bijlage licht het Hof deze benadering toe. Als vergelijkingsmaatstaf wordt bij de drukvergelijking gekozen voor de ingezetene die het gehele inkomen in de werklidstaat (tevens dus bedoeld: bronlidstaat) verdient. Zo er al drukvergelijking moet plaatsvinden (quod non) lijkt dit ons de onjuiste vergelijkingsmaatstaf. Veeleer zou dan voor de hand liggen: de ingezetene van de bronstaat Nederland van wie een gelijk deel aan inkomsten aan heffing door de andere staat (Frankrijk) onderhevig is.
Deze benadering getuigt echter van een rechtsopvatting die in strijd is met het Unierecht. De vergelijking met de niet-ingezetene/migrant, als belanghebbende is, in termen van belastingdruk dient achterwege te blijven. Voor zover die, ook met inachtneming van subjectgebonden voordelen van de bronstaat, gunstiger uitvalt voor belanghebbende, komt deze louter voort uit de combinatie van de heffingsverdeling tussen beide staten, en vooral het gegeven dat Nederland over het aan haar toevallende deel van het wereldinkomen als bronstaat geen progressievoorbehoud hanteert, en de uit de Schumackerdoctrine voortvloeiende eisen van toekenning van fiscale voordelen i.v.m. de persoonlijke en gezinssituatie. Voorzover de EHvJ jurisprudentie op belastingdrukvergelijking met niet-migranten betrekking heeft is dat steeds ter bescherming van de binnen de EU migrerende burger, en in de sfeer van tariefbeoordeling, namelijk in die zin dat een migrerende burger door de lidstaat qua tarief geen zwaardere belastingdruk mag worden opgelegd dan de niet-migrerende burger (zie bijv. de EHvJ arresten Asscher, De Groot, Gerritse en Hirvonen). De gevolgen van de verdeling van de fiscale voordelen i.v.m. de woon- en gezinssituatie zoals deze voortvloeien uit de Schumackerdoctrine blijven in de drukvergelijking echter buiten beschouwing en kunnen in concrete gevallen zowel gunstiger als ongunstiger zijn voor de buitenlands belastingplichtige t.o.v. de binnenlands belastingplichtige. Het EHvJ heeft voorts diverse malen uitgesproken dat de toekenning van subjectgebonden voordelen niet verminderd mag worden op grond van enig compensatieargument, d.w.z. op grond van tarief- of andere fiscale voordelen van de eigen staat of van andere staten (zie De Groot, p.97,99, Wallentin, p. 17–20, Hirvonen, p.43, Brisal, p.32, BJ vs. België, p.58). De enige vermindering die het EHvJ toestaat is op grond van anti-cumulatie overwegingen zelf als onder 2 besproken, en dan nog slechts onder de voorwaarde van wettelijke vastlegging daarvan in de nationale wetgeving of een belastingverdrag.
Voorts laat de Nederlandse belastingwet de door het Hof beoogde drukvergelijking en maximering niet toe. Hoofdstuk 7 van de WetlB2001 bevat geen bepalingen die afwijking van de daar genoemde grondslag- en tariefbepalingen mogelijk maken. Ook binnen artikel 7.8 van die wet is geen bepaling te vinden die wijst op vermindering van toe te kennen subjectgebonden voordelen aan kwalificerende buitenlands belastingplichtigen op grond van de maximeringsbenadering door het Hof. Die benadering vindt dus geen grond in het Unierecht noch in het nationale recht.
4. Toekenning van de subjectgebonden voordelendoor Nederland aan belanghebbende
De soort-voor-soort benadering resulteert voor belanghebbende in de volgende tabel van toegekende en toe te kennen subjectgebonden, vergelijkbare, voordelen van woonstaat en bronstaat voor 2015 en 2016 (met bedragen in Euro):
2015 | 2016 | ||||
|---|---|---|---|---|---|
Frankrijk | Nederland | Frankrijk | Nederland | ||
Belastingvrije som | 9700 | Algemene heffingskorting 1) | 499 | 9710 | 495 |
Ouderenaftrek | 2348 | Ouderenkortingen | 662 | 2352 | 731 |
Aftrek sociale zekerheid (CAK-bijdragen) | 4253 | Nvt | 3606 | Nvt | |
Pa rtneralimentatie | nihil | Partneralimentatie | 4618 | Nihil | 4618 |
Nvt | Ziektekostenaftrek | 1589 | 885 | ||
Nvt | hypotheekrenteaftrek | 6706 | 6483 | ||
Huishoudelijke hulp e.d. | 0 | Nvt | 257 | Nvt | |
Giften | 40 | Nvt | 10 | Nvt | |
Ter toelichting het volgende. De vergelijkbaarheid van de in Frankrijk toegekende belastingvrije som en de Nederlandse algemene heffingskorting dient, hoewel hier opgenomen in de tabel, buiten beschouwing te blijven. Frankrijk kent een verhoging van de belastingvrije som in de vorm van een ouderenaftrek met de in de tabel genoemde bedragen (zijnde maxima in de Franse wetgeving). In Nederland is daarmee vergelijkbaar de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.
In Frankrijk zijn kosten voor huishoudelijke hulp/hulp in de tuin, resp. giften, als subjectieve voordelen opgevoerd in de aanslag, en ze leiden tot een belastingvermindering. Daarmee vergelijkbare posten worden voor Nederland niet geclaimd.
Frankrijk kent van rechtswege, en dus bij voorrang ten opzichte van partneralimentatie, aftrek van sociale zekerheid toe, zij het op diverse wijzen verwerkt in de aanslag. Het gaat hierbij om aftrek van de ingehouden zorgbijdragen aan het CAK op beide pensioenen (AOW en ABP). Deze aftrek is, in vergelijking tot op de pensioenen ingehouden CAK-bijdragen, in beide jaren niet volledig benut zo blijkt uit simulaties. Uit die simulaties blijkt ook dat de partneralimentatie (4618 Euro in beide jaren), die onder het Franse stelsel aftrekbaar is met zelfs een verhogingsfactor, in Frankrijk in het geheel niet benut kon worden. De simulaties zijn uitgevoerd door het omslagmoment te bepalen waarbij onder weglating van de partneralimentatie en een deel van de CAK-bijdragen alsnog aan Frankrijk belasting moet worden betaald.
De berekeningen zijn gemaakt met de simulateurs (rekensoftware) die de Franse belastingdienst beschikbaar stelt op internet, te weten voor het jaar 2015:
Over deze simulaties is, in opdracht van het Hof, tussen gemachtigde en de belastinginspecteur overleg gevoerd. Het Hof heeft eveneens kennis genomen daarvan, doch de resultaten buiten de door haar gekozen benadering gelaten.
In de door ons geëiste soort-voor-soort vergelijking bij het in aanmerking nemen van door Frankrijk toegekende voordelen resteert slechts de mogelijkheid van een reductie van de Nederlandse ouderenkortingen in verband met de door Frankrijk toegekende ouderenaftrek, ware het niet dat bovengenoemde unierechtelijke bezwaren (niet opgenomen in nationale wetgeving) zich daartegen verzetten. Op grond daarvan houden we vast aan de herziene aangifte in de Bijlage hieronder.
5. Toekenning van de algemene heffingskorting (AHK)
Zoals onder 1 genoemd, verwerpt het Hof in de bijlage, punt 28, de eis dat de AFIK aan een niet-ingezetene binnen de EU wordt toegekend ongeacht de vraag of sprake is van kwalificerende buitenlandse belastingplicht of toepasbaarheid van de Schumackerdoctrine. Tegen dit oordeel wensen wij het volgende cassatiemiddel voor te dragen.
Er is sprake van schending van het Unierecht, met name artikel 21 van het VWEU, betrekking hebbend op het vrije verkeer van personen binnen de EU, doordat het Hof in punt 28 van de bijlage ten onrechte heeft geoordeeld dat deze korting kwalificeert als een tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie.
Ter toelichting moge het volgende dienen:
In uw arrest van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1221) heeft uw Raad in overweging 2.5.1 het volgende geoordeeld:
‘Op grond van artikel 8.10, lid 1, Wet IB 2001 geldt de algemene heffingskorting voor iedere belastingplichtige. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet IB 2001 blijkt, dat de wetgever de algemene heffingskorting zag als onderdeel van de tariefstructuur (Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Belastingherziening 2001), nr. 3, blz. 59, 60 en 65). Er zijn geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de wetgever die zienswijze heeft verlaten bij de invoering van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting in 2014. Daarom moet worden aangenomen dat ook na 2014 de algemene heffingskorting moet worden beschouwd als onderdeel van het tarief van de IB/PVV.’
U volgde daarmee de Conclusie van de Advocaat-Generaal, daaruit de essentie citerend:
‘3.27
De zojuist getrokken conclusie impliceert dat (de afbouw van) de algemene heffingskorting tegen de achtergrond van de vrijstelling van EU-inkomsten voor Europese ambtenaren op twee manieren kan worden gekwalificeerd: (i) de algemene heffingskorting maakt onderdeel uit van het tarief, waardoor met het EU-salaris rekening wordt gehouden voor het bepalen van de uiteindelijke belasting en dat salaris dus indirect wordt belast, en (ii) de algemene heffingskorting is een belastingvoordeel waarvoor de hoogte van het inkomen een voorwaarde is die op niet-discriminerende wijze zowel voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de EU als vooriedere andere belastingplichtige van de betrokken lidstaat geldt.’
(…)
3.39
Gelet op het vorenstaande en de rechtspraak van het HvJ meen ik dat voor de afdoening van het onderhavige geschil gekozen moet worden voor de eerste in onderdeel 3.27 genoemde benadering, die inhoudt dat de algemene heffingskorting onderdeel uitmaakt van het tarief, waardoor met het EU-salaris rekening wordt gehouden voor het bepalen van de uiteindelijke belasting en dat salaris dus indirect wordt belast. De algemene heffingskorting, en dus ook de afbouw daarvan, maakt een wezenlijk deel uit van de berekening van de belastingdruk in de inkomstenbelasting als algemene draagkrachtheffing waarin het vrijgestelde Europese inkomen geen rol mag spelen.
3.40
Er is met andere woorden naar het mij voorkomt niet sprake van een belastingvoordeel of in dit geval -nadeel dat voortvloeit uit een algemene voorwaarde betreffende het inkomen dat recht geeft op dat voordeel. Het komt mij voor dat de rechtspraak van het HvJ dienaangaande voldoende duidelijk is om deze conclusie te trekken. Mocht de Hoge Raad daarover anders oordelen, dan zouden prejudiciële vragen aan het HvJ moeten worden gesteld, tenzij het beroep op een andere grond niet slaagt.’
Een onderdeel van het tarief kan dus per definitie nooit een aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie zijn. Het tarief — en daarmee volgens bovenstaande rechtsoverweging ook de AHK — wordt toegepast op het belastbare inkomen dat is vastgesteld nadat daar eventuele aftrekposten in verband met de persoonlijke en gezinssituatie op zijn toegepast.
Het Hof komt echter tot het in het licht van het bovenstaande oordeel, te weten dat de AHK een persoonsgebonden tegemoetkoming is.
Het Hof gaat in zijn overweging in punt 28 van de bijlage lijnrecht in tegen het genoemde arrest van uw Raad door te oordelen dat de AHK een fiscaal voordeel vormt in verband met de persoonlijke en gezinssituatie is. Alleen al taalkundig is dat onmogelijk: een voordeel dat voor iedere belastingplichtige geldt — getuige ook de kwalificatie ‘algemene’ — kan niet afhangen van de persoonlijke en gezinssituatie. Ook uw oordeel uit 2019 dat in de expliciete afweging voor de AHK tussen enerzijds een ‘fiscaal voordeel’ en anderzijds ‘onderdeel van het tarief’, ten gunste van het laatste uitvalt, leidt taalkundig gezien tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van kwalificering van de AHK als tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie.
Voor zover het Hof zijn oordeel zou baseren op de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001 en dan met name op de overgang van belastingvrije sommen naar de heffingskortingen, merken we het volgende op. Het Hof miskent daarmee dat de belastingvrije sommen konden variëren al naar gelang van de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. Niet iedereen had vóór 2001 dezelfde belastingvrije som. Onder de Wet IB 2001 zijn al die verschillende persoonlijke omstandigheden die tot een verschillende belastingvrije sommen konden leiden apart gezet in andere heffingskortingen dan de AHK. Die AHK varieert niet met de persoonlijke omstandigheden. Zelfs waar de wetgever de AHK een persoonsgebonden tegemoetkoming noemt, moet dat worden aangemerkt als een misslag. Voor de persoonsgebonden aftrek geldt dat die geen betrekking kan hebben op de AHK: een voordeel dat ‘algemeen’ is, dat wil zeggen dat het voor iedereen is, kan tegelijk niet ‘persoonsgebonden’ zijn, dat wil zeggen afhangen van (de hoedanigheden en omstandigheden van) de persoon. De twee begrippen sluiten elkaar uit.
Het tariefkarakter van de AHK is in 2014 versterkt door het inkomensafhankelijk maken van de korting. Steun voor deze stellingname vinden wij in de overwegingen 3.33 tot en met 3.37 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019. Sinds 2014 wordt de AHK gebruikt om het begrotingstekort als gevolg van de banken- en kredietcrisis te beperken en om inkomens te nivelleren op een andere wijze dan via de belastingschijven. Door deze nivellerende maatregel heeft de wetgever impliciet maar onmiskenbaar aangegeven dat de AHK niets dan wel (subsidiair) niets meer te maken had en heeft met de belastingvrije som en/of het waarborgen van een belastingvrij bestaansminimum. Dat bestaansminimum is immers voor iedereen gelijk en objectief gegeven. De conclusie moet dan ook zijn dat zo de AHK al ooit iets te maken heeft gehad met de persoonlijke situatie van de belastingplichtige (quod non) dat in ieder geval vanaf 2014 niet meer het geval is.
Het Hof gebruikt de term ‘persoonlijke en gezinssituatie’ — veronderstellenderwijs — om aan te geven dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in overweging 53 van het arrest Miljoen van het EHvJ van 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608. Een voordeel — zoals de AHK — dat aan alle ingezeten belastingplichtigen wordt toegekend zou dan dus wel een aan de persoonlijke situatie van de belastingplichtige gekoppeld individueel voordeel vormen. Dit zou een volstrekt onbegrijpelijk oordeel zijn.
Wellicht heeft het Hof zijn oordeel (mede) gebaseerd op de oudere jurisprudentie van het EHvJ over belastingvrije sommen. Het zou dan gaan om de volgende arresten:
- 1.
Gerritse (ECLI:EU:C:2003:340)
- 2.
Wallentin (ECLI:EU:C:2004:403)
- 3.
De Groot (ECLI:EU:C:2002:750)
Deze arresten kunnen geen basis vormen voor het oordeel van het Hof. De argumenten zijn als volgt:
- —
het arrest Gerritse betrof de Duitse belastingvrije som, waarvan niet duidelijk is geworden hoe die was opgebouwd;
- —
het arrest Wallentin betrof de Zweedse belastingvrije som waarvan niet duidelijk is geworden hoe die was opgebouwd;
- —
het arrest De Groot schaart in rechtsoverweging 110 de belastingvrije som nu juist niet onder de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen. Het Hof spreekt van de belastingvrije som EN de persoonlijke fiscale tegemoetkomingen.
Uw Raad heeft, zoals gezegd, in het arrest van 19 juli 2019 het karakter van de AHK vastgesteld. Onzes inziens moet het EHvJ deze vaststelling eerbiedigen. Het kan niet zo zijn dat de AHK in binnenlandse verhoudingen een algemeen geldend tariefvoordeel is en in EU-verhoudingen een voordeel dat samenhangt met de persoonlijke of gezinssituatie. De AHK is geen factor die de hoogte van de draagkracht bepaalt zoals die komt vast te staan nadat rekening is gehouden met de persoonlijke en de gezinssituatie. Het is een factor die de heffing over die vastgestelde draagkracht bepaalt.
De conclusie die uit het voorgaande volgt, is dat het niet toekennen van de AHK in de inkomstenbelasting aan alle belastingplichtigen (binnenlands en al dan niet kwalificerend buitenlands) een belemmering vormt voor het vrije verkeer van personen binnen de EU, doordat deze personen bij vestiging in een andere lidstaat dan Nederland deze korting op de heffing over hun binnenlandse inkomen verliezen. Dat kan hen ervan weerhouden om te emigreren naar een andere lidstaat. Zie voorts ter zake het arrest Asscher en daarop gebaseerde jurisprudentie die verzwaring van het tarief voor migranten ten opzichte van niet-migranten verbiedt.
Wat betreft de berekeningswijze van de AHK voor belanghebbende geldt onzes inziens, analoog aan hetgeen de Hoge Raad gesteld heeft in het arrest van 19 juli 2019 in 2.5.2, namelijk dat slechts de aan Nederland ter heffing toegewezen inkomensgrondslag (in box 1) kan dienen als berekeningsbasis. Rekening houdend met toe te kennen fiscale voordelen impliceert dat voor het jaar 2015 een AHK van 499 Euro (behorende bij een box 1 inkomen van 20.846 Euro), en voor 2016 van 495 Euro (bij een box 1 inkomen van 21.773 Euro).
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
Onder voorbehoud van iet onder 5 gestelde t.a.v. de aard van de algemene heffingskorting
Uitspraak 18‑07‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02356
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 mei 2022, nr. 21/007401., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/4815) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 31 maart 2023 geconcludeerd tot schorsing van het geding en tot het op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) voorleggen van prejudiciële vragen.2.De conclusie is aan deze beslissing gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is gepensioneerd en woont samen met zijn echtgenote in Frankrijk. Belanghebbende heeft in 2015 een Nederlandse AOW-uitkering van € 9.801 genoten en een Nederlandse pensioenuitkering van € 13.054. Zijn echtgenote heeft in dat jaar een Nederlandse AOW-uitkering van € 9.605 genoten en een Nederlandse pensioenuitkering van € 2.985. Op grond van het Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 19733.(hierna: het Verdrag) is Nederland heffingsbevoegd met betrekking tot de pensioenuitkering van belanghebbende. Met betrekking tot de AOW-uitkeringen en de pensioenuitkering van de echtgenote van belanghebbende is op grond van het Verdrag uitsluitend Frankijk heffingsbevoegd.
2.2
Van het totale inkomen van belanghebbende in 2015 van € 22.855 is het heffingsrecht over een bedrag van € 9.801, dus afgerond 43 procent, op grond van het Verdrag aan de woonstaat Frankrijk toegewezen. Van het totale gezinsinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote van € 35.445 geldt dit voor een bedrag van € 22.391, dus voor ruim 60 procent.
2.3
In zijn aangifte voor de Nederlandse inkomstenbelasting voor het jaar 2015 heeft belanghebbende met betrekking tot zijn eigen woning in Frankrijk een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning opgevoerd van € 5.338 (bestaande uit het saldo van een bedrag van € 1.050 aan eigenwoningforfait en een bedrag van € 6.388 aan aftrekbare rente). Bij de aanslag in de inkomstenbelasting heeft de Inspecteur die aftrek aanvaard, hoewel hij belanghebbende had meegedeeld dat deze daarvoor niet in aanmerking komt omdat hij en zijn echtgenote niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen kunnen worden aangemerkt. De Inspecteur heeft dit hersteld door middel van een navorderingsaanslag, die in deze procedure ter discussie staat.
2.4
Belanghebbende heeft in 2015 geen inkomstenbelasting in Frankrijk betaald. Dit komt doordat zijn in Frankrijk belastbare inkomen (na toepassing van enkele aftrekken) beneden de belastingvrije som (“le seuil d’imposition”) blijft. Het bedrag van die belastingvrije som is in zijn situatie voor het jaar 2015 vastgesteld op € 27.240.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of ten aanzien van belanghebbende bij het berekenen van de aanslag rekening dient te worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, en hij daarom recht heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit zijn eigen woning, en op toepassing van het inkomstenbelastingdeel van een aantal heffingskortingen (de algemene heffingskorting en de ouderenkorting). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hiermee rekening moet worden gehouden omdat hij moet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 8, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001), in samenhang gelezen met artikel 21bis, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, en dat – mocht dit niet het geval zijn – hij niettemin (rechtstreeks) recht heeft op deze tegemoetkomingen op grond van het Unierecht.
3.2
Het Hof is ingegaan op de vraag of de Nederlandse wetgever met deze regelgeving het Unierecht op de juiste wijze heeft geïmplementeerd. Het gaat daarbij om het verbod van discriminatie dat voortvloeit uit het vrij verkeer van werknemers volgens artikel 45 VWEU.
3.3
Het Hof stelt voorop dat de aftrek in verband met de negatieve inkomsten uit eigen woning is aan te merken als een aftrekpost die verband houdt met de persoonlijke en de gezinssituatie van de belastingplichtige.
3.4
Aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het Hof de lijnen beschreven waarlangs de volgende vraag moet worden beantwoord: is Nederland op grond van het Unierecht gehouden, en zo ja, in welke mate, ten aanzien van een in het buitenland wonende belastingplichtige, zoals belanghebbende, rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie? Het Hof heeft daarbij het volgende stappenplan gehanteerd, dat te vinden is in een bijlage bij zijn uitspraak:
“1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten?
Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen.
Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
3.5
Het Hof heeft dit stappenplan voor de situatie van belanghebbende als volgt uitgewerkt. Belanghebbende voldoet naar het oordeel van het Hof niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het Hof stelt tevens vast dat belanghebbende en zijn echtgenote in Frankrijk geen belasting zijn verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werkstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de volgende breuk: belast gezinsinkomen in de werkstaat / het wereldinkomen, aldus het Hof. In het onderhavige geval kan deze breuk worden bepaald op € 13.054 / € 35.445 x 100 procent = 36,8 procent. De aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning zou dan voor 36,8 procent x € 5.338 = € 1.965 in aanmerking moeten worden genomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan € 11.089. Het Hof houdt verder rekening met een bedrag aan heffingskortingen (algemene heffingskorting en ouderenkorting) van € 358, dat is 36,8 procent van het bedrag dat op grond van de Wet IB 2001 zou gelden voor een binnenlandse belastingplichtige in overigens gelijke omstandigheden. Dit resulteert in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting van € 567 (derde stap), aldus het Hof.
3.6
De tegemoetkoming wordt volgens het Hof echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland zou zijn verschuldigd in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende. Daarbij moet worden gekeken naar de heffing van inkomstenbelasting van zowel belanghebbende als zijn echtgenote indien zij in Nederland binnenlands belastingplichtig zouden zijn. Voor belanghebbende zou dan moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.801 + € 13.054 -/- € 5.338 = € 17.517. De daarover verschuldigde belasting zou € 490 bedragen. Voor belanghebbendes echtgenote zou het belastbaar inkomen uit werk en woning € 9.605 + € 2.985 = € 12.590 bedragen. De daarover verschuldigde belasting zou € 79 bedragen. In totaal is dat € 569. Dat is meer dan de hiervoor berekende € 567.
3.7
De verschuldigde inkomstenbelasting van de navorderingsaanslag over het jaar 2015 dient om die reden te worden verminderd tot € 569, aldus nog steeds het Hof.
4. De tegen de uitspraak van het Hof aangevoerde klachten
4.1
De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Samengevat weergegeven betoogt de Staatssecretaris dat belanghebbende zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland heeft verdiend. Daarom doet zich niet de situatie voor dat het inkomen in de woonstaat Frankrijk in absolute zin zo gering is dat aldaar in het geheel geen rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De belastinggrondslag in Frankrijk is naar het oordeel van de Staatssecretaris toereikend om belanghebbende in Frankrijk in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Het is volgens de Staatssecretaris irrelevant in welke mate de woonstaat rekening heeft gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dat de woonstaat op grond van zijn wetgeving een persoonlijke tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk niet verleent, zoals hier het geval is, vloeit volgens de Staatssecretaris voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale rechtsstelsels en leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het Unierecht. Naar zijn oordeel is Nederland als bronstaat daarom in zo’n geval niet verplicht rekening te houden met het door de woonstaat niet-verleende deel van die persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming.
5. Beoordeling van de klachten
5.1
De klachten stellen de Hoge Raad voor de vraag of Nederland aan een belastingplichtige die in een andere lidstaat van de Europese Unie woont, geheel of gedeeltelijk de belastingvoordelen moet toekennen waarin het voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie in het geval (i) die belastingplichtige zijn wereldinkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdient, en (ii) hij in zijn woonstaat de belastingvoordelen waarin de wetgeving van dat land voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie, niet allemaal volledig kan benutten als gevolg van de – beperkte – omvang van zijn in dat land belastbare inkomen. In het geval Nederland dergelijke belastingvoordelen inderdaad moet toekennen, stellen de klachten de Hoge Raad bovendien voor de vraag in welke mate Nederland die voordelen als werkstaat dient toe te kennen.
5.2
De Hoge Raad stelt voorop dat deze vragen eveneens aan de orde zijn in de zaak met nummer 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889. De Hoge Raad verwijst dan ook naar zijn vandaag gewezen arrest in die zaak, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht en daarvan onderdeel uitmaakt.
5.3
In het arrest in de zaak met nummer 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889, zijn in de overwegingen 5.4.1 tot en met 5.5.3 twijfelpunten benoemd met betrekking tot de wijze waarop volgens het Unierecht rekening moet worden gehouden met het inkomen van de belanghebbende in de werkstaat. Die twijfelpunten gelden eveneens voor deze zaak. De Hoge Raad zal daarom in onderdeel 6 hierna de twee prejudiciële vragen die in de zaak met nummer 22/02362 worden gesteld, ook in deze zaak stellen.
5.4
De onderhavige zaak onderscheidt zich van de zaak met nummer 22/02362 doordat belanghebbende gehuwd is, terwijl de belanghebbende in de zaak met nummer 22/02362 alleenstaand is.
5.5.1
Een extra punt van twijfel in de onderhavige zaak is daarom of op grond van het Unierecht in het geval van een belastingplichtige met een partner in fiscale zin (zoals in dit geval een echtgenoot) hun gezamenlijke inkomens bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de werkstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, en of dat ook in alle gevallen moet gebeuren. Het Hof is in punt 5 van het stappenplan in de bijlage bij zijn uitspraak zonder meer ervan uitgegaan dat het bij de beoordeling van de relevante inkomsten in de betreffende lidstaten – kennelijk: in alle gevallen – gaat om het belastbare gezinsinkomen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan het antwoord op die vraag niet buiten redelijke twijfel worden afgeleid. Een bevestigend antwoord op die vraag zou kunnen worden afgeleid uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31 en een aantal daarop voortbouwende arresten.4.Daarin spreekt het Hof van Justitie namelijk over een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen in de werkstaat had verworven. Anderzijds spreekt het Hof van Justitie in deze arresten ook, zonder te verwijzen naar het gezinsinkomen, over een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn belastbare inkomen in de werkstaat verdient. In het arrest van 19 november 2015, Hirvonen, C-632/13, ECLI:EU:C:2015:765,5.spreekt het Hof van Justitie zelfs uitsluitend over een ingezetene die het grootste deel van zijn belastbare inkomen verdient in de werkstaat, niet zijnde zijn woonstaat.
5.5.2
Indien de relatieve omvang van het inkomen dat is verdiend in de werkstaat nog steeds maatgevend is,6.is voor deze zaak het volgende van belang. Belanghebbende voldoet naar het oordeel van de Hoge Raad, gelet op de hiervoor in 2.2 vermelde cijfers, aan de eis dat het grootste deel van zijn totale inkomen in de (voormalige) werkstaat belastbaar is (namelijk ongeveer 57 procent), maar hij voldoet niet aan de voorwaarde dat nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen daar belastbaar is, aangezien dit slechts 40 procent van het totale gezinsinkomen betreft, waarvan ongeveer 60 procent belastbaar is in het woonland Frankrijk.
5.5.3
Verder verdient opmerking dat de belastingheffing over veel soorten inkomsten in Nederland geïndividualiseerd is. Bij de belastingheffing over die inkomsten wordt geen rekening gehouden met inkomsten van de fiscale partner in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2.1 van de Wet IB 2001, waartoe de echtgenoot behoort. Dit geldt onder meer voor inkomsten uit arbeid of uit voorheen verrichte arbeid, waartoe de in dit geval relevante pensioenen en AOW-uitkeringen behoren. Het gezinsinkomen speelt in zoverre voor de Nederlandse belastingheffing dus geen rol. Daardoor rijst de vraag of de omvang van het gezinsinkomen ook relevant is voor zover de werkstaat bij de belastingheffing over in dat land verdiende inkomsten geen rekening houdt met het inkomen van de partner.
5.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.3 tot en met 5.5.3 is overwogen, zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU de hierna in onderdeel 6 weergegeven prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende vragen over de uitleg van het Unierecht te beantwoorden:
1. Moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat een niet-ingezeten belastingplichtige die in een lidstaat werkzaamheden in loondienst (heeft) verricht, zich bij de heffing van inkomstenbelasting ten opzichte van deze werkstaat slechts in een vergelijkbare situatie als een ingezetene bevindt indien hij zijn belastbare inkomen geheel of nagenoeg geheel in die werkstaat heeft verworven?
2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, is die werkstaat dan verplicht, en zo ja in hoeverre, om bij de heffing van inkomstenbelasting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in een geval waarin deze in de lidstaat waar hij woont weliswaar inkomsten van betekenis heeft genoten die aldaar met inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag mogen worden belast, maar deze inkomsten in absolute zin onvoldoende zijn om de in deze woonstaat geldende tegemoetkomingen volledig te kunnen benutten?
3. In hoeverre moet voor de beantwoording van de voorgaande vragen rekening worden gehouden met het inkomen van de partner van de belastingplichtige?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Bijlagen:
- de tekst van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2.1 van de Wet IB 2001; en
- een geanonimiseerde kopie van het arrest in de zaak met nummer 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889.
Bijlagen
1. Artikel 2.1 van de Wet IB 2001, voor zover van belang:7.
“1 Belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting zijn de natuurlijke personen die:
a. in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen) of
b. niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen).
(…)”
2. Artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover van belang:8.
“1 Als partner wordt aangemerkt:
a. de echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
2 Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
(…)”
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:373, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:442.
Zie de arresten HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 54; HvJ 25 januari 2007, Meindl, C-329/05, ECLI:EU:C:2007:57, punt 29; HvJ 18 juli 2007, Lakebrink en Peters-Lakebrink, C-182/06, ECLI:EU:C:2007:452, punt 31, en HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 34.
Punten 33, 34 en 49.
Vgl. rechtsoverweging 5.4.4 van het arrest in de zaak met nummer 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889.
Stb. 2000, 215.
Stb. 2009, 611, gewijzigd bij Stb. 2013, 316.
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 49 VWEU; Schumacker-doctrine; dient Nederland als (voormalige) werkstaat rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige?; prejudiciële vragen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02359
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
de erven van [A] (hierna: belanghebbenden)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 mei 2022, nr. 21/002281., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/2857) betreffende een aan [A] over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbenden, vertegenwoordigd door G.D.C.G. Smeets, hebben een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 31 maart 2023 geconcludeerd tot schorsing van het geding en tot het op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorleggen van prejudiciële vragen.2.De conclusie is aan deze beslissing gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.3
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
[A] (hierna: erflater) is tijdens de procedure voor het Hof overleden, in augustus 2021. Deze procedure is voortgezet door zijn erfgenamen. Erflater woonde in 2015 in België. Zijn woning aldaar (hierna: de eigen woning) was in dat jaar aan te merken als een eigen woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001). De met betrekking tot de eigen woning in 2015 betaalde hypotheekrente bedraagt € 29.822.
2.2
Erflater heeft in 2015 werkzaamheden verricht als bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap. Erflater was in 2015 middellijk enig aandeelhouder van de vennootschap. De vennootschap heeft in 2015 een belastbaar loon van € 77.880 aan erflater uitgekeerd. Het heffingsrecht over dit loon is op grond van het belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 20013.(hierna: het Verdrag) toegewezen aan Nederland.
2.3
In 2015 had erflater geen fiscale partner.
2.4
Erflater heeft aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) in Nederland gedaan als buitenlandse belastingplichtige naar een belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van € 55.558. Dit inkomen bestaat volgens die aangifte uit het belastbaar loon van € 77.880 verminderd met het saldo van de – forfaitair bepaalde – inkomsten uit eigen woning van € 7.500 en de aftrekbare rente van € 29.822 in verband met de eigenwoningschuld. De aangifte vermeldt verder een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland van nihil.
2.5
De door de Nederlandse inspecteur (hierna: de Inspecteur) opgelegde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015, die in deze procedure ter discussie staat, is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.880 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. De Inspecteur heeft geen rekening gehouden met de, per saldo, negatieve inkomsten uit eigen woning.
2.6
Erflater is in België in de heffing van personenbelasting betrokken ter zake van door hem in 2015 genoten inkomen. Het te betalen bedrag aan personenbelasting bedraagt, behoudens toepassing van de woonbonus (zie hierna in 2.11), € 277,64. Bij de berekening van het te betalen bedrag aan personenbelasting is rekening gehouden met belastingvrije sommen waarop erflater in België in 2015 recht had.
2.7
Omdat de heffingsbevoegdheid over de looninkomsten van erflater aan Nederland is toegewezen, heeft België bij de heffing van personenbelasting vrijstelling verleend voor deze inkomsten.
2.8
België heeft verder personenbelasting geheven over de op forfaitaire wijze vastgestelde inkomsten uit een onroerende zaak in België (hierna: de onroerende zaak) en de inkomsten vastgesteld op een bedrag van € 533. Dit betreft een andere onroerende zaak dan de eigen woning. Nederland heeft geen heffingsbevoegdheid over de inkomsten uit de onroerende zaak.
2.9
Daarnaast heeft België personenbelasting geheven over de rente die is uitgekeerd op door erflater in België aangehouden spaarrekeningen. Het gaat om een rentebedrag van € 329,59. Nederland heeft geen heffingsbevoegdheid over deze rente-inkomsten.
2.10
Voor het overige zijn in België geen inkomsten van erflater in de heffing van personenbelasting betrokken.
2.11
Als gevolg van toepassing van de woonbonus is het in 2015 in België verschuldigde bedrag aan personenbelasting bijgesteld naar nihil. De woonbonus is een faciliteit die wordt verleend aan eigenaren van een in België gelegen eigen woning. Door middel van de woonbonus wordt op forfaitaire wijze rekening gehouden met betaalde rente en kapitaalaflossingen in verband met de financiering van de eigen woning. De in 2015 maximaal aan erflater te verlenen woonbonus bedroeg € 2.280. Toekenning van de maximale woonbonus leidt tot vermindering van de personenbelasting met € 1.140. Daarvan heeft erflater effectief slechts het hiervoor in 2.6 bedoelde bedrag van € 277,64 kunnen verzilveren. België heeft voor het overige geen fiscale faciliteiten in verband met de eigen woning verleend.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of erflater in zijn werkstaat Nederland op grond van het Unierecht aanspraak zou kunnen maken op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning. Tussen partijen was niet in geschil dat erflater niet voldeed aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001. Bovendien was tussen partijen niet in geschil dat, indien het wereldinkomen (exclusief het inkomen uit de eigen woning) naar Nederlandse maatstaven dient te worden berekend, dit inkomen € 134.567 bedraagt, met dien verstande dat dit inkomen voor € 77.880 bestaat uit belastbaar inkomen uit werk en woning en voor € 56.687 uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Ten slotte was tussen partijen niet in geschil hoe de aanslag moet worden berekend indien erflater in Nederland aanspraak zou kunnen maken op toepassing van de aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning. Zij hebben ter zitting van de Rechtbank overeenstemming erover bereikt dat erflater in dat geval recht had op een aftrekpost van € 20.042. Zij waren het erover eens dat de aanslag in de IB/PVV, daarvan uitgaande, moet worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.880 minus € 20.042 = € 57.838. Dat is ook het bedrag waarnaar de Rechtbank de aanslag heeft verminderd.
3.2
Het Hof is ervan uitgegaan dat een belastingplichtige die binnen de Europese Unie in een ander land dan zijn woonstaat werkt, op grond van het Schumacker-arrest van het Hof van Justitie4.in zijn werkstaat recht heeft op eenzelfde fiscale behandeling als een ingezetene indien hij 90 procent of meer van zijn wereldinkomen buiten de woonstaat verdient, en dat de werkstaat dan verplicht is om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene.
3.3
Het Hof verwerpt de benadering van de Inspecteur, die het wereldinkomen van erflater in dit verband had berekend naar Nederlandse maatstaven. Dat zou uitkomen op het hiervoor in 3.1 vermelde bedrag van € 134.567. Dit is aanzienlijk hoger dan het naar Belgisch belastingrecht berekende wereldinkomen, doordat in Nederland het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in het jaar 2015 op grond van het toenmalige artikel 5.2, lid 1, van de Wet IB 2001 wordt vastgesteld op basis van een forfaitair rendement van 4 procent. Dat zou in dit geval leiden tot het hiervoor in 3.1 vermelde belastbare wereldinkomen uit sparen en beleggen van € 6.687. In die benadering zou erflater (€ 77.880/€ 134.567) x 100 procent = ongeveer 58 procent van zijn wereldinkomen in Nederland hebben verdiend. Hij zou dan niet voldoen aan de hiervoor in 3.2 vermelde, door het Hof gehanteerde eis van 90 procent.
3.4
Anders dan de Inspecteur is het Hof van oordeel dat het wereldinkomen dient te worden vastgesteld naar de maatstaven van het woonland België en dat vervolgens dient te worden vastgesteld welk gedeelte daarvan ter heffing aan de werkstaat Nederland is toegewezen. Het Hof heeft dit onderbouwd in de onderdelen 8 tot en met 11 van het stappenplan, dat te vinden is in een bijlage bij zijn uitspraak.
3.5
In dit geval bedraagt het wereldinkomen naar Belgische maatstaven € 78.762,59. Daarvan is € 77.880 ter heffing aan Nederland toegewezen. Dat is 98,9 procent van dit wereldinkomen. Daarmee staat naar het oordeel van het Hof vast dat sprake is van een “klassieke Schumacker-situatie”, aangezien erflater aldus bezien 90 procent of meer van zijn wereldinkomen buiten de woonstaat verdiende. De werkstaat is dientengevolge verplicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater, waaronder de door hem genoten negatieve inkomsten uit eigen woning, aldus het Hof.
3.6
Aan het voorgaande doet volgens het Hof niet af dat de woonstaat reeds gedeeltelijk rekening heeft gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater doordat een woonbonus is verleend, aangezien deze bonus – als gevolg van de beperkte omvang van het Belgische inkomen – niet volledig is toegekend.
3.7
Uit het voorgaande volgt dat erflater in Nederland aanspraak kan maken op aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning, aldus nog steeds het Hof.
4. De tegen de uitspraak van het Hof aangevoerde klachten
De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, Nederland rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater, moeten volgens de Staatssecretaris het wereldinkomen en het deel daarvan dat in Nederland is verdiend worden vastgesteld naar Nederlandse maatstaven. Aangezien erflater naar Nederlandse maatstaven ongeveer 58 procent van het wereldinkomen in Nederland heeft verdiend (zie hiervoor in 3.3), heeft erflater zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdiend. Daarom verschuift de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet van de woonstaat België naar de werkstaat Nederland, aldus de Staatssecretaris.
5. Beoordeling van de klachten
5.1
De klachten stellen de Hoge Raad voor de vraag of Nederland aan een belastingplichtige die in een andere lidstaat van de Europese Unie woont, geheel of gedeeltelijk de belastingvoordelen moet toekennen waarin het voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie in het geval (i) die belastingplichtige zijn wereldinkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdient, en (ii) hij in zijn woonstaat de belastingvoordelen waarin de wetgeving van dat land voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie, niet allemaal volledig kan benutten als gevolg van de – beperkte – omvang van zijn in dat land belastbare inkomen. In het geval Nederland dergelijke belastingvoordelen inderdaad moet toekennen, stellen de klachten de Hoge Raad bovendien voor de vraag in welke mate Nederland die voordelen als werkstaat dient toe te kennen.
5.2
De Hoge Raad stelt voorop dat deze vragen eveneens aan de orde zijn in de zaak met nummer 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889. De Hoge Raad verwijst dan ook naar zijn vandaag gewezen arrest in die zaak, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht en daarvan onderdeel uitmaakt.
5.3
In het arrest in de zaak met nummer 22/02362 zijn in de overwegingen 5.4.1 tot en met 5.5.3 twijfelpunten benoemd met betrekking tot de wijze waarop volgens het Unierecht rekening moet worden gehouden met het inkomen van de belanghebbende in de werkstaat. Die twijfelpunten gelden eveneens voor deze zaak. De Hoge Raad zal daarom in onderdeel 6 hierna de eerste twee prejudiciële vragen stellen, die zijn ontleend aan de prejudiciële vragen in de zaak met nummer 22/02362.
5.4
De onderhavige zaak onderscheidt zich van de zaak met nummer 22/02362 doordat in de onderhavige zaak tevens de vraag aan de orde is of de werkstaat, voor de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie, het wereldinkomen en het aan de werkstaat toe te rekenen deel ervan moet bepalen aan de hand van het recht van de werkstaat.
5.5
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, met name de arresten in de zaken Wallentin5.en Meindl,6.heeft het Hof afgeleid dat aan de hand van het recht van de woonstaat moet worden bepaald of de betrokkene zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel buiten de woonstaat verdient.7.Die arresten hebben betrekking op de vraag of een niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat. Het is echter niet zeker of die rechtspraak meebrengt dat ook de omvang van de inkomsten in de werkstaat moet worden beoordeeld volgens de fiscale maatstaven van de woonstaat. Zoals de vraag of een niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat volgens het Hof van Justitie moet worden beoordeeld naar de maatstaven van de in dat land geldende fiscale regels,8.valt het naar het oordeel van de Hoge Raad ook te verdedigen dat met het oog op de belastingheffing in de werkstaat de omvang van het inkomen dat aldaar is verdiend, moet worden vastgesteld naar de fiscale regels van die staat. Daarvan uitgaande kan verder worden verdedigd dat het tot een zuiverdere vergelijking leidt als de werkstaat bij de berekening welk deel dit inkomen van het wereldinkomen vormt, ook de omvang van het wereldinkomen als noemer van de breuk bepaalt volgens diezelfde wetgeving, dus volgens de wetgeving van de werkstaat. Op die manier wordt de werkstaat niet verplicht zijn belastingheffing af te stemmen op de wetgeving van andere lidstaten.
5.6
Daartegenover staat dat het Hof van Justitie de omstandigheid dat de belastingplichtige geen inkomsten van betekenis geniet in zijn woonstaat en hem daardoor geen fiscale voordelen kan toekennen, blijkbaar ziet als een gevolg van het feit dat de betrokkene het grootste deel van zijn inkomen buiten de woonstaat verdient.9.Dat zou ervoor kunnen pleiten om beide kwesties – de absolute omvang van het inkomen in de woonstaat en de relatieve omvang van het inkomen in de werkstaat – naar hetzelfde recht te beoordelen, namelijk dat van de woonstaat. Daartegen valt weer in te brengen dat deze (veronderstelde) gevolgtrekking in de rechtspraak van het Hof van Justitie vermoedelijk is gebaseerd op de veronderstelling dat beide landen dezelfde maatstaf hanteren ter bepaling van de omvang van het inkomen, zodat deze rechtspraak geen antwoord geeft op de vraag hoe de omvang van het inkomen moet worden bepaald wanneer – zoals dit geval – de betrokken wetgevingen op dit punt uiteenlopen. Welke wetgeving in zo’n geval bepalend is, wordt naar het oordeel van de Hoge Raad ook uit de overige rechtspraak van het Hof van Justitie niet duidelijk. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat evenmin duidelijk is in hoeverre de relatieve omvang van het inkomen in de werkstaat in dit verband (nog) wel van belang is, en of niet centraal zou moeten staan of, en zo ja in hoeverre, de belastingplichtige fiscale faciliteiten in zijn woonstaat mist doordat hij in het buitenland is gaan werken.10.
5.7
Indien de relatieve omvang van het inkomen in de werkstaat relevant is, is het bovendien de vraag of daarbij alleen het arbeidsinkomen in aanmerking moet worden genomen of ook ander inkomen, zoals in dit geval vermogensinkomsten (naar Nederlandse maatstaven: belastbare inkomsten uit sparen en beleggen). Beoordeling op basis van het gehele inkomen lijkt de Hoge Raad de juiste benadering, aangezien ook andere inkomsten dan arbeidsinkomsten ruimte kunnen bieden voor fiscale tegemoetkomingen in de woonstaat met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene. De rechtspraak van het Hof van Justitie biedt hierover echter geen uitsluitsel. In de arresten Schumacker11.en Wallentin12.maakte het Hof van Justitie in dit verband alleen melding van inkomsten uit arbeid. Daarentegen sprak het Hof in de zaken X13.en Kieback14.over het belangrijkste deel van zijn inkomen, zonder een beperking aan te brengen tot inkomsten uit arbeid. En in het arrest in de zaken Lakebrink en Peters-Lakebrink komen beide formuleringen voor.15.
5.8
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5, 5.6 en 5.7 is overwogen, is het niet buiten redelijke twijfel hoe de hiervoor in 5.4 vermelde vraag moet worden beantwoord. De Hoge Raad zal daarom op de voet van artikel 267 VWEU de in onderdeel 6 weergegeven derde en vierde prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad gaat ervan uit dat het in dit geval gaat om de vrijheid van vestiging, aangezien erflater bestuurder en middellijk enig aandeelhouder was van de vennootschap waarvoor hij werkte.16.
6. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende vragen over de uitleg van het Unierecht te beantwoorden:
1. Moet artikel 49 VWEU aldus worden uitgelegd dat een niet-ingezeten belastingplichtige die in een lidstaat werkzaamheden in loondienst (heeft) verricht, zich bij de heffing van inkomstenbelasting ten opzichte van deze werkstaat slechts in een vergelijkbare situatie als een ingezetene bevindt indien hij zijn belastbare inkomen geheel of nagenoeg geheel in die werkstaat heeft verworven?
2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, is die werkstaat dan verplicht, en zo ja in hoeverre, om bij de heffing van inkomstenbelasting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in een geval waarin deze in de lidstaat waar hij woont weliswaar inkomsten van betekenis heeft genoten die aldaar met inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag mogen worden belast, maar deze inkomsten in absolute zin onvoldoende zijn om de in deze woonstaat geldende tegemoetkomingen volledig te kunnen benutten?
3. Moet bij de beantwoording van vraag 1 aan de hand van het recht van de woonstaat dan wel de werkstaat worden bepaald welk deel van zijn totale inkomen (het wereldinkomen) de niet-ingezetene in de werkstaat heeft verworven?
4. Gaat het bij de beantwoording van vraag 1 alleen om arbeidsinkomsten, of moeten ook andere soorten inkomsten, zoals inkomsten uit sparen en beleggen, daarbij in de beoordeling worden betrokken?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Bijlagen:
- -
de tekst van artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001, en
- -
een geanonimiseerde kopie van het arrest in de zaak met nummer 22/02362.
Bijlagen
1. Artikel 5.2 van de Wet IB 2001, voor zover van belang:17.
“1. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.
(…)”
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:440, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:442.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31.
HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403.
HvJ 25 januari 2007, Meindl, C-329/05, ECLI:EU:C:2007:57.
Punt 10 van het stappenplan bij de uitspraak van het Hof.
HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403, en HvJ 25 januari 2007, Meindl, C-329/05, ECLI:EU:C:2007:57.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 36; HvJ 11 augustus 1995, Wielockx, C-80/94, ECLI:EU:C:1995:271, punt 20; HvJ 28 februari 2013, Ettwein, C-425/11, ECLI:EU:C:2013:121, punt 47; HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:EU:C:2013:822, punten 43 en 44.
Vgl. rechtsoverweging 5.4.4 van het aangehecht arrest in de zaak 22/02362, ECLI:NL:HR:2025:889.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 47.
HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403, punt 17.
HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 38.
HvJ 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, punt 30.
HvJ 18 juli 2007, Lakebrink en Peters-Lakebrink, C-182/06, ECLI:EU:C:2007:452, punt 30 en 31.
HvJ 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, ECLI:EU:C:1996:251.
Stb. 2000, 215, laatst gewijzigd bij Stb. 2010, 871.
Uitspraak 18‑07‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02362
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 mei 2022, nrs. 20/00549 en 21/004291., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/2337) en op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/4763) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
1.1
Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door [A] , als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 31 maart 2023 geconcludeerd tot schorsing van het geding en tot het op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) voorleggen van prejudiciële vragen.2.De conclusie is aan deze beslissing gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is alleenstaand en was in 2015 en 2016 woonachtig in Frankrijk.
2.2
Hij ontving in die jaren een ouderdomspensioen op grond van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). De bevoegdheid tot belastingheffing over dit ouderdomspensioen komt op grond van het Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 19733.(hierna: het Verdrag) toe aan Frankrijk. Verder ontving belanghebbende in deze jaren een ouderdomspensioen van de Nederlandse Stichting Pensioenfonds ABP. De bevoegdheid tot belastingheffing over dit pensioen komt op grond van het Verdrag toe aan Nederland.
2.3
Belanghebbende is eigenaar van een eigen woning in Frankrijk. In verband met de financiering van die woning betaalde hij in deze jaren hypotheekrente.
2.4
Belanghebbende heeft voor de Nederlandse belastingheffing aangifte voor de inkomstenbelasting gedaan naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning:
2015 | 2016 | |
AOW-uitkeringen SVB | € 13.341 | € 13.676 |
Pensioeninkomsten Stichting Pensioenfonds ABP | € 31.959 | € 31.959 |
Eigenwoningforfait | € 1.800 | € 1.800 |
Hypotheekrenteaftrek | -/- € 6.706 | -/- € 6.483 |
Onderhoudsverplichtingen (alimentatie) | -/- €4.618 | -/- € 4.618 |
Specifieke zorgkosten | -/- € 1.589 | -/- € 885 |
Elders belast | -/- € 13.341 | -/- € 13.676 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning | € 20.846 | € 21.773 |
Belanghebbende heeft daarbij vermeld dat hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8, lid 8, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) en dus in aanmerking komt voor de aftrek van hypotheekrente, onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten en voor heffingskortingen.
2.5
De Inspecteur is bij de vaststelling van de aanslagen afgeweken van de aangiften. De Inspecteur heeft belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. De aanslagen zijn vastgesteld naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning:
2015 | 2016 | |
AOW-uitkeringen SVB | € 13.341 | € 13.676 |
Pensioeninkomsten Stichting Pensioenfonds ABP | € 31.959 | € 31.959 |
Elders belast | -/- € 13.341 | -/- € 13.676 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning | € 31.959 | € 31.959 |
2.6
In Frankrijk is belanghebbende voor 2015 en 2016 geen inkomstenbelasting verschuldigd. Het inkomen van belanghebbende waarover Frankrijk op grond van het Verdrag belasting mag heffen, is onvoldoende om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te kunnen nemen.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of ten aanzien van belanghebbende bij het berekenen van de aanslagen rekening dient te worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, en hij daarom recht heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit zijn eigen woning, persoonsgebonden aftrek (in dit geval alimentatie en specifieke zorgkosten), en op toepassing van het inkomstenbelastingdeel van een aantal heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende alleenstaande ouderenkorting). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hiermee rekening moet worden gehouden (i) omdat hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 8, van de Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 21bis, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het UBIB 2001), en, zo niet, (ii) omdat hij (rechtstreeks) een recht op persoonlijke tegemoetkomingen ontleent aan het Unierecht.
3.2
Tussen partijen was niet in geschil dat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt op grond van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001. Partijen zijn verdeeld over de vraag of belanghebbende toch als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt op grond van artikel 7.8, lid 8, van de Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 21bis van het UBIB 2001, waarin een uitbreiding van dit begrip is opgenomen. Niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21bis, lid 1, letters a en b, van het UBIB 2001. Tussen partijen was voor het Hof op dit punt uitsluitend de toepassing van letter c van deze bepaling in geschil, en meer in het bijzonder of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in de woonstaat Frankrijk geen inkomstenbelasting is verschuldigd. De Inspecteur heeft gesteld dat het bij de toepassing van artikel 21bis, lid 1, letter c, van het UBIB 2001 erom gaat dat geen inkomstenbelasting is verschuldigd in de woonstaat Frankrijk uitgaande van het wereldinkomen zonder rekening te houden met een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting in dat land.
3.3
Het Hof verwijst in dit verband naar de toelichting van de besluitgever bij de invoering van artikel 21bis van het UBIB 2001 (hierna: de Toelichting), waaruit volgt dat met deze bepaling uitvoering wordt gegeven aan de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Commissie tegen Estland (hierna: het Commissie/Estland-arrest)4.. In de Toelichting wordt onder meer opgemerkt dat in het geval een gepensioneerde buitenlandse belastingplichtige met een klein pensioen wegens de geringe hoogte van zijn inkomen geen belasting is verschuldigd in zijn woonstaat, hij wordt aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in de woonstaat geen inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Daarbij wordt in de Toelichting opgemerkt dat daaronder niet valt de situatie waarin de belastingplichtige in de woonstaat geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting zou zijn verschuldigd.
3.4
Artikel 7.8 van de Wet IB 2001 en artikel 21bis van het UBIB 2001 moeten volgens het Hof worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Zoals de Wet IB 2001 ook uitdrukkelijk bepaalt, moet een belastingplichtige naar het oordeel van het Hof worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige indien Nederland onder het Unierecht is gehouden om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan is voorzien in de Toelichting, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en dient de beperking die volgt uit de Toelichting buiten toepassing te blijven. De vraag is dan ook of de wetgever met artikel 21bis van het UBIB 2001, in samenhang gelezen met de Toelichting, het Unierecht wel op de juiste wijze heeft geïmplementeerd, aldus het Hof.
3.5
Aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het Hof de lijnen beschreven waarlangs de volgende vraag moet worden beantwoord: is Nederland op grond van het Unierecht gehouden, en zo ja in welke mate, ten aanzien van een in het buitenland wonende belastingplichtige, zoals belanghebbende, rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie? Het Hof heeft daarbij het volgende stappenplan gehanteerd, dat te vinden is in een bijlage bij zijn uitspraak:
“1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten?
Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen.
Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
3.6
Het Hof heeft dit stappenplan voor de situatie van belanghebbende als volgt uitgewerkt. Belanghebbende voldoet niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Vast staat dat het in Frankrijk belastbare inkomen van belanghebbende onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Volgens het Hof moet Nederland daarom als voormalige werkstaat (hierna verder aan te duiden als werkstaat) de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels aan belanghebbende verlenen aan de hand van de volgende breuk: belast inkomen in de werkstaat / wereldinkomen.
3.7
Voor het jaar 2015 zou het voorgaande met zich brengen dat de aanslag in de inkomstenbelasting wordt verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.118. Rekening houdende met een volgens diezelfde breuk berekend deel van het bedrag aan heffingskortingen voor de inkomstenbelasting, wat neerkomt op een bedrag van € 807, zou belanghebbende over dat jaar een bedrag aan inkomstenbelasting zijn verschuldigd van € 1.443 (derde stap), aldus het Hof.De tegemoetkoming wordt naar het oordeel van het Hof echter begrensd door het bedrag aan inkomstenbelasting dat een ingezetene van Nederland zou zijn verschuldigd die in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende verkeert (vierde stap). Voor die ingezetene zou in dat geval een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2015 worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.187, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen van € 1.090. Dat resulteert in een bedrag aan inkomstenbelasting van € 2.722. De aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.959 en op een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting van € 3.335. Dat betekent dat deze aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2015 te hoog is vastgesteld en moet worden verminderd van € 3.335 tot € 2.722, zodat een bedrag van € 613 als tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking wordt genomen.
3.8
Voor het jaar 2016 heeft het Hof het stappenplan op dezelfde wijze uitgewerkt. Een en ander leidt er toe dat belanghebbendes aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2016 zou moeten worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.825, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen van € 835, wat resulteert in een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting van € 1.438 (derde stap). Omdat het bedrag aan inkomstenbelasting dat een ingezetene van Nederland in overigens gelijke omstandigheden is verschuldigd, meer bedraagt, komt belanghebbende voor het jaar 2016 op grond van de vierde stap niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie, aldus het Hof.
4. De tegen de uitspraak van het Hof aangevoerde klachten
4.1
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof.
4.2
Samengevat weergegeven betoogt de Staatssecretaris dat belanghebbende zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland heeft verdiend. Daarom doet zich niet de situatie voor dat het inkomen in de woonstaat Frankrijk in absolute zin zo gering is dat aldaar in het geheel geen rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De belastinggrondslag in Frankrijk is naar het oordeel van de Staatssecretaris toereikend om belanghebbende in Frankrijk in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Het is volgens de Staatssecretaris irrelevant in welke mate de woonstaat rekening heeft gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dat de woonstaat op grond van zijn wetgeving een persoonlijke tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk niet verleent, zoals hier het geval is, vloeit volgens de Staatssecretaris voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale rechtsstelsels en leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het Unierecht. Naar zijn oordeel is Nederland als bronstaat daarom in zo’n geval niet verplicht rekening te houden met het door de woonstaat niet-verleende deel van die persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming.
4.3.1
Belanghebbende klaagt in de eerste plaats erover dat het Hof niet heeft beslist of artikel 21bis van het UBIB 2001 van toepassing is en of hij op grond daarvan kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, zoals door hem in hoger beroep bepleit.
4.3.2
Verder komt belanghebbende in cassatie op tegen de mate waarin het Hof rekening heeft gehouden met de belastingvoordelen die hij in zijn woonstaat Frankrijk heeft genoten. Volgens belanghebbende mag Nederland bij het toekennen van belastingvoordelen op grond van de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezetene slechts rekening houden met in de woonstaat toegekende vergelijkbare voordelen, en dient Nederland andere belastingvoordelen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie voor het geheel toe te kennen (door belanghebbende aangeduid als een soort-voor-soortbenadering).
4.3.3
Verder dient de door het Hof toegepaste ‘drukvergelijking’ in de vierde stap van het stappenplan, waarmee de tegemoetkomingen in de werkstaat aan een maximum worden gebonden, volgens belanghebbende achterwege te blijven. Indien niettemin een drukvergelijking moet plaatsvinden, dient volgens hem een vergelijking te worden gemaakt met de belastingdruk van een ingezetene van werkstaat Nederland van wie een gelijk deel van zijn inkomsten is onderworpen aan de heffing in Frankrijk als bij belanghebbende.
4.3.4
Tot slot betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de algemene heffingskorting is aan te merken als een tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie.
5. Beoordeling van de klachten
Inleiding
5.1.1
De hiervoor in 4.2 en 4.3 bedoelde klachten stellen de vraag aan de orde of Nederland aan een belastingplichtige die in een andere lidstaat van de Europese Unie woont, geheel of gedeeltelijk de belastingvoordelen moet toekennen waarin het voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie in het geval (i) die belastingplichtige zijn wereldinkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdient, en (ii) hij in zijn woonstaat de belastingvoordelen waarin de wetgeving van dat land voor ingezetenen voorziet met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie, niet allemaal volledig kan benutten als gevolg van de – beperkte – omvang van zijn in dat land belastbare inkomen. In het geval Nederland dergelijke belastingvoordelen inderdaad moet toekennen, stellen de klachten bovendien de vraag aan de orde in welke mate Nederland die voordelen als werkstaat dient toe te kennen.
5.1.2
De Hoge Raad gaat hierna eerst in op de tegemoetkomingen op basis van het nationale recht (zie hierna in 5.2) en daarna op de tegemoetkomingen op basis van het Unierecht (zie hierna in 5.3 en volgende). De Hoge Raad merkt ter informatie van het Hof van Justitie op dat deze zaak er een is van diverse bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte zaken waarin de hiervoor in 5.1.1 bedoelde vragen aan de orde zijn.
Tegemoetkomingen op basis van nationaal recht
5.2.1
Per 1 januari 2015 is de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen opgenomen in artikel 7.8 van de Wet IB 2001. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wonen weliswaar niet in Nederland, maar hebben in beginsel recht op dezelfde persoonlijke tegemoetkomingen als binnenlandse belastingplichtigen (ingezetenen van Nederland). Artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie in de belastingheffing van die andere lidstaat wordt betrokken, en van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel aan de heffing van inkomstenbelasting of loonbelasting in Nederland is onderworpen. Onder “geheel of nagenoeg geheel” wordt verstaan ten minste 90 procent.5.Met het criterium “geheel of nagenoeg geheel” heeft de wetgever beoogd aan te sluiten bij het Schumacker-arrest van het Hof van Justitie (HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31; hierna: het Schumacker-arrest).6.
5.2.2
Artikel 7.8, lid 8, van de Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 21bis, lid 1, van het UBIB 2001, breidt het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit. Op grond van het eerste lid van dit laatste artikel wordt mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt: een belastingplichtige die (i) inwoner is van een andere lidstaat van de EU, (ii) pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet, en (iii) onder overlegging van een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonstaat aannemelijk maakt dat hij in zijn woonstaat geen belasting is verschuldigd vanwege de geringe hoogte van zijn inkomen. Volgens de Toelichting wordt aan deze laatste eis voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in de woonstaat geen inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten.7.Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt volgens de Toelichting niet de situatie waarin de belastingplichtige in de woonstaat geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting zou zijn verschuldigd.8.
5.2.3
Enkel naar nationaal recht beoordeeld, zou artikel 21bis, lid 1, van het UBIB 2001 moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de Toelichting, en zou belanghebbende niet voldoen aan de eis uit die bepaling dat hij in zijn woonstaat geen belasting is verschuldigd vanwege de geringe hoogte van zijn inkomen.
5.2.4
Naar het Hof terecht heeft aangenomen, moet de nationale wettelijke regeling over kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen echter worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht, en brengt dit mee dat een belastingplichtige moet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige indien Nederland onder het Unierecht is gehouden om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hetzelfde geldt indien een uitleg van de nationale wet in overeenstemming met het Unierecht niet tot een met het Unierecht te verenigen oplossing zou leiden, omdat de rechter de nationale regeling dan op grond van rechtstreekse toepassing en voorrang van het Unierecht in zoverre buiten toepassing zou moeten laten. De Hoge Raad dient daarom na te gaan of Nederland in een geval als dit op grond van het Unierecht als werkstaat gehouden is met die situatie rekening te houden.
5.2.5
Indien een belastingplichtige is aan te merken als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige houdt Nederland in beginsel volledig rekening met de persoonlijke en gezinssituatie. Dat gebeurt echter niet voor zover in de woonstaat met de persoonlijke en gezinssituatie al rekening kan worden gehouden (artikel 7.8, lid 4, van de Wet IB 2001). Ook deze regeling dient te worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht.
5.2.6
De toetsing aan het Unierecht zal plaatsvinden in de onderdelen 5.3 tot en met 5.7 hierna.
Tegemoetkomingen op basis van het Unierecht – uitgangspunten
5.3.1
Een niet-ingezetene kan onder bepaalde voorwaarden een recht op fiscale tegemoetkomingen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie ontlenen aan het Unierecht. Dit volgt uit het Schumacker-arrest en de daarop voortbouwende rechtspraak van het Hof van Justitie. Deze rechtspraak is gebaseerd op bepalingen in (thans) het VWEU over het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen die een verbod van discriminatie op grond van nationaliteit inhouden, zoals het in dit geval toepasselijke artikel 45 VWEU, dat betrekking heeft op het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
5.3.2
Van discriminatie kan slechts sprake zijn wanneer op vergelijkbare situaties verschillende regels of op verschillende situaties dezelfde regels worden toegepast. Voor de directe belastingen bevinden ingezetenen en niet-ingezetenen zich volgens het Schumacker-arrest in de regel niet in vergelijkbare situaties, aangezien het inkomen dat een niet-ingezetene op het grondgebied van een lidstaat verwerft meestal slechts een deel is van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op de plaats waar hij woont, en de persoonlijke draagkracht van een niet-ingezetene gemakkelijker kan worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft.9.
5.3.3
Het is daarom volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie in beginsel de woonstaat die de belastingplichtige alle aan zijn persoonlijke en gezinssituatie verbonden fiscale voordelen moet toekennen.10.Wanneer een lidstaat niet-ingezetenen niet in aanmerking laat komen voor belastingvoordelen met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie, welke voordelen hij wel aan ingezetenen verleent, is dat onderscheid volgens die rechtspraak dan ook in de regel niet discriminerend, aangezien deze twee categorieën belastingplichtigen zich – gelet op hetgeen hiervoor in 5.3.2 is vermeld – niet in een vergelijkbare situatie bevinden.11.
5.3.4
Dit is anders in een geval waarin (i) de niet-ingezetene – werknemer of zelfstandige – geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat, beoordeeld naar de maatstaven van de in dat land geldende fiscale regels,12.en (ii) in een andere lidstaat (de werkstaat) het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie.13.
5.3.5
Voor het antwoord op de vraag of het inkomen is verdiend in de woonstaat of in de werkstaat, gaat de Hoge Raad ervan uit dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat daarbij geen rekening mag worden gehouden met inkomen waarover de desbetreffende staat geen belasting mag heffen op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting.14.
5.3.6
In een geval als hiervoor in 5.3.4 bedoeld, wordt de niet-ingezetene gediscrimineerd indien de werkstaat hem evenmin de voordelen toekent die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. De discriminatie is dan gelegen in de omstandigheid dat in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn belastbare inkomen verwerft in een andere staat dan zijn woonstaat.15.
5.3.7
Om die discriminatie te vermijden moet de werkstaat in deze gevallen niet-ingezetenen fiscaal behandelen als ingezetenen, en moet die staat hun dus de belastingvoordelen toekennen waarin zijn nationale wetgeving16.voorziet ten aanzien van ingezetenen met het oog op hun persoonlijke en gezinssituatie.17.Indien sprake is van meer werklidstaten, dienen de werklidstaten dit te doen naar evenredigheid met het aandeel van het totale inkomen dat de betrokkene op het grondgebied van elk van de werkstaten verdient.18.
5.3.8
Het doel van deze rechtspraak van het Hof van Justitie is dat de betrokken belastingplichtigen wordt verzekerd dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.19.
5.3.9
Deze rechtspraak strekt zich uit tot alle belastingvoordelen die verband houden met de fiscale draagkracht van een niet-ingezetene, waarvan diens persoonlijke en gezinssituatie in de zin van het Schumacker-arrest deel uitmaakt, en die in de woonstaat noch in de werkstaat van een werknemer worden verleend.20.Daartoe behoren, voor zover in deze zaak van belang, de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende alleenstaande ouderenkorting,21.de aftrek van negatieve inkomsten uit een eigen woning,22.alimentatie23.en specifieke zorgkosten.
Tegemoetkomingen op basis van het Unierecht – punten van twijfel
5.4.1
Uit de hiervoor in 5.3 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie kan niet buiten redelijke twijfel worden afgeleid welk deel van zijn belastbaar inkomen een werknemer moet verwerven in een andere lidstaat dan zijn woonstaat (de werkstaat) om een uitzondering te kunnen aannemen op de hoofdregel dat ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden. Het Hof is in deze zaak in zijn stappenplan (punt 11) ervan uitgegaan dat van vergelijkbaarheid in beginsel eerst sprake is indien een belastingplichtige 90 procent of meer van zijn wereldinkomen buiten de woonlidstaat verdient. De Nederlandse wetgever is bij de totstandkoming van artikel 7.8 van de Wet IB 2001 zonder meer ervan uitgegaan dat uit het arrest Gschwind van het Hof van Justitie24.volgt dat het criterium is of een werknemer zijn inkomen “geheel of nagenoeg geheel” in de werkstaat verdient, en dat dit criterium mag worden ingevuld als “ten minste 90 procent”.25.Het percentage van 90 is door het Hof van Justitie echter nooit met zoveel woorden als norm geformuleerd. De niet-bindende aanbeveling 94/79/EG van de Commissie26.hanteert een lager percentage, en bepaalt in artikel 2, lid 2, dat de lidstaten de inkomsten van niet-ingezeten natuurlijke personen niet zwaarder mogen belasten dan die van ingezetenen, wanneer de inkomsten die belastbaar zijn in de lidstaat waarvan de natuurlijke persoon niet-ingezetene is, minstens 75 procent van het totale belastbare inkomen van deze persoon in het belastingjaar bedragen. In het Commissie/Estland-arrest aanvaardde het Hof van Justitie de mogelijkheid dat de werkstaat de verantwoordelijkheid moet overnemen bij een inkomen in die staat van minder dan 90 procent van het wereldinkomen. Het Hof van Justitie besliste namelijk dat de werkstaat Estland in dat geval op grond van (thans) artikel 45 VWEU belastingverminderingen had moeten verlenen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene, die slechts circa 50 procent van haar totale inkomen in Estland verwierf en de rest in haar woonstaat (Finland).27.
5.4.2
Bovendien is niet duidelijk of, en zo ja, in welke gevallen het criterium met betrekking tot het inkomen in de werkstaat “geheel of nagenoeg geheel” moet zijn. Het Hof van Justitie heeft die maatstaf een aantal keren gehanteerd met betrekking tot het gezinsinkomen,28.maar heeft aan de andere kant in verschillende arresten met betrekking tot de belastingplichtige zelf als maatstaf “het grootste deel van zijn belastbaar inkomen” gebruikt.29.
5.4.3
Verder is het de vraag of wel een relatieve (procentuele) ondergrens moet worden gehanteerd met betrekking tot het inkomen dat in de werkstaat is verdiend. Voor een verschuiving van de verantwoordelijkheid naar de werkstaat is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie namelijk het beslissende criterium of de belastinggrondslag in de woonstaat niet toereikend is om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat de belanghebbende daar voldoende inkomen ontvangt.30.Dat was ook de reden waarom het Hof van Justitie in het Commissie/Estland-arrest aannam dat de verantwoordelijkheid op de werkstaat rustte. In dat geval kon de betrokkene in haar woonstaat volgens de daar geldende wetgeving niet worden belast wegens haar geringe wereldinkomen, waardoor de woonstaat haar draagkracht en persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kon nemen. Het Hof van Justitie zag daarom in dat geval aanleiding om af te wijken van het beginsel dat de woonstaat in staat moet zijn om de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in aanmerking te nemen wanneer bijna 50 procent van de totale inkomsten van de betrokkene in dat land worden verworven.31.
5.4.4
Aangezien een toereikende belastinggrondslag in de woonstaat dus het beslissende criterium is bij de hiervoor in 5.3.4 onder (ii) omschreven eis, dient zich de vraag aan of aan de relatieve omvang van het inkomen in de werkstaat daarnaast nog wel zelfstandige betekenis toekomt, en zo ja hoe die betekenis zich dan verhoudt tot het criterium van de toereikende belastinggrondslag in de woonstaat. Verdedigd zou kunnen worden dat de relatieve omvang van het inkomen in de werkstaat geen rol (meer) behoort te spelen bij de beoordeling of een niet-ingezetene vergelijkbaar is met een ingezetene. Zelfs wanneer een relatief gering deel van het inkomen van de betrokkene afkomstig is uit de werkstaat, bestaat immers de mogelijkheid dat zijn overige, in de woonstaat verdiende inkomen ontoereikend is om volgens de daar geldende belastingwetgeving rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Indien de relatief geringe omvang van het inkomen in de werkstaat in zo’n geval tot gevolg zou hebben dat de verantwoordelijkheid hiervoor niet op die staat komt te rusten, ook al zou het in die staat verdiende inkomen daartoe wel de ruimte bieden, zou het eindresultaat zijn dat in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene. Daarmee zou het hiervoor in 5.3.8 genoemde doel, dat de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokken belastingplichtigen uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, niet worden bereikt.
5.4.5
Zoals volgt uit de hiervoor in 2.2 en 2.5 vermelde gegevens, is van het wereldinkomen van belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 ongeveer 70 procent in Nederland verdiend, terwijl de overige circa 30 procent belastbaar is in zijn woonstaat Frankrijk. Hij heeft dus niet zijn gehele of nagenoeg zijn gehele belastbare inkomen in de werkstaat verdiend. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 is overwogen, is onder die omstandigheden niet zonder meer duidelijk of belanghebbende zich ten opzichte van zijn werkstaat Nederland in een vergelijkbare situatie als een ingezetene bevindt zoals bedoeld in de hiervoor in 5.3 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie. De Hoge Raad zal daarom op de voet van artikel 267 VWEU de in onderdeel 6 weergegeven eerste prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.5.1
Indien belanghebbende zich ten opzichte van zijn werkstaat Nederland in een vergelijkbare positie bevindt als een ingezetene, is een volgende vraag of Nederland dan gehouden is zijn persoonlijke en gezinssituatie – geheel of gedeeltelijk – in aanmerking te nemen, of dat daartoe alleen aanleiding bestaat indien de belastingplichtige geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat. Van het inkomen van belanghebbende in zijn woonstaat Frankrijk dat aldaar met inachtneming van het Verdrag mag worden belast, kan niet worden gezegd dat het niet van betekenis is. Het vormt ongeveer 30 procent van het wereldinkomen van belanghebbende, en in Frankrijk is daardoor gedeeltelijk rekening gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende (zie hiervoor in 2.6). In dit verband merkt de Hoge Raad nog op dat uit de bepalingen van het Verdrag niet blijkt dat Frankrijk door dat verdrag wordt ontheven van zijn verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van op zijn grondgebied wonende belastingplichtigen die hun economische activiteit (gedeeltelijk) in Nederland uitoefenen, voor zijn rekening te nemen.32.
5.5.2
Aan de ene kant kan worden gewezen op de hiervoor in 5.3.4 vermelde arresten van het Hof van Justitie waarin voor gelijkstelling met een ingezetene de eis wordt gesteld dat de betrokkene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat. Aan de andere kant sprak het Hof van Justitie in het arrest van 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102 van “een zodanig gering inkomen dat die staat hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al zijn inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.”33.Daarvan kan ook sprake zijn indien het inkomen in de woonstaat wel van enige betekenis is. Bovendien zou het weigeren van iedere tegemoetkoming door de werkstaat in de hiervoor in 5.5.1 bedoelde situatie ertoe leiden dat met zijn persoonlijke en gezinssituatie slechts ten dele rekening wordt gehouden, namelijk alleen in de woonstaat voor zover deze daartoe in staat is, gelet op de hoogte van het in dat land met inachtneming van een eventueel toepasselijk belastingverdrag belastbare inkomen van de betrokkene. Daarmee zou niet zijn verzekerd dat de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokken belastingplichtigen uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, zoals hiervoor in 5.3.8 bedoeld. Om die zekerheid te bieden, zou in gevallen als dit echter wel afstand moeten worden genomen van het uitgangspunt dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak lijkt te hanteren, inhoudende dat slechts één staat, hetzij de woonstaat hetzij de werkstaat, verantwoordelijkheid is om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Een verdeling van verantwoordelijkheden tussen die staten zou een afwijking betekenen van dat uitgangspunt.
5.5.3
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie valt niet buiten redelijke twijfel af te leiden hoe de hiervoor in 5.5.1 vermelde vraag moet worden beantwoord.
5.6.1
Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, en Nederland als werkstaat dus naast de woonstaat Frankrijk rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezetene als belanghebbende, is vervolgens de vraag in welke mate dit dan moet gebeuren. Hiervoor zijn verschillende oplossingen denkbaar.
5.6.2
Zo zou kunnen worden gedacht aan een oplossing waarbij de werkstaat in een geval als dit de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene steeds volledig, binnen de grenzen van de belastinggrondslag in die staat, in aanmerking moet nemen. Betoogd zou kunnen worden dat dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 juli 2021, BJ/België, C-241/20, ECLI:EU:C:2021:605, punt 57, waarin is overwogen dat het in voorkomend geval de werkstaat is die zijn belastingplichtigen ervan dient te verzekeren dat hun persoonlijke en gezinssituatie volledig en naar behoren in aanmerking zal worden genomen. Dat zou echter ertoe leiden dat met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene over het geheel genomen in grotere mate rekening wordt gehouden dan wanneer hij zijn belastbaar inkomen uitsluitend in zijn woonstaat of uitsluitend in zijn werkstaat had genoten. De Hoge Raad betwijfelt of een dergelijk resultaat, waarbij tegemoetkomingen als het ware dubbel worden vergolden, door het Hof van Justitie met het Schumacker-arrest is beoogd. Het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750 wijst eerder op het tegendeel. In dat arrest overwoog het Hof van Justitie namelijk dat de woonstaat is ontheven van de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een belastingplichtige, indien hij constateert dat een of meer staten waar de betrokkene werkt, dergelijke voordelen verlenen over de door hen belaste inkomsten.34.
5.6.3
Een minder vergaande, en volgens de Hoge Raad beter met de strekking van het Schumacker-arrest overeenstemmende oplossing, zou worden verkregen indien de werkstaat, als hij in een geval als dit gehouden zou zijn om aan de betrokken niet-ingezetene de tegemoetkomingen vanwege diens persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen waarin zijn nationale belastingwetgeving voor ingezetenen voorziet, daartoe naast de woonstaat slechts voor een deel zou hoeven over te gaan, daarbij rekening houdend met het feit dat de betrokkene dergelijke fiscale tegemoetkomingen ook in zijn woonstaat kan benutten, zij het niet volledig.
5.6.4
Indien zou worden gekozen voor een gedeeltelijke toekenning van tegemoetkomingen door de werkstaat als hiervoor in 5.6.3 bedoeld, zijn verschillende varianten denkbaar. De Hoge Raad zal hierna een viertal mogelijke varianten bespreken.
5.6.5
Ten eerste is een variant denkbaar waarin de werkstaat een belastingvermindering verleent die gelijk is aan het bedrag aan tegemoetkomingen op grond van de fiscale wetgeving in de woonstaat van de betrokkene dat hij heeft gemist doordat hij daar niet tevens het aan de werkstaat toe te rekenen inkomen heeft verworven.Het gevolg van deze eerste variant is dat zo nauwkeurig mogelijk rekening wordt gehouden met het fiscale voordeel dat de betrokkene had kunnen krijgen als gevolg van tegemoetkomingen in zijn woonstaat, als hij daar zijn gehele inkomen zou hebben verworven.Tegen deze variant kan worden ingebracht dat de werkstaat eventuele discriminatie van niet-ingezetenen moet herstellen door hun eenzelfde fiscale behandeling te geven als ingezetenen krijgen op grond van de wetgeving van die staat (zie hiervoor in 5.3.7), en niet door hun (gedeeltelijk) een belastingvoordeel te verlenen dat is gebaseerd op de wetgeving van een andere lidstaat. Het gevolg van het verlenen van een dergelijk aan buitenlands recht ontleend belastingvoordeel kan zijn dat deze niet-ingezetenen ongunstiger worden behandeld dan ingezetenen, maar ook dat zij juist gunstiger worden behandeld.
Verder kan tegen deze variant worden ingebracht dat het recht op vrij verkeer niet verlangt dat de ene lidstaat zich moet aanpassen aan de wetgeving van een andere. Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de verdragsbepalingen over het vrije verkeer een lidstaat niet verplichten om zijn belastingregeling aan te passen aan die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen.35.In dat licht kan worden betoogd dat het Schumacker-arrest en de daarop voortbouwende rechtspraak van het Hof van Justitie slechts tot doel heeft conflictregels te geven die ter voorkoming van discriminatie bepalen of de woonstaat dan wel de werkstaat de verantwoordelijkheid heeft om de in zijn wetgeving voorkomende fiscale tegemoetkomingen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige te verlenen. In die benadering zou deze rechtspraak dus niet zijn bedoeld om in bepaalde gevallen een gedeelde verantwoordelijkheid van de woon- en de werkstaat voor te schrijven, die noodzakelijkerwijs enige vorm van coördinatie tussen de toepassing van de beide betrokken belastingstelsels vergt. Op goede gronden kan worden betoogd dat een dergelijke coördinatie wetgevende maatregelen vergt, en niet tot de rechtsvormende taak van de rechter behoort.
5.6.6
Ten tweede is een variant denkbaar waarin de werkstaat de verschuldigde belasting zodanig berekent dat daarbij een belastingvermindering wordt toegepast die correspondeert met het bedrag van de volledige tegemoetkomingen waarop de betrokkene in die werkstaat recht zou hebben gehad als ingezetene, onder aftrek van het bedrag van de belastingvermindering die hij in zijn woonstaat krijgt als gevolg van de tegemoetkomingen die de woonstaat hem verleent.Het gevolg van deze variant is dat de belastingplichtige in de betrokken landen tezamen bezien een belastingvermindering krijgt die zo nauwkeurig mogelijk aansluit bij het bedrag van de tegemoetkomingen die ingezetenen van de werkstaat in aanmerking zouden kunnen nemen.De werkstaat verzekert op die manier dat niet-ingezetenen, over het geheel genomen, niet meer belasting betalen dan ingezetenen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren. Dat sluit aan bij het doel van het Schumacker-arrest en de daarop volgende jurisprudentie van het Hof van Justitie om discriminatie van niet-ingezetenen door de werkstaat te vermijden (zie hiervoor in 5.3.7). Ook tegen deze variant kan worden ingebracht dat het recht op vrij verkeer niet verlangt dat de ene lidstaat zich moet aanpassen aan de belastingwetgeving van een andere (zie hiervoor in 5.6.5).
5.6.7
Ten derde is een variant denkbaar waarin de werkstaat de tegemoetkomingen waarop de betrokkene in die staat recht zou hebben gehad als ingezetene gedeeltelijk verleent, en wel naar rato van de mate waarin de betrokkene de tegemoetkomingen van zijn woonstaat heeft gemist in vergelijking met de situatie waarin hij zijn gehele inkomen in die staat had verworven.Op deze manier wordt enigszins, maar minder nauwkeurig dan in de eerste variant, aangesloten bij het fiscale voordeel dat de betrokkene had kunnen krijgen wegens tegemoetkomingen in zijn woonstaat, als hij daar zijn gehele inkomen zou hebben verworven. Tegen deze variant pleit dat die minder bijdraagt aan gelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen in de werkstaat dan de hiervoor in 5.6.6 besproken tweede variant. En ook tegen deze variant kan worden ingebracht dat het recht op vrij verkeer niet verlangt dat de ene lidstaat zich moet aanpassen aan de belastingwetgeving van een andere (zie hiervoor in 5.6.5).
5.6.8
Ten vierde is een variant denkbaar waarin de werkstaat de tegemoetkomingen waarop de betrokkene in die staat recht zou hebben gehad als ingezetene, gedeeltelijk verleent, en wel naar rato van het – naar het nationale recht van die staat vast te stellen – gedeelte van zijn wereldinkomen dat de betrokkene in deze werkstaat heeft verworven.Het Hof heeft in deze zaak gekozen voor die variant (zie hiervoor in 3.7). Die methode is geïnspireerd door de benadering van het Hof van Justitie in de zaak X,36.waarbij moet worden gewezen op het feit dat het in die zaak niet ging om de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de woon- en de werkstaat, maar tussen twee werkstaten onderling. De hiervoor in 5.5.2 bedoelde vraag of een gedeelde verantwoordelijkheid van de woon- en werkstaat mogelijk is, was daar dus niet aan de orde. Een voordeel van deze variant is dat zij, door slechts rekening te houden met de omvang van de inkomens die in verschillende landen zijn genoten, niet verlangt dat de ene lidstaat zich aanpast aan de belastingwetgeving van een andere lidstaat, en daardoor ook betrekkelijk eenvoudig toepasbaar is, aangezien geen onderzoek nodig is naar de in een ander land verschuldigde belasting. Een nadeel is dat, door het vrij grove, forfaitaire karakter van deze variant, in de werkstaat wordt geabstraheerd van de mate waarin de woonstaat rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Daardoor is in deze variant niet verzekerd dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene uiteindelijk volledig in aanmerking wordt genomen.
5.6.9
Hetgeen hiervoor in 5.6.5 tot en met 5.6.8 is overwogen, leidt tot de conclusie dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie niet duidelijk volgt welke van de hiervoor besproken varianten, of wellicht nog een andere variant, dient te worden gekozen indien de werkstaat in een geval als dit aan een niet-ingezeten belastingplichtige, naast de woonstaat, een gedeelte moet toekennen van de belastingvoordelen waarin zijn nationale belastingwetgeving voor ingezetenen voorziet met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene.
5.7.1
Indien de werkstaat daarbij, in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 5.6.3 is overwogen, rekening zou moeten houden met de mate waarin een niet-ingezeten belastingplichtige fiscale tegemoetkomingen wegens zijn persoonlijke en gezinssituatie in zijn woonstaat heeft kunnen benutten, rijst ook de vraag of dit geïsoleerd moet worden beoordeeld per fiscale tegemoetkoming, of dat hierbij naar het totaal aan fiscale tegemoetkomingen in de woonstaat moet worden gekeken. Zo zou een beoordeling per fiscale tegemoetkoming bijvoorbeeld betekenen dat een belastingplichtige zoals belanghebbende zijn negatieve inkomsten uit een eigen woning in Frankrijk geheel mag aftrekken in zijn werkstaat Nederland, indien het Franse recht een dergelijke tegemoetkoming niet kent en hij in Frankrijk dus geen aftrekmogelijkheid ter zake – geheel of ten dele – heeft benut. Daarbij moet worden opgemerkt dat de stukken van het geding geen aanwijzingen bevatten dat zo’n aftrekmogelijkheid in Frankrijk bestaat. Indien daarentegen naar het totaal aan fiscale tegemoetkomingen in de woonstaat moet worden gekeken (de tweede benadering), ligt het voor de hand dat moet worden beoordeeld of de belastingplichtige het geheel van de in zijn woonstaat, in dit geval Frankrijk, bestaande fiscale tegemoetkomingen volledig heeft kunnen benutten. Als dit niet het geval is, zou hij in deze tweede benadering in zijn werkstaat, in dit geval Nederland, in aanmerking komen voor gedeeltelijke toepassing van de daar geldende en voor hem relevante tegemoetkomingen, waaronder in dit geval de aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning, welk gedeelte wordt berekend volgens een van de hiervoor in 5.6.9 bedoelde varianten.
5.7.2
Het Hof is in zijn stappenplan (punt 22 en 23) uitgegaan van die tweede benadering. Het heeft daartoe overwogen dat complicaties zouden ontstaan bij toepassing van een benadering per soort persoonlijke tegemoetkoming, en dat daarmee bovendien dispariteiten tussen de belastingstelsels zouden kunnen worden miskend. Belanghebbende bestrijdt deze benadering in cassatie met zijn hiervoor in 4.3 weergegeven betoog, waarin hij pleit voor toepassing van een zogenoemde soort-voor-soortbenadering.
5.7.3
Voor deze tweede benadering pleit dat zij, bezien vanuit de fiscale tegemoetkomingen die de werkstaat kent, beter aansluit bij het hiervoor in 5.3.8 vermelde doel dat de betrokken belastingplichtigen wordt verzekerd dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen. Daartegen pleit dat deze benadering in hoge mate verlangt dat de ene lidstaat zich aanpast aan de wetgeving van een andere (zie hiervoor in 5.6.5). Bovendien rijst in deze benadering de vraag welke tegemoetkomingen de belastingplichtige in zijn woonstaat heeft gemist en in welke mate, indien zijn daar verdiende inkomen lager is dan de som van alle in zijn geval in de woonstaat voor toepassing in aanmerking komende tegemoetkomingen met het oog op de persoonlijke en gezinssituatie. Zo verschillen partijen in dit geval van mening over de vraag of de belastingvrije som bij de belastingheffing in Frankrijk als eerste in aanmerking moet worden genomen, voordat aan aftrekposten wordt toegekomen, of dat aftrekposten eerst in aanmerking moeten worden genomen voordat aan de belastingvrije som wordt toegekomen. Evenzo rijst in de door belanghebbende bepleite benadering per fiscale tegemoetkoming de vraag in welke volgorde aftrekposten in de woonstaat in aanmerking moeten worden genomen, omdat anders niet kan worden vastgesteld welke aftrekpost(en) de belastingplichtige als gevolg van zijn relatief geringe inkomen in de woonstaat heeft gemist en voor welk bedrag.
5.7.4
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt niet duidelijk welke van deze twee benaderingen de juiste is.
5.7.5
Bij toepassing van de hiervoor in 5.6.6 en 5.6.7 bedoelde tweede en derde variant, wordt door de werkstaat rekening gehouden met de omvang van het belastingvoordeel dat de betrokkene in zijn woonstaat geniet in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Belanghebbende heeft zich in cassatie op het standpunt gesteld dat aan een dergelijke bestrijding van cumulatie van voordelen de voorwaarde moet worden gesteld dat deze wettelijk is vastgelegd in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat, dan wel in het van toepassing zijnde belastingverdrag. De Hoge Raad betwijfelt of dit betoog juist is aangezien het Hof van Justitie in het arrest van 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:EU:C:2013:822, heeft overwogen dat het de betrokken lidstaten vrij staat om rekening te houden met belastingvoordelen die een andere lidstaat eventueel toekent, mits de belastingplichtige wordt verzekerd dat diens gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.37.Met de verwijzing in punt 70 van dat arrest naar nationale belastingregelingen is echter niet zonder meer duidelijk of het Hof van Justitie daarbij het oog heeft op voorschriften die zijn vastgelegd in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat. Of die eis van een wettelijke grondslag moet worden gesteld kan echter in het midden blijven, aangezien artikel 7.8, lid 4, van de Wet IB 2001 – uitgaande van een met het Unierecht strokende uitleg van dat artikel (zie hiervoor in 5.2.5) – een voldoende wettelijke grondslag biedt om bij de Nederlandse belastingheffing van een niet-ingezetene rekening te houden met aftrekposten die bij de belastingheffing in diens woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen.
5.7.6
Bij toepassing van sommige van de hiervoor bedoelde varianten kan het resultaat zijn dat de werkstaat aan een niet-ingezetene verdergaande tegemoetkomingen wegens de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen dan aan ingezetenen met hetzelfde inkomen. Het oordeel van het Hof, zoals hiervoor in 3.7 samengevat weergegeven, houdt in dat een dergelijk resultaat verder gaat dan nodig is om discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in de werkstaat tegen te gaan. Het Hof is daarom van oordeel dat de belastingvermindering die de woonstaat op grond van het verbod van discriminatie moet toepassen, niet verder hoeft te gaan dan de vermindering waarop de belastingplichtige recht zou hebben als hij ingezetene van die lidstaat zou zijn. De Hoge Raad acht deze benadering juist, gezien het arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2015, Hirvonen, C-632/13, ECLI:EU:C:2015:765,38.en gelet op hetgeen hiervoor in 5.6.2 is overwogen, maar is van oordeel dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie niet buiten redelijke twijfel volgt of de door de werkstaat te verlenen tegemoetkomingen op deze wijze mogen worden beperkt, dan wel op enige andere wijze.De mogelijkheid van overcompensatie zou ook een reden kunnen zijn om niet te kiezen voor een variant die deze mogelijkheid biedt.
5.8
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5.3, 5.6.2, 5.6.9, 5.7.4 en 5.7.6 is overwogen, is naar het oordeel van de Hoge Raad voor redelijke twijfel vatbaar of, en zo ja in hoeverre, de werkstaat bij de heffing van inkomstenbelasting rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezetene die zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in deze werkstaat verdient, en die daarnaast in zijn woonstaat belastbare inkomsten van betekenis geniet die op grond van een toepasselijk belastingverdrag in die staat mogen worden belast, maar waarvan de omvang onvoldoende is om in de woonstaat volledig rekening te kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. De Hoge Raad zal daarom op de voet van artikel 267 VWEU de hierna in onderdeel 6 weergegeven tweede prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie de volgende vragen over de uitleg van het Unierecht te beantwoorden:
1. Moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat een niet-ingezeten belastingplichtige die in een lidstaat werkzaamheden in loondienst (heeft) verricht, zich bij de heffing van inkomstenbelasting ten opzichte van deze werkstaat slechts in een vergelijkbare situatie als een ingezetene bevindt indien hij zijn belastbare inkomen geheel of nagenoeg geheel in die werkstaat heeft verworven?
2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, is die werkstaat dan verplicht, en zo ja in hoeverre, om bij de heffing van inkomstenbelasting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in een geval waarin deze in de lidstaat waar hij woont weliswaar inkomsten van betekenis heeft genoten die aldaar met inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag mogen worden belast, maar deze inkomsten in absolute zin onvoldoende zijn om de in deze woonstaat geldende tegemoetkomingen volledig te kunnen benutten?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Bijlage: de tekst van artikel 7.8 van de Wet IB 2001 en artikel 21bis van het UBIB 2001.
Bijlage
1. Artikel 7.8 van de Wet IB 2001, voor zover van belang:39.
“1 Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:
1°. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en
2°. de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6.
(…)
6 Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en:
a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of
b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting,
onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.
7 Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder het inkomen van de buitenlandse belastingplichtige verstaan het volgens de regels voor binnenlands belastingplichtigen berekende verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, van die belastingplichtige, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor inkomensvoorzieningen, persoonsgebonden aftrek en aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, waarbij voor het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen. Het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, bedoeld in het zesde lid, is het zonder de toepassing van dit artikel bepaalde gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.
8 Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op vergelijkbare buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. De aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan ook betrekking hebben op een deel van het jaar.”
2. Artikel 21bis van het UBIB 2001, voor zover van belang:40.
“1 Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; en
c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
(…).”
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:441, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:442.
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek van 16 maart 1973, Trb. 1973, 83, laatstelijk gewijzigd op 24 juli 2005, Trb. 2004, 150.
HvJ 10 mei 2012, Commissie tegen Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282.
Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 24.
Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 23.
Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2014, 579, blz. 19.
Vgl. ook hiervoor in 3.3.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punten 31 en 32.
HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 90.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 34.
HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 36; HvJ 11 augustus 1995, Wielockx, C-80/94, ECLI:EU:C:1995:271, punt 20; HvJ 28 februari 2013, Ettwein, C-425/11, ECLI:EU:C:2013:121, punt 47; HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:EU:C:2013:822, punten 43 en 44.
Vgl. HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 49.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 38.
Zie HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 48.
Vgl. HvJ 10 mei 2012, Commissie tegen Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punt 52.
HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102.
HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 101.
HvJ 18 juli 2007, Lakebrink en Peters-Lakebrink, C-182/06, ECLI:EU:C:2007:452, punt 34, en HvJ 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, punt 27.
Zie punt 5.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Vgl. ook HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 110, en HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403, punt 19.
HvJ 16 oktober 2008, Renneberg, C-527/06, ECLI:EU:C:2008:566, punten 63 tot en met 68.
HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, en HvJ 10 maart 2022, Commissie tegen België, C-60/21, ECLI:EU:C:2022:172.
HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409.
Aanbeveling 94/79/EG van de Commissie van 21 december 1993 betreffende belastingen op bepaalde inkomsten die door niet-ingezetenen verworven zijn in een andere Lid-Staat dan die waarvan zij ingezetene zijn (PB 1994, L 39, blz. 22).
HvJ 10 mei 2012, Commissie tegen Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282.
Zie naast het arrest HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409 ook HvJ 12 december 2012, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 89.
HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31, punt 36, HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409, punt 27, en HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403, punt 17.
HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 42, en HvJ 15 juli 2021, BJ/België, C-241/20, ECLI:EU:C:2021:605, punt 39.
HvJ 10 mei 2012, Commissie tegen Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punten 54 tot en met 56.
Vgl. HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 99.
HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 39.
HvJ 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, ECLI:EU:C:2002:750, punt 100.
Zie HvJ 28 februari 2008, Deutsche Shell, C-293/06, ECLI:EU:C:2008:129, punt 43, en HvJ 23 oktober 2008, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt, C-157/07, ECLI:EU:C:2008:588, punt 50.
HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 48.
HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:EU:C:2013:822, punt 79.
HvJ 19 november 2015, Hirvonen, C-632/13, ECLI:EU:C:2015:765, punt 48.
Stb. 2013, 565.
Stb. 2014, 579.
Beroepschrift 18‑07‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/02359) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 18 mei 2022, nr. 21/00228, inzake de erven van [A] te [Z] (België) betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 2015.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 5 juli 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van artikel 3.110 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en het EU-recht en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in Nederland recht heeft op vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning met de negatieve inkomsten uit zijn in België gelegen eigen woning ondanks dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Belanghebbende woont in het jaar van geschil, 2015, in België. Hij geniet in 2015 belastbaar inkomen in zowel België als Nederland. Voor de overige feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de hofuitspraak.
Inkomenscriterium werkstaat
Ingevolge artikel 7.8, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001) kan belanghebbende niet worden aangemerkt als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Een voorwaarde voor een belastingplichtige om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, is dat zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Aan die voorwaarde voldoet belanghebbende niet, nu zijn inkomen dat in Nederland aan belastingheffing is onderworpen voor 58% deel uitmaakt van zijn totale inkomen.1. Daarbij is ervan uitgegaan dat het inkomen naar Nederlandse maatstaven dient te worden berekend. Het Hof geeft aan het inkomensbegrip een andere uitleg, in die zin dat het inkomen niet (geheel) naar Nederlandse maatstaven dient te worden berekend. Het Hof is van oordeel dat het deel van het inkomen dat ter heffing aan België is toegewezen, moet worden vastgesteld naar Belgische maatstaven. Dit deel van het inkomen heeft het Hof vastgesteld op € 882,59.2. Daarvan uitgaande maakt naar het oordeel van het Hof het inkomen van belanghebbende dat in Nederland aan belastingheffing is onderworpen voor 98,9% deel uit van het wereldinkomen3. en is sprake van een ‘klassieke Schumacker-situatie’. Naar mijn mening is 's Hofs oordeel dat sprake is van een Schumacker-situatie niet juist.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) is het in beginsel aan de woonstaat om de belastingplichtige de belastingvoordelen toe te kennen die verband houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie (en hiervoor een aftrek of tegemoetkoming te verlenen). De woonstaat is immers, uitzonderingen daargelaten, het beste in staat om de fiscale draagkracht van de belastingplichtige te beoordelen, aangezien de belastingplichtige in zijn woonstaat doorgaans het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechteiijke belangen heeft. Zie HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C: 1995:31, punt 32; HvJ 5 juli 2005, D, C-376/03, ECLI:EU:C:2005:424, punt 36 en HvJ 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C-147/18, ECLI:EU:C:2019:205, punt 26. Ingezetenen betalen in hun woonstaat belasting over hun inkomen dat zij wereldwijd behalen. Het is derhalve de woonstaat die het best bij de belastingheffing over het totale inkomen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift van de woonstaat naar de werkstaat, indien de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in de werkstaat, zodat de woonstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33. Het is dus slechts in uitzonderingsgevallen aan de werkstaat om aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie te verlenen, en wel in die gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kan houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend. Zie HR 8 oktober 2021, ECLI: NL:HR:2021:1472, onderdeel 4.3.
Van een discriminatie in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de EU tussen ingezetenen en niet-ingezetenen kan slechts sprake zijn indien, ongeacht het feit dat de twee categorieën belastingplichtigen in verschillende lidstaten verblijven, wordt vastgesteld dat zij zich, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen, in een vergelijkbare situatie bevinden. Zie HvJ 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, ECLI:EU:C:2015:406, punt 24. Dit is het geval wanneer een niet-ingezeten belastingplichtige geen inkomsten van betekenis in zijn woonstaat verwerft en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit een in de werkstaat uitgeoefende activiteit, zodat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die ontstaan wanneer met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening wordt gehouden. Zie Kieback, C-9/14, punt 25. Onder die omstandigheden bevindt een niet-ingezetene zich in de werkstaat in een vergelijkbare situatie als de ingezetene. De werkstaat dient de niet-ingezetene dan fiscaal te behandelen als een ingezetene en moet hem de belastingvoordelen toekennen waarin de werkstaat voor de ingezetenen voorziet. Zie HvJ 10 mei 2012, Commissie v. Estland, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punt 52. Ervan uitgaande dat een niet-ingezetene dezelfde fiscale behandeling dient te krijgen als de ingezetene dient het (wereld)inkomen van de niet-ingezetene, evenals dat van de ingezetene, naar de nationale maatstaven van de werkstaat te worden berekend. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt niet dat voor het vaststellen van het totale gezinsinkomen van belang is of en in hoeverre een deel van het inkomen ingevolge een bilateraal belastingverdrag ter heffing aan de woonstaat is toegewezen, om vervolgens dit deel van het inkomen naar de (andere) maatstaven van de woonstaat vast te stellen. Ik meen derhalve dat de opvatting van het Hof niet juist is.
De vraag is of belanghebbende zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel heeft verdiend in Nederland, zodat de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende verschuift van de woonstaat België naar de werkstaat Nederland. Om te bepalen of Nederland rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie moet de hoogte van het wereldinkomen en het deel van het totale inkomen dat in Nederland is verdiend, worden vastgesteld. Aan de orde is of de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie aan Nederland moet worden toebedeeld. Daarom dient mijns inziens de vaststelling van het (wereld)inkomen naar Nederlandse maatstaven te geschieden. Voor de beoordeling of in Nederland het inkomen geheel of nagenoeg geheel wordt verdiend, is niet bepalend hoe België het deel van het totale inkomen dat ingevolge het verdrag tussen Nederland en België,4. ter heffing aan België is toegewezen, berekent. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende in 2015 zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdiend en verschuift de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet van België naar Nederland.
Woonstaatcriterium
Volledigheidshalve merk ik op dat indien een niet-ingezetene het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen verwerft in een andere lidstaat dan zijn woonstaat waardoor deze geen rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie, de discriminatie dan is gelegen in het feit dat in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de niet-ingezetene. Zie Kieback, C-9/14, punt 26. Bij een belastingvoordeel dat samenhangt met de draagkracht volstaat de enkele omstandigheid dat een niet-ingezetene in de werkstaat inkomsten heeft verworven onder dezelfde voorwaarden als een ingezetene van die staat niet om zijn situatie objectief vergelijkbaar te achten met die van deze ingezetene. Om een dergelijke objectieve vergelijkbaarheid te kunnen vaststellen, is tevens vereist dat de woonstaat, vanwege het feit dat de niet-ingezetene het belangrijkste deel van zijn inkomen in de werkstaat heeft verworven, niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie. Zie Kieback, C-9/14, punt 28. De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift niet naar de werkstaat indien de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend is en de belastingplichtige aldaar in de belastingheffing wordt betrokken, zodat de woonstaat overeenkomstig zijn wettelijke regeling rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Zie HvJ 14 september 1999, Gschwind, C-391/97, ECLI:EU:C:1999:409, punt 29, waaruit volgt dat de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend was omdat ongeveer 42% van het wereldinkomen van het echtpaar Gschwind in de woonstaat werd verkregen.
In Commissie v. Estland is gepreciseerd dat als krachtens de belastingwetgeving van de woonstaat een belastingplichtige wegens een gering wereldinkomen in die staat niet belastbaar is, bij het belasten van inkomen verworven in een andere staat de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking moeten worden genomen.
De vraag is of de uitleg van het EU-recht door het HvJ, onder meer neergelegd in voornoemde arresten van het HvJ, in de situatie van belanghebbende, een niet-ingezetene van Nederland, ertoe leidt dat Nederland bij de belastingheffing rekening dient te houden met de negatieve inkomsten uit de eigen woning in België. Zoals hiervoor opgemerkt rust de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen in beginsel op de woonstaat. Deze verplichting verschuift van de woonstaat naar de werkstaat enkel wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat verdient én in de woonstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat deze laatste hem niet de voordelen kan toekennen die uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien. Zie ook BJ, C-241/20, punt 37 en HvJ 22 juni 2017, Bechtel, C-20/16, EU:C:2017:488, punt 56.
Het beslissende criterium is dat de woonstaat de persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kan nemen wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat daar voldoende inkomen wordt ontvangen. Zie X, C-283/15, punt 42 en BJ, C-241/20, punt 39. De inkomsten ontvangen in de woonstaat moeten (objectief) in de belastingheffing kunnen worden betrokken. Zie voor dit specifieke punt ook HvJ 1 juli 2004, Wallentin, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403. In dit arrest is beslist dat wanneer ontvangen bedragen naar hun aard niet aan de heffing in de woonstaat worden onderworpen, de werkstaat waarin het volledige belastbare inkomen wordt verdiend rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Bij voldoende belastbaar (wereld)inkomen in de woonstaat, blijft de plicht rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige op de woonstaat rusten.
Belanghebbende heeft in 2015 inkomsten genoten waarover in België belasting is geheven. Er is geen sprake een situatie waarin het inkomen van belanghebbende in zijn woonstaat niet belastbaar is omdat zijn inkomsten vanwege hun aard'(zie Wallentin, C-169/03) of geringe omvang (zie Commissie v. Estland, C-39/10) niet in de heffing zijn betrokken, waardoor de woonstaat de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking zou kunnen nemen.
Belanghebbende heeft in België de fiscale faciliteit ten behoeve van de eigen woning (woonbonus) benut. Daarmee heeft België, als woonstaat, rekening gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.
Conclusie
Het inkomen van belanghebbende dat in Nederland is onderworpen aan de belastingheffing, maakt voor 58% deel uit van zijn totale inkomen, dat — evenals bij een ingezetene van Nederland — naar Nederlandse maatstaven is berekend. Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van België over te nemen. Belanghebbende heeft inkomen genoten ten aanzien waarvan in België belastingheffing heeft plaatsgevonden en heeft gebruikgemaakt van de aldaar geldende fiscale faciliteit ten behoeve van de eigen woning. Daarmee heeft de woonstaat rekening gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De omstandigheid dat de door België verleende fiscale faciliteit niet geheel is gebruikt en minder gunstig is dan de Nederlandse eigenwoningregeling vloeit voort uit de dispariteit tüssen de nationale belastingstelsels van Nederland en België en leidt niet tot strijdigheid met het EU-recht. Ten onrechte is het Hof van oordeel dat het EU-recht Nederland ertoe dwingt (ook) aftrek van de negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning te verlenen aan belanghebbende.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
(€ 77.880/€ 134.567) x 100% = 58%
€ 553 (inkomsten uit onroerende zaken; zie onderdeel 2.10 van de uitspraak) en € 329,59 (inkomsten uit roerende zaken; zie onderdeel 2.11 van de uitspraak).
(€ 77.880/(€ 77.880 + € 882,59)) x 100% = 98,9%
Belastingverdrag tussen Nederland en België van 5 juni 2001, Trb. 2001, 136.
Conclusie 31‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:442 Inwoner van Frankrijk met pensioen uit Nederland dat deels aan Frankrijk is toegewezen; (i) kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) UBIB 2001? (ii) EU-Schumackerdoctrine; (pro rata) aftrek hypotheekrenteaftrek, zorgkosten en partneralimentatie? De belanghebbende woont Frankrijk en genoot in 2015 en 2016 twee pensioenuitkeringen waarvan de ene aan Nederland is toegewezen en de andere aan Frankrijk. Hij was in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd omdat zijn in Frankrijk onderworpen inkomen in beide jaren beneden de daar geldende belastingvrije som bleef. Behalve de belastingvrije som heeft Frankrijk dus geen rekening kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie (hypotheekrente voor de eigen woning, zorgkosten en betaalde partneralimentatie). In geschil is of de belanghebbende in Nederland aanspraak heeft op die aftrekken, hetzij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) UBIB 2001, hetzij op grond van EU-recht (vrijheid van personenverkeer). Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de belanghebbende voor 2015 niet aannemelijk gemaakt dat het niet-verschuldigd zijn van Franse inkomstenbelasting uitsluitend het gevolg is van de geringe hoogte van het inkomen, zoals zowel het Unierecht als het daarop gebaseerde art. 21bis UBIB 2001 vereist. Voor 2016 heeft de Rechtbank geoordeeld dat het EU-recht noopt tot tegemoetkoming door Nederland vanwege het geringe inkomen in de woonstaat. Hof ‘s-Hertogenbosch heeft in een bijlage bij zijn uitspraak een stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ zijns inziens moet worden begrepen: “1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen. 2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. 3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. 4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.” Dit leidt er in casu toe dat de belanghebbende deels tegemoetkoming wordt verleend, namelijk voor het breukdeel ‘belast gezinsinkomen in Nederland / wereldinkomen’ (naar Nederlandse maatstaven bepaald) met als bovengrens de aftrekken die hij genoten zou hebben als zijn hele inkomen in Nederland was onderworpen. In cassatie stel de belanghebbendes vier middelen voor. Hij bestrijdt onder meer ‘s Hofs plafond en met diens pro rata benadering. Zijns inziens moet niet vanuit het totaal van subjectgebonden voordelen, maar per soort tegemoetkoming van de bronstaat bezien worden of in Frankrijk een equivalent volledig benut is kunnen worden; zo neen, dan moet Nederland inspringen. De Staatssecretaris daarentegen betoogt dat art. 7.8 Wet IB 2001 noch het EU-recht Nederland verplicht om rekening te houden met belanghebbendes omstandigheden. Die verplichting rust op de woonstaat. Alleen als de belastinggrondslag daar ontoereikend is en de belastingplichtige daar niet in de heffing wordt betrokken waardoor geen rekening kan worden gehouden met zijn omstandigheden, doet zich de uitzondering voor dat de bronstaat er rekening mee moet houden. Het totale pensioeninkomen stijgt ruim uit boven de Franse belastingvrije som, zodat Nederland als bronstaat niet ook nog rekening hoeft te houden met belanghebbendes omstandigheden. A-G Wattel meent met het Hof dat belanghebbende niet kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige onder art. 7.8 Wet IB 2001 en dat daarom beoordeeld moet worden of EU-recht Nederland noopt tot tegemoetkoming van de belanghebbende op het punt van renteaftrek. Bij zijn conclusie gaat een bijlage waarin de Schumacker-rechtspraak van het HvJ wordt uiteengezet en becommentarieerd. Hij acht die rechtspraak onverenigbaar met EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) de art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Volgens de A-G is Nederland verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van het inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van het inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Dat betekent dat ’s Hofs stappen 1 t/m 3 overgeslagen moeten worden en dat alleen stap 4 relevant en vereist is: Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn en hen dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc. (fractionele heffing). Het HvJ is in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) die correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als er enig inkomen in de woonstaat onderworpen is. Nationale rechters zullen het, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ. Daarom geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het HvJ in de zaak met nummer 22/02356 met dezelfde conclusiedatum prejudiciële vragen voor te leggen van de volgende strekking: Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbal-makelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/68 en art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 30% van het inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) als het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden? Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02362
Datum 31 maart 2023
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting 2015 en 2016
Nr. Gerechtshof 20/00549 en 21/00429
Nr. Rechtbank BRE 19/2337 en BRE 20/4763
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaken van
[X]
tegen
Staatssecretaris van Financiën
en vice versa
1. Overzicht
1.1
Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaken 22/02356 en 22/02359 waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die gemeenschappelijke bijlage ga ik in op de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het hof van Justitie van de EU (HvJ) en op de gevolgen daarvan voor de inkomstenbelastingstelsels van de EU-lidstaten, met name Nederland.
1.2
De belanghebbende [X] woonde in 2015 en 2016 in Frankrijk. Hij genoot een AOW-pensioen van de SVB (2015: € 13.341 en 2016: € 13.676) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP (2015: € 31.959 en 2016: € 31.959). Het belastingverdrag tussen Frankrijk en Nederland wijst het ABP-pensioen ter heffing toe aan Nederland en het AOW-pensioen aan Frankrijk.
1.3
Over 2015 en 2016 heeft hij geen Franse inkomstenbelasting betaald omdat het aan Frankrijk toegewezen AOW-pensioen beneden de Franse belastingvrije som bleef. In geschil is of hij in Nederland aanspraak heeft op aftrek van zorgkosten, betaalde partneralimentatie en negatieve inkomsten uit zijn Franse eigen woning, hetzij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zoals bedoeld in art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001), hetzij op grond van het EU-rechtelijke vrije personenverkeer, nu Frankrijk naast de toekenning van de Franse belastingvrije som tot aan het bedrag van de aan Frankrijk toegewezen AOW-pensioen geen rekening heeft kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. De Inspecteur meent van niet; de belanghebbende meent van wel.
1.4
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft belanghebbendes beroep voor 2015 ongegrond verklaard omdat de belanghebbende haars inziens niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet-verschuldigd zijn van Franse inkomstenbelasting uitsluitend het gevolg is van de geringe hoogte van het inkomen, zoals zowel het Unierecht als het daarop gebaseerde art. 21bis UBIB 2001 vereist. Voor 2016 daarentegen heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep gegrond verklaard. Weliswaar is hij geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, gelet op de toelichting bij art. 21bis UBIB dat die bepaling niet geldt als geen woonlandbelasting is verschuldigd als gevolg van de daar geldende belastingvrije som, maar het EU-recht noopt wel tot tegemoetkoming omdat de belanghebbende een zodanig gering inkomen in zijn woonstaat Frankrijk heeft dat de Schumacker-rechtspraak van het HvJ Nederland noopt tot toekenning van de Nederlandse belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende.
1.5
De belanghebbende heeft tegen de uitspraak over 2015 hoger beroep ingesteld; de Inspecteur tegen de uitspraak over 2016. Ter zake van art. 21bis UBIB komt het Hof ’s-Hertogenbosch voor 2016 tot dezelfde conclusie als de Rechtbank: naar nationaal recht heeft de belanghebbende, mede gezien de toelichting op art. 21bis UBIB, geen aanspraak op fiscale tegemoetkomingen. Voor wat betreft het Unierecht heeft het Hof in een bijlage bij zijn uitspraak uitgewerkt hoe de vraag naar een eventuele verplichting van de bronstaat tot inaanmerkingneming van de persoonlijke omstandigheden van niet-ingezetenen moet worden beantwoord, uitgaande van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ. Hij heeft daartoe een stappenplan ontwikkeld en dat plan vervolgens toegepast op belanghebbendes geval. Die stappen zijn de volgende:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
1.6
Deze stappen leiden er in belanghebbendes geval toe dat Nederland deels, nl. op basis van de breuk ‘belast gezinsinkomen in de werkstaat / wereldinkomen’ (bepaald naar Nederlandse maatstaven) fiscale tegemoetkomingen moet verlenen wegens te gering inkomen in de woonstaat om daar gebruik te maken van de tegemoetkomingen. Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep inzake 2015 daarom gegrond verklaard. Hij heeft echter ook het hogere beroep van de inspecteur inzake 2016 gegrond verklaard omdat de vergelijking bij stap 4 met de belasting die een vergelijkbare ingezetene onder vergelijkbare omstandigheden in Nederland zou betalen, uitwijst dat de belanghebbende in 2016 niet teveel heeft betaald.
1.7
Zowel de belanghebbende als de Staatssecretaris hebben cassatieberoep ingesteld. De belanghebbende betrekt zijn cassatieberoep op beide belastingjaren 2015 en 2016. De Staatssecretaris schrijft dat ook zijn cassatieberoep beide aanslagen 2015 en 2016 betreft, maar zijn cassatiemiddel ziet alleen op 2015.
1.8
Middel (i) van de belanghebbende (2016) klaagt dat de uitspraak van het Hof niet duidelijk maakt of de belanghebbende als buitenlands belastingplichtige in de zin van art. 7.8(8) Wet IB 2001 kan worden beschouwd. Middel (ii) acht de door het Hof gebruikte pro rata benadering in strijd met het EU-recht. Het Hof past zijn evenredigheidsbenadering toe op het totaal van de subjectgebonden voordelen van de bronstaat in gevallen waarin de woonstaat slechts deels de woonstaatvoordelen kan toekennen. Volgens de belanghebbende moet echter per soort tegemoetkoming van de bronstaat bezien worden of daarmee volledig in de woonstaat rekening wordt gehouden. Middel (iii) bestrijdt ’s Hofs begrenzing van de tegemoetkoming in stap 4) tot de belasting die een ingezetene verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden. De belanghebbende acht die maximering onjuist. Middel (iv) ten slotte klaagt over niet-volledige toekenning van de algemene heffingskorting. Omdat die korting ‘algemeen’ is, dat wil zeggen: voor iedereen, is zij volgens de belanghebbende niet ‘persoonsgebonden’: zij hangt niet af van de omstandigheden van de persoon. Die algemene korting is – ook volgens uw rechtspraak – onderdeel van de tariefstructuur en dus geen tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie; zij moet daarom volgens de belanghebbende ook worden toegekend aan niet-ingezetenen die geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige zijn en ongeacht of de Schumacker-rechtspraak van toepassing is. De belanghebbende verwijst naar het Lakebrink-arrest van HvJ.
1.9
De Staatssecretaris stelt (2015) dat noch art. 7.8 Wet IB 2001, noch het EU-recht Nederland verplicht om (deels) rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende. De verplichting om daarmee rekening te houden rust als uitgangspunt op de woonstaat. Slechts indien daar de belastinggrondslag ontoereikend is, zodat een belastingplichtige in de woonstaat niet in de heffing wordt betrokken waardoor geen rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, doet zich de uitzondering voor waarbij de bronstaat daarmee rekening moet houden.
1.10
Ik acht middel (i) van de belanghebbende ongegrond: uit ’s Hofs uitspraak blijkt dat de belanghebbende naar nationaal recht niet kwalificeert. Ook zijn middel (iii) is mijns inziens ongegrond. Het EU-recht verplicht tot gelijke behandeling, niet tot begunstiging van niet-ingezetenen. Ook belanghebbendes middel (iv) strandt: het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat juist belastingvrije sommen, voetvrijstellingen, heffingskortingen en dergelijke, bedoeld zijn om rekening te houden met draagkracht. Dat geldt ook voor een progressief tarief, zodat niet relevant is of de algemene heffingskorting gezien moet worden als zelfstandig of als onderdeel van de tariefstructuur (seuil d’imposition); de Schumacker-rechtspraak van het HvJ ziet op alle draagkrachtvergeldende regelingen. Belanghebbendes middel (ii) en het middel van de Staatssecretaris komen hieronder in 1.14 e.v. aan snee.
1.11
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak van het HvJ onverenigbaar met het EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
1.12
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van zijn (gezins)inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van zijn (gezins)inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat Frankrijk. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage bij deze conclusie). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
1.13
Omdat pro rata binnenlandse belastingplicht niet-ingezetenen beter behandelt dan de onjuiste Schumacker-rechtspraak doet, heeft het op zichzelf geen zin om het HvJ prejudiciële vragen te stellen. Het staat een lidstaat immers EU-rechtelijk vrij om niet-ingezetenen beter te behandelen dan het HvJ doet.
1.14
Nationale rechters zullen het echter, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ. Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de correcte inkomensbreukbenadering die hij in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) toepaste op de twee betrokken werkstaten, thans ook - in afwijking van zijn Schumacker-rechtspraak - zal toepassen op de woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch die kant op te begeleiden door hem prejudiciële vragen voor te leggen in onze bronstaatcasus, gegeven dat het hoe dan ook onduidelijk is waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals de belanghebbende, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen volledig te absorberen (zie onderdeel 1.13 van de bijlage).
1.15
Ik geef u daarom in overweging het HvJ prejudicieel vragen voor te leggen van de volgende strekking:
Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/681. en art. 7(2) Vo. 492/20112. inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 30% van het inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) als het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden? Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
1.16
Maar het heeft geen zin dezelfde vragen in vergelijkbare zaken te stellen, zodat áls u vragen stelt, de (zelfde) vragen volstaan in de zaak met nummer 22/02356 waarin ik vandaag eveneens concludeer. Ook belanghebbendes zaak kan dan aangehouden worden totdat de vragen in die zaak 22/02356 beantwoord zijn door het HvJ.
1.17
Ik geef u in overweging om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen in de zaak met nummer 22/02356 waarin ik vandaag eveneens concludeer en ook belanghebbendes zaak aan te houden totdat het HvJ die vragen beantwoord zal hebben.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is Nederlander. Hij heeft in Nederland gewoond en gewerkt, maar is inmiddels gepensioneerd en woont in Frankrijk. In zijn aangiften inkomstenbelasting 2015 en 2016 heeft hij aangegeven als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt te willen worden en heeft hij de volgende inkomensbestanddelen opgenomen:

2.2
Het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk wijst het heffingsrecht over het AOW-pensioen ad € 13.341 (2015) en € 13.676 (2016) aan Frankrijk toe ter heffing. Nederland is op grond van dat verdrag bevoegd tot heffen over het ABP-pensioen.
2.3
De Inspecteur is afgeweken van deze aangiften omdat de belanghebbende volgens hem geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van art. 7.8 wet IB 2001. Bij de vaststelling van de aanslagen 2015 en 2016 heeft de Inspecteur daarom geen rekening gehouden met het eigenwoningforfait, de hypotheekrenteaftrek, de alimentatie en de zorgkosten. Voor 2015 heeft hij geen heffingskortingen toegekend. Voor 2016 heeft hij de algemene heffingskorting deels, nl. voor een bedrag van € 382 toegekend.
2.4
De belanghebbende was over 2015 en 2016 geen inkomstenbelasting verschuldigd in Frankrijk, gegeven de daar vigerende belastingvrije som. Ik kan uit de uitspraak van het Hof Den Bosch niet opmaken hoe hoog de belastingvrije som in die jaren voor de belanghebbende was, maar kennelijk dus hoger dan het aan Frankrijk toegewezen deel van het gezinsinkomen.
Geschil
2.5
De belanghebbende heeft voor beide jaren beroep ingesteld. In geschil is of en zo ja, in hoeverre Nederland fiscale tegemoetkomingen zoals de door de belanghebbende gewenste aftrekposten en heffingskorting moet verlenen, hetzij op de grond dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in art. 7.8(8) Wet IB 2001 juncto art. 21bis(1) UBIB 2001 kan gelden, hetzij op grond van het vrije personenverkeer in de EU. De belanghebbende meent dat hij recht heeft op de volle algemene heffingskorting en op de in zijn aangiften opgevoerde aftrekposten; de Inspecteur meent van niet en heeft belanghebbendes bezwaarschriften ongegrond verklaard.
2.6
Niet in geschil is dat de belanghebbende niet op grond van de hoofdregel van art. 7.8(6) Wet IB 2001 als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt omdat niet is voldaan aan de eis in die bepaling dat minstens 90% van het wereldinkomen in Nederland wordt belast. Wel in geschil is of art. 21bis(1) UBIB 2001 de belanghebbende alsnog doet kwalificeren c.q. of en in hoeverre het EU-recht Nederland verplicht tot toekenning van de genoemde aftrekposten en heffingskorting.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant3. (2015)
2.7
De Rechtbank constateerde dat art. 21bis(1) UBIB 2001 de kring van kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen als bedoeld in art. 7.8 Wet IB 2001 uitbreidt. Die eerste bepaling luidt als volgt:
“1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet;b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; enc. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.”
De partijen zijn het eens dat de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden (a) en (b). In geschil is hij ook voldoet aan voorwaarde (c). De rechtbank oordeelde daarover als volgt:
“2.18. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een lidstaat bepaalde belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is echter anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie.4.
2.19.
Het is ook vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat sprake is van discriminatie indien er krachtens de belastingwetgeving van de woonlidstaat geen sprake is van belastbaar inkomen waardoor de persoonlijke en gezinssituatie in de woonlidstaat noch in de werklidstaat in aanmerking wordt genomen.5.In het arrest Commissie v. Estland heeft het Hof van Justitie dienaangaande overwogen6.:
“In een geval echter zoals dat van klaagster, die krachtens de belastingwetgeving van de lidstaat van de woonplaats wegens haar geringe wereldinkomen in die staat niet belastbaar is, kan de woonstaat de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene, in het bijzonder de weerslag daarop door het belasten van inkomsten verworven in een andere lidstaat niet, in aanmerking nemen.”
2.20.
Beide onderdelen van de pensioeninkomsten van belanghebbende zijn in Nederland opgekomen. Belanghebbende is echter ingezetene van Frankrijk. Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat in beginsel de woonstaat bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.7.In het betoog van belanghebbende ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en verwerpt de stelling van belanghebbende dat voor de toepassing van artikel 2Ibis, eerste lid, onderdeel c, van het UBIB 2001 uitsluitend moet worden uitgegaan van het aan Frankrijk toegewezen inkomen.
(…).2.22. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheid dat geen (Franse) inkomstenbelasting verschuldigd is geworden uitsluitend het gevolg is van de geringe hoogte van het inkomen, zoals het Unierecht en het daarop gebaseerde artikel 21 bis van het UBIB 2001 vereist. Welke omstandigheid daartoe wel redengevend is geweest, kan niet uit de stukken worden afgeleid. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een tegemoetkoming van algemene aard zoals de vrijstelling in het arrest Commissie v. Estland. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat het een tegemoetkoming is die betrekking heeft op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Voor dat geval is geen sprake van een verboden discriminatie.”
2.8
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep 2015 daarom ongegrond verklaard.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant (2016)8.
2.9
Ook voor 2016 zijn de partijen het eens dat de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden (a) en (b) in art. 21bis(1) UBIB 2001. In geschil is hij ook voldoet aan voorwaarde (c). De rechtbank citeerde de artikelsgewijze toelichting9.bij de invoering van art. 21bis UBIB 2001, die als volgt luidt (de onderstrepingen zijn van de Rechtbank):
“2.8. (…) Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.”
Gezien deze toelichting, kan de belanghebbende volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
2.10
Wat betreft belanghebbendes beroep op het Unierecht heeft de Rechtbank als volgt overwogen:
“2.18. Aangezien niet de gehele persoonlijke situatie van belanghebbende volledig in aanmerking is genomen in Frankrijk, bevindt belanghebbende zich (in zoverre) in een situatie die vergelijkbaar is met die van een ingezetene van Nederland wat betreft het rekening houden met de persoonlijke situatie. Door aan belanghebbende geen belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke situatie toe te kennen, is dus sprake van discriminatie.
(…).2.21. (…). Beide partijen nemen voor het rechtsherstel tot uitgangspunt dat belanghebbende aanspraak kan maken op de aftrekposten die belanghebbende in zijn aangifte heeft geclaimd.
Voor de door de inspecteur voorgestane methode van rechtsherstel zijn naar het oordeel van de rechtbank te weinig aanknopingspunten te vinden in het wettelijk systeem van de Wet IB 2001 na afschaffing van de oude keuzeregeling van artikel 2.5 van de Wet IB 2001. Overigens, ook als dat wel het geval zou zijn, zou toepassing van die methode niet mogen meebrengen dat een deel van de aftrekposten per saldo niet geëffectueerd zou kunnen worden. Aangezien het geval van belanghebbende valt onder de ‘Schumacker-exceptie’ zou het Unierecht zich daartegen verzetten.10.
Wel is de rechtbank van oordeel dat bij de toekenning van belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke situatie rekening mag worden gehouden met vergelijkbare belastingvoordelen die reeds in Frankrijk zijn toegekend.11.In Frankrijk heeft belanghebbende wat betreft zijn persoonlijke situatie alleen het belastingvoordeel kunnen benutten dat eruit bestaat dat tot een bepaald drempelbedrag effectief niet wordt geheven. Dit belastingvoordeel is – naar de rechtbank begrijpt – vergelijkbaar met het belastingvoordeel dat het inkomstenbelastingdeel van de hier relevante heffingskortingen biedt. Die heffingskortingen zijn, naast de reeds toegekende algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. Nu belanghebbende voor 13.676/14.771ste deel gebruik heeft gemaakt van dat belastingvoordeel in Frankijk, kan belanghebbende in Nederland maar voor 1.095/14.771ste deel aanspraak maken op het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.”
2.11
De Rechtbank heeft daarom belanghebbendes beroep 2016 gegrond verklaard en beslist dat de aanslag inkomstenbelasting 2016 moet worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.773, rekening houdend met een algemene heffingskorting van € 382 en met 1.095/14.771ste van het belastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. De hypotheekrente, de alimentatiebetaling en de zorgkosten heeft de Rechtbank volledig in aftrek toegelaten omdat die in Frankrijk niet benut hebben kunnen worden.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch12.
2.12
De belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak voor 2015. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak voor 2016. Het Hof heeft de hogere beroepen gezamenlijk en gelijktijdig behandeld.
2.13
Wat betreft art. 21bis(1) UBIB verwijst het Hof naar dezelfde boven (2.9) geciteerde artikelsgewijze toelichting als de Rechtbank voor het oordeel dat de belanghebbende geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige is en naar intern recht dus niet voor fiscale tegemoetkomingen in aanmerking komt. Het Hof onderzoekt vervolgens of Nederland het Unierecht correct heeft geïmplementeerd. Als het Unierecht noopt tot verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving biedt, aan het Unierecht voorrang toekomt en het nationale recht in zoverre buiten toepassing moet blijven.
2.14
In een gemeenschappelijke bijlage bij onder meer13.belanghebbendes zaak heeft het Hof op basis van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ uitgewerkt hoe het vrije verkeer van personen en kapitaal zijns inziens moet worden toegepast in gevallen zoals dat van de belanghebbende, uitmondend in een stappenplan op basis van vier vragen:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
Ik neem aan dat de 90%-inkomensgrens (stap 1), die niet in art. 7.8(6)(b) Wet IB staat (zie 4.3 hieronder) en die evenmin in de oordelen van het HvJ voorkomt, ‘s Hofs Nederlands-fiscaalrechtelijke vertaling is van de wél in art. 7.8(6)(b) Wet IB en in de oordelen van het HvJ voorkomende term ‘nagenoeg geheel.’
2.15
In belanghebbendes geval leidt dit volgens het Hof tot het volgende:
“4.8. Belanghebbende voldoet niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het hof stelt tevens vast dat belanghebbende in Frankrijk geen belasting is verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. Dat zou met zich brengen dat de aanslag IB 2015 wordt verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.11814., waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 80715.wat resulteert in een bedrag aan IB van € 1.44316.(derde stap). De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Voor die ingezetene zou in dat geval een aanslag IB 2015 worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.18717., waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.09018., wat resulteert in een bedrag aan IB van € 2.72219.. De aanslag IB 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.959 en op een bedrag aan IB van € 3.335. Dat betekent dat deze aanslag te hoog is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer 20/00549 [2015; PJW] gegrond verklaren. Het hof zal met betrekking tot de aanslag IB 2015 het bedrag aan IB verminderen van € 3.335 tot € 2.722, en derhalve een bedrag van € 613 als tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking nemen.
4.9.
Voor de aanslag IB 2016 heeft het volgende te gelden. Ook voor wat betreft de aanslag IB 2016 voldoet belanghebbende niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het hof stelt tevens vast dat belanghebbende in Frankrijk geen belasting is verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. Dat zou met zich brengen dat de aanslag IB 2016 wordt verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.82520., waarbij rekening wórdt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 83521., wat resulteert in een belastingbedrag van € 1.43822.(derde stap). De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Voor die ingezetene zou in dat geval een aanslag IB 2016 worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.44923.waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.07524., wat resulteert in een belastingbedrag van € 2.90025.. De aanslag IB 2016 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.959 en, rekening houdend met heffingskortingen van € 382, op een bedrag aan IB van € 2.765. Dat betekent dat deze aanslag, niet te hoog is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van de inspecteur in de zaak met nummer 21/00429 [2016; PJW] gegrond verklaren.”
2.16
Het Hof heeft daarom beide hogere beroepen, dat van de belanghebbende over 2015 en dat van de Inspecteur over 2016, gegrond verklaard.
3. Het geding in cassatie
3.1
De belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën hebben beiden tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel zijn hogere beroep voor 2015 gegrond is verklaard, richt de belanghebbende zich op beide belastingjaren 2015 en 2016. De Staatssecretaris schrijft in de aanhef van zijn cassatieberoep dat het de aanslagen voor de jaren 2015 en 2016 betreft, maar zijn cassatiemiddel ziet alleen op 2015. Beiden hebben zich schriftelijk verweerd. De belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.
De belanghebbende
3.2
Belanghebbendes cassatieberoep omvat vier klachten:
(i) de uitspraak van het Hof maakt niet duidelijk of hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlands belastingplichtige als bedoeld in art. 7.8(8) Wet IB 2001 of niet. De belanghebbende vraagt u daarover duidelijkheid te bieden;
(ii) ‘s Hofs pro rata benadering schendt het EU-recht. Het Hof past zijn evenredigheids-benadering toe op het totaal van de subjectgebonden voordelen van de bronstaat als de woonstaat diens voordelen slechts deels heeft kunnen toekennen. Volgens de belanghebbende moet echter per soort tegemoetkoming van de bronstaat bezien worden of en zo ja, in hoeverre vergelijkbare tegemoetkomingen in de woonstaat zijn verleend:
“Het uitgangspunt van het EHvJ is (…) dat een lidstaat steeds de subjectgebonden voordelen in zijn geheel moet toekennen, ook als dat de bronstaat in verband met een Schumackersituatie betreft, en dat die lidstaat slechts rekening mag houden met elders toegekende vergelijkbare voordelen. Dispariteiten tussen nationale stelsels wat betreft subjectgebonden voordelen worden aldus uitdrukkelijk erkend en gegarandeerd. Dit alles leidt ertoe dat bij het in aanmerking nemen van subjectgebonden voordelen voor de soort-voor-soort vergelijking gekozen moet worden. Een evenredigheidsbenadering als in punt 26 van de bijlage doet geen recht aan deze opstelling van het EHvJ. Het Hof erkent zelf dat cumulatie van faciliteiten in beide lidstaten bij de door haar gekozen benadering niet uitgesloten is. Benadrukt dient echter te worden dat daar tegenover juist ook te sterke anti-cumulatie bij deze benadering zeer wel mogelijk is.”
(iii) ‘s Hofs begrenzing van de Nederlandse tegemoetkomingen door vergelijking met hoeveel belasting een ingezetene verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden is volgens de belanghebbende in strijd met EU-recht en overigens ook niet te baseren op intern recht:
“Deze benadering getuigt echter van een rechtsopvatting die in strijd is met het Unierecht. De vergelijking met de niet-ingezetene/migrant, als belanghebbende is, in termen van belastingdruk dient achterwege te blijven. Voor zover die, ook met inachtneming van subjectgebonden voordelen van de bronstaat, gunstiger uitvalt voor belanghebbende, komt deze louter voort uit de combinatie van de heffingsverdeling tussen beide staten, en vooral het gegeven dat Nederland over het aan haar toevallende deel van het wereldinkomen als bronstaat geen progressievoorbehoud hanteert, en de uit de Schumackerdoctrine voortvloeiende eisen van toekenning van fiscale voordelen i.v.m. de persoonlijke en gezinssituatie. Voorzover de EHvJ jurisprudentie op belastingdrukvergelijking met niet-migranten betrekking heeft is dat steeds ter bescherming van de binnen de EU migrerende burger, en in de sfeer van tariefbeoordeling, namelijk in die zin dat een migrerende burger door de lidstaat qua tarief geen zwaardere belastingdruk mag worden opgelegd dan de niet-migrerende burger (…).(…).Voorts laat de Nederlandse belastingwet de door het Hof beoogde drukvergelijking en maximering niet toe. Hoofdstuk 7 van de Wet lB 2001 bevat geen bepalingen die afwijking van de daar genoemde grondslag- en tariefbepalingen mogelijk maken. Ook binnen artikel 7.8 van die wet is geen bepaling te vinden die wijst op vermindering van toe te kennen subjectgebonden voordelen aan kwalificerende buitenlands belastingplichtigen op grond van de maximeringsbenadering door het Hof. Die benadering vindt dus geen grond in het Unierecht noch in het nationale recht.”
(iv) Middel (iv) klaagt dat de algemene heffingskorting in wezen onderdeel van de tariefstructuur is en daarom hoe dan ook aan iedereen, ook niet-kwalificerende niet-ingezetenen gegeven moet worden:
“Er is sprake van schending van het Unierecht, met name artikel 21 van het VWEU, betrekking hebbend op het vrije verkeer van personen binnen de EU, doordat het Hof in punt 28 van de bijlage ten onrechte heeft geoordeeld dat deze korting kwalificeert als een tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie.”
De algemene heffingskorting is volgens de belanghebbende ‘algemeen’, dus voor iedereen beschikbaar, en daarom niet ‘persoonsgebonden’ (niet afhankelijk van de omstandigheden van de persoon). Zeker sinds de heffingskorting in 2014 inkomensafhankelijk is gemaakt, gaat het in wezen om een onderdeel van de tariefstructuur, dus niet om een persoonlijke tegemoetkoming. Niet-toekenning aan niet-ingezetenen is een belemmering van het vrije verkeer van personen, doordat de korting bij vestiging in een andere lidstaat verloren gaat.
De Staatssecretaris
3.3
De Staatssecretaris acht - kennelijk alleen ter zake van heffingsjaar 2015 - art. 7.8 Wet IB 2001 juncto art. 21bis(1)(c) UBIB 2001, het EU-recht en/of art. 8:77 Awb geschonden door ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende voor 2015 in Nederland recht heeft op vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting op de grond dat Nederland rekening zou moeten houden met belastingvoordelen verbonden aan diens persoonlijke en gezinssituatie. De belanghebbende kan niet op grond van art. 21bis(1)(c) UBIB als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt en het EU-recht verplicht Nederland niet om (deels) rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende. Die verplichting rust in uitgangspunt op de woonstaat, aldus de Staatssecretaris:
“Het Hof is van oordeel dat Nederland als bronstaat (deels) rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Aan dit oordeel ligt onder meer ten grondslag 's Hofs vaststelling dat 1) belanghebbende in Frankrijk geen inkomstenbelasting is verschuldigd en 2) het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. (…).
De eerste vaststelling is gebaseerd op het feit dat in Frankrijk een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een bedrag van nihil. Zie onderdeel 2.6 van de uitspraak. Mijns inziens is dit feit zo algemeen gesteld niet van doorslaggevend belang. Het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in Frankrijk kan (mede) veroorzaakt zijn door verleende aftrekposten en tegemoetkomingen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. In welk geval geen sprake is van een verboden discriminatie.26.(…).
De tweede vaststelling van het Hof berust op de onjuiste opvatting dat in een situatie waarin de woonstaat over voldoende belastbaar inkomen beschikt, vervolgens dient te worden onderzocht of ingevolge de nationale wetgeving van die woonstaat deze volledig of in voldoende mate rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Indien en voor zover dit laatste niet het geval is, verschuift naar het oordeel van het Hof de verplichting om met de persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden alsnog naar de bronstaat. Ik meen dat niet juist is 's Hofs opvatting dat gekeken moet worden naar de mate van tegemoetkoming in de woonstaat. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat als voorwaarde heeft te gelden dat het belastbaar inkomen in de woonstaat voldoende hoog dient te zijn zodat de woonstaat ingevolge zijn belastingregels daadwerkelijk - cijfermatig - in voldoende mate (volledig en naar behoren) rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Onjuist is mijns inziens ook het uitgangspunt van het Hof dat in dit kader beoordeeld dient te worden welke fiscale faciliteiten in de woonstaat verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie (waarbij voor het begrip faciliteit die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie een ruime uitleg zou gelden). Naar mijn mening is niet van belang of en.in welke mate de woonstaat bij de belastingheffing daadwerkelijk rekening houdt met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. (…).Ik leid uit de rechtspraak van het HvJ af dat slechts indien in de woonstaat de belastinggrondslag niet toereikend is, zodat een belastingplichtige niet in de heffing wordt betrokken en de woonstaat geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, zich de uitzonderingssituatie voordoet dat de bronstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. (…).”
3.4
De Staatssecretaris concludeert:
“Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van Frankrijk over te nemen. Het belastbaar inkomen in Frankrijk is zodanig hoog (…) dat aldaar rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dit betekent dat het EU-recht er niet toe dwingt dat Nederland daarmee (ook) rekening houdt bij de belastingheffing van belanghebbende.”
Verweer
3.5
Bij verweer betwist de belanghebbende dat hij niet onder art. 21bis UBIB 2001 zou vallen. Volgens hem was in het HvJ-arrest Commissie/Estland27.beslissend dat de woonstaat niet in staat was diens subjectgebonden fiscale voordelen toe te kennen, gegeven de heffingsverdeling tussen woonstaat en bronstaat in het belastingbedrag. De belanghebbende herhaalt dat de belastinggrondslag in Frankrijk te laag was om zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. Volgens hem ontkomt een bronstaat alleen aan de verplichting om zijn subjectgebonden fiscale voordelen aan niet-ingezetenen toe te kennen als de woonstaat de eigen voordelen volledig en naar behoren heeft kunnen toekennen.
3.6
De Staatssecretaris constateert in diens verweerschrift dat het Hof er in diens bijlage met stappenplan van is uitgegaan dat de belanghebbenden geen kwalificerende buitenlands belastingplichtigen zijn. Daarover kan volgens hem bij de belanghebbende dus geen onduidelijkheid bestaan, waardoor klacht (i) faalt. De Staatssecretaris herhaalt dat het EU-recht Nederland niet verplicht (deels) rekening te houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. Klacht (ii) dat het Hof niet per soort tegemoetkoming heeft beoordeeld of die volledige in de woonstaat wordt genoten, kan volgens de Staatssecretaris niet tot cassatie leiden omdat die klacht is gebaseerd op twee oordelen van het Hof die volgens de Staatssecretaris beide onjuist zijn:
“In de eerste plaats heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de verplichting om bij de belastingheffing van belanghebbende rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie van Frankrijk naar Nederland verschuift. Dit oordeel miskent dat niet is voldaan aan het beslissende criterium, in die zin dat voornoemde verplichting slechts op Nederland komt te rusten indien Frankrijk wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen in Frankrijk niet aan die verplichting kan voldoen. Zie punt 39 in HvJ 15 juli 2021, BJ, C-241/20, ECLI:EU:C:2021:605. De belastinggrondslag in Frankrijk is in casu toereikend om belanghebbende in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.28.
In de tweede plaats is niet juist 's Hofs oordeel dat de rechtspraak van het HvJ EU meebrengt dat indien de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming deels niet verleent, de bronstaat deze plicht (in zoverre) dient over te nemen. De ongunstige behandeling die het Hof veronderstelt en kennelijk strijdig acht met het EU-recht, is het gevolg van de omstandigheid dat de regeling ten aanzien van persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen van de woonstaat (Frankrijk) verschilt van die van de bronstaat (Nederland). De omstandigheid dat een woonstaat die beschikt over voldoende belastbaar inkomen ingevolge zijn wetgeving een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming (geheel of gedeeltelijk) niet verleent, vloeit voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels en leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het EU-recht. (…).“
Voor zover de belanghebbende zich baseert op de HvJ-arresten De Groot en Imfeld & Garcet, merkt de Staatssecretaris op dat die arresten niet over de werkstaat, maar over de woonstaat gaan, zodat de belanghebbende zich daarmee tot Frankrijk moet wenden.
3.7
Belanghebbendes klacht (iii) over de begrenzing van de Nederlandse tegemoetkoming strandt volgens de Staatssecretaris al omdat Nederland zijns inziens überhaupt niet verplicht is persoonlijke aftrekken en tegemoetkoming te verlenen. Mocht u van oordeel zijn dat wel een belastingdrukvergelijking met inwoners wel moet worden gemaakt, dan meent de Staatssecretaris dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de belanghebbende niet wordt geconfronteerd met een hogere belastingdruk dan ingezetenen in een vergelijkbare situatie.
3.8
De Staatssecretaris wijst er ad klacht (iv) op dat aan de belanghebbende die algemene heffingskorting wel degelijk is toegekend, zodat de klacht financieel belang mist. Overigens acht hij het niet-toekennen van het belastingdeel van de algemene heffingskorting niet in strijd met EU-recht. Uit de rechtspraak zoals het HvJ-arrest De Groot over de voorganger van de korting (de belastingvrije som onder de Wet IB 1964) en uit de wetsgeschiedenis volgt dat de heffingskorting wel degelijk een persoonsgebonden aftrekpost is.
Repliek
3.9
In repliek herhaalt de belanghebbende met betrekking tot het eerste middel dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt of hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlands belastingplichtige als bedoeld in art. 7.8(8) Wet IB 2001 of niet, omdat dit niet expliciet is opgenomen in de uitspraak van het Hof.
3.10
Op het verweer van de Staatssecretaris dat als een woonstaat met voldoende belastbaar inkomen ingevolge zijn wetgeving een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming (deels) niet verleent, dit voortvloeit uit een dispariteit, repliceert de belanghebbende dat Hof Den Bosch heeft vastgesteld dat het niet voldoende verlenen van woonstaatfaciliteiten niet voortvloeit uit een dispariteit maar uitsluitend berust op de belastingregels van de woonstaat gegeven het aan die woonstaat ter heffing toegewezen inkomen. Dit verweer mist volgens de belanghebbende betekenis omdat de Franse belastinginspecteur heeft aangegeven dat de belanghebbende daar geen voordelen als aftrekposten, grondslagverminderingen en belastingkredieten heeft kunnen genieten.
3.11
Met betrekking tot middel (iii) herhaalt de belanghebbende dat de door het Hof toegepaste drukvergelijking zijns inziens niet strookt met de Schumacker-doctrine. Die leidt volgens de belanghebbende tot de conclusie dat beperking van de persoonlijke tegemoetkomingen tot die welke de bronstaat in een Schumacker-situatie verplicht is slechts toegestaan is op grond van anticumulatie met (deels) toegekende vergelijkbare voordelen in de woonstaat
3.12
Ad (iv) stelt de belanghebbende dat wel degelijk een financieel belang bestaat bij toekenning van de algemene heffingskorting, nu de belanghebbende uitgaat van het gehele bedrag van de korting en niet van een korting berekend aan de hand van de pro-rata-methode.
4. Nationaal recht – art. 7.8 Wet IB 2001
4.1
Volgens de rechtspraak van het HvJ moet een EU-lidstaat onder omstandigheden een niet-inwoner fiscaal als inwoner behandelen. Een overzicht van die rechtspraak is opgenomen in de bijlage bij deze conclusie. Met art. 7.8 Wet IB 2001 (de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige), op 1 januari 2015 ingevoerd naar aanleiding van het onjuiste Gielen-arrest29.van het HvJ, beoogt Nederland aan die rechtspraak gevolg te geven. Vóór 2015 konden niet-inwoners naar het hen beter uitkwam kiezen tussen buitenlandse belastingplicht en behandeling als binnenlands belastingplichtige, maar in het genoemde Gielen-arrest heeft het HvJ dat keuzeregime, dat niet-ingezetenen bevoordeelde boven ingezetenen door hen een keuze te geven, ten onrechte als discriminatoir jegens die niet-ingezetenen aangemerkt. In zijn latere Hirvonen-arrest30.heeft hij die fout kennelijk ingezien en heeft hij een vergelijkbaar Zweeds keuzeregime wél aanvaard, daarbij verwoed – mijns inziens vergeefs – pogende om Hirvonen te onderscheiden van Gielen.31.Doordat Nederland door het Gielen-arrest ten onrechte werd gedwongen het interne-marktvriendelijke keuzeregime af te schaffen, worden niet-ingezetenen zoals de belanghebbende, voor wie behandeling als ingezetene voordelig was in verband met onder meer zijn hypotheekrente en alimentatieverplichting, thans geconfronteerd met een hogere heffing dan onder het door het HvJ onhoudbaar gemaakte keuzeregime.
4.2
Art. 7.8 Wet IB 2001 (zie 4.3 hieronder) biedt als gevolg van Gielen dus geen keuze meer. Een buitenlandse belastingplichtige die aan de criteria van die bepaling voldoet, wordt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. Volgens de hoofdregel van lid 6 gaat het om niet-ingezetenen die wonen in een andere EU-lidstaat en wier inkomen (nagenoeg) geheel in Nederland is onderworpen aan de loon- of inkomstenbelasting. Lid 8 in combinatie met art. 21bis UBIB 2001 breidt die kring uit voor gepensioneerden. Pensionados die in een andere EU-lidstaat wonen, kwalificeren ook als minder dan 90% van hun wereldinkomen in Nederland wordt belast als zij aannemelijk maken dat zij in hun woonland zo weinig inkomen genieten dat zij daar geen belasting betalen. Deze uitbreiding van de kring van kwalificerenden is een gevolg van het HvJ-arrest Commissie/Estland (zie onderdeel 2.30 van de bijlage bij deze conclusie).
4.3
De belanghebbende meent dat hij kwalificerend buitenlandse belastingplichtige is op grond art. 7.8(8) Wet IB 2001 juncto art. 21bis(1) UBIB 2001 Deze bepalingen luiden als volgt:
Art. 7.8 Wet IB 2001:
“1. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:1°.de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en
2°.de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6.
2. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap bepaald overeenkomstig afdeling 7.3, waarbij de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6 in aanmerking worden genomen.
3. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland bepaald overeenkomstig afdeling 7.4, waarbij:
a.de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6 in aanmerking worden genomen, en
b.artikel 5.3, derde lid, eerste volzin, onderdeel f, en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing is.
(…).
6. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en:
a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of
b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting,
onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.
(…)
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op vergelijkbare buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. De aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan ook betrekking hebben op een deel van het jaar.”
Art. 21bis UBIB 2001:
“1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet [bedoeld is kennelijk: (i) EU/EER-inwonerschap en (ii) inkomensverklaring woonland; PJW]; en
c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
2. Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet, en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3. Voor de inkomensverklaring, bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de wet, wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring.”
4.4
De partijen zijn het eens dat de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden (a) en (b) in art. 21bis(1) UBIB. In geschil is of ook aan voorwaarde (c) wordt voldaan. Op basis van alleen de tekst van die bepaling zou de belanghebbende daaraan kunnen voldoen: zijn aan woonland Frankrijk toegewezen inkomen in 2015 en 2016 (de AOW-uitkering ad € 13.341 resp. € 13.676) blijft volgens het Hof immers beneden de Franse belastingvrije som. Zijn totale inkomen in 2015 en 2016 vóór verdragstoepassing (€ 13.341 plus € 31.959 is € 45.300 respectievelijk € 13.676 plus € 31.959 is € 45.635) gaat echter ruim boven de Franse belastingvrije som uit. Het gaat dus om de vraag wat verstaan moet worden onder ‘inkomen’ in de zinsnede ‘wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd’ in voorwaarde (c).
4.5
De artikelsgewijze toelichting32.bij art. 21bis UBIB 2001 (geciteerd door de Rechtbank in 2.9 hierboven) vermeldt dat met ‘wegens gering inkomen geen belasting verschuldigd zijn in het woonland’ wordt bedoeld dat “het wereldwijde inkomen (…) dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die (…) een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing (…) laten.” Dat doet zich volgens die toelichting niet voor in “de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.” Het gaat volgens de toelichting dus om het wereldinkomen vóór verdragstoepassing.
4.6
Belanghebbendes totale jaarinkomen ad € 45.300 resp. € 45.635 is hoger dan de Franse belastingvrije som, maar de tekst van art. 21bis(1) UBIB dwingt op zichzelf niet tot uitleg van de term ‘inkomen in zijn woonland’ in de zinsnede “wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd” als ‘wereldinkomen’. Dat de belanghebbende niet kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige volgt dus niet rechtstreeks uit de tekst van die bepaling, maar wel uit de boven (2.9) geciteerde toelichting bij art. 21bis UBIB 2001. Die toelichting, die de term “inkomen” in die zinsnede uitlegt als ‘wereldinkomen’ en niet als ‘aan het woonland toegewezen inkomen’, is geenszins onverenigbaar met die tekst, zodat ik geen aanleiding zie om aan die toelichting voorbij te gaan. Naar nationaal recht heeft de belanghebbende dan geen aanspraak op Nederlandse tegemoetkomingen zoals hypotheekrenteaftrek, alimentatie-aftrek en aftrek van zorgkosten.
4.7
Het UBIB kan echter het EU-recht niet opzij zetten, zodat beoordeeld moet worden of EU-recht Nederland noopt tot tegemoetkoming van de belanghebbende op het punt van renteaftrek
4.8
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbendes klacht (i) niet tot cassatie kan leiden. Duidelijk is – ook uit de (bijlage de) Hofuitspraak – dat de belanghebbende - ook volgens het Hof - naar nationaal recht geen recht heeft op tegemoetkomingen omdat hij geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige is.
5. Het vrije verkeer van personen - de Schumacker-rechtspraak en art. 7(2) Vo. 492/2011
5.1
Belanghebbendes klacht (iii) lijkt mij aanstonds ongegrond. Het EU-recht verplicht tot nationale behandeling van niet-ingezetenen, niet tot hun begunstiging in strijd met nationaal recht. De Nederlandse rechter (het Hof) is Grondwettelijk (art. 120) ook niet bevoegd om nationaal recht buiten toepassing te laten als EU-recht of ander rechtstreeks werkend internationaal recht (of onder omstandigheden het evenredigheidsbeginsel) daartoe niet noopt en naar nationaal recht heeft de belanghebbende geen aanspraak op de door hem gewenste aftrekposten. Anders dan hij wil, is geen sprake van een voor hem gunstige dispariteit tussen nationale stelsels. Hij heeft naar nationaal recht immers überhaupt geen aftrekrechten. Het EU-recht staat alleen in de weg aan een zwaardere belastingdruk voor niet-ingezetenen dan voor vergelijkbare ingezetenen, zodat de geen verdere reductie hoeft te geven dan tot het bedrag van de door die laatsten verschuldigde belasting (nationale behandeling).33.
5.2
Ook belanghebbendes klacht (iv) strandt mijns inziens: het lijkt mij niet voor redelijke twijfel vatbaar dat juist belastingvrije sommen, voetvrijstellingen, heffingskortingen en dergelijke bedoeld zijn om rekening te houden met individuele draagkracht. Dat geldt ook voor een progressief tarief, zodat mij Schumacker-technisch niet relevant lijkt of de algemene heffingskorting beschouwd wordt als zelfstandig of als onderdeel van de tariefstructuur van de loon- en inkomstenbelasting. De Schumacker-rechtspraak van het HvJ ziet immers op alle draagkrachtvergeldende regelingen, ongeacht vorm of inhoud, en zelfs op manifest bron- en jurisdictiegebonden aftrekposten tot verwerving van specifiek inkomen zoals financieringskosten voor woningen.34.Uit onder meer de arresten Lakebrink35.en Renneberg36.blijkt dat dat de Schumacker-doctrine geldt bij alle fiscale voordelen in verband met de draagkracht van de niet-ingezetene.37.Dat de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting bij uitstek draagkracht vergeldt, blijkt met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis ervan:38.
“Het draagkrachtbeginsel houdt in dat van natuurlijke personen belasting wordt geheven naar rato van hun financiële draagkracht, ofwel de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. De primaire maatstaf voor de meting van de draagkracht van een belastingplichtige is het inkomen. Binnen de huidige systematiek houdt dit in dat naar mate een belastingplichtige meer verdient, hij ook meer belasting betaalt. Door toepassing van de heffingskortingen wordt dit versterkt doordat bij het bereiken van een bepaald inkomensniveau de inkomensafhankelijke heffingskortingen niet meer verder meestijgen met het inkomen of zelfs lager worden naarmate het inkomen stijgt. De nu voorgestelde (verdere) afbouw sluit daarom goed aan bij de draagkrachtgedachte."
5.3
Uw arrest HR BNB 2019/15439.waarnaar de belanghebbende tot ondersteuning van zijn klacht (iv) verwijst, gaat niet over de EU-verkeersvrijheden, laat staan Schumacker, maar over de vraag of de inkomensafhankelijkheid van de algemene heffingskorting meebrengt dat bij de bepaling van die korting voor een EU-ambtenaar ook rekening kan worden gehouden met diens vrijgestelde EU-salaris, dus over de uitleg van art. 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU. Die kwestie werpt geen licht op de vraag of en in hoeverre een belastingplichtige in zijn woonland voldoende tegemoetkomingen geniet in de zin van de Schumacker-rechtspraak en zo neen, hoe de alsdan vereiste nationale behandeling in de bronstaat moet worden geëffectueerd.
5.4
Klacht (iv) ontbeert overigens belang als klacht (iii) strandt, hetgeen mijns inziens het geval is (zie 5.1). Klacht (iv) lijkt bovendien voort te bouwen op de stelling in klacht (ii) dat per tegemoetkoming bezien zou moeten worden of een Frans equivalent bestaat en zo ja, of dat volledig benut is kunnen worden, maar ook die stelling is mijns inziens onjuist, zoals uit het onderstaande volgt.
5.5
Het Hof ’s-Hertogenbosch legt de Schumacker-rechtspraak van het HvJ aldus uit dat als 90% of meer van het wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonstaat, in één werkstaat wordt belast, die werkstaat de volle fiscale waarde van zijn persoonlijke tegemoetkomingen aan de belastingplichtige moet geven. Als er meer werkstaten zijn, of als niet wordt voldaan aan dit 90%-criterium, maar desondanks het in de woonstaat belaste deel van het inkomen te laag is om de daar vigerende fiscale tegemoetkomingen (volledig) te benutten, moet(en) de werksta(a)t(en) hun persoonlijke fiscale tegemoetkomingen verlenen voor een breukdeel dat resulteert als het in de werkstaat belaste deel van het inkomen wordt gedeeld door het wereldinkomen, maar met een plafond: de niet-ingezetene hoeft uiteraard niet gunstiger belast te worden dan een ingezetene met hetzelfde belaste inkomen in vergelijkbare omstandigheden.
5.6
In de onderdelen 23 en 26 van de bijlage die het Hof Den Bosch bij zijn uitspraak heeft gevoegd, werkt hij deze evenredige toekenning van de subjectgebonden bronstaat-voordelen uit in het geval waarin ook de woonstaat deels draagkrachttegemoetkomingen heeft toegekend. Hij beziet daarbij het totaal van de tegemoetkomingen. Volgens de belanghebbende moet echter per soort tegemoetkoming rekening worden gehouden met de corresponderende tegemoetkomingen in de woonstaat. In die soort-voor-soort benadering bij het ‘verrekenen’ van Franse tegemoetkomingen zou alleen de Nederlandse ouderenkorting worden gereduceerd (door de in Frankrijk toegekende ouderenaftrek). De andere Franse tegemoetkomingen, met name de hoge belastingvrije som, zouden onvoldoende corresponderen met Nederlandse tegemoetkomingen om de Nederlandse tegemoetkomingen te reduceren. De overall benadering van het Hof Den Bosch is volgens de belanghebbende in strijd met de HvJ-arresten Wallentin (zie onderdeel 2.13 van de bijlage) en Commissie v. Estland (zie onderdeel 2.30 van de bijlage) omdat ‘s Hofs evenredigheidsaftrek niet gegarandeert dat Frankrijk een complementair deel aan vergelijkbare voordelen heeft toegekend, aldus de belanghebbende.
5.7
Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft op dit punt als volgt overwogen in de bij zijn uitspraak gevoegde bijlage:
“22. (…). Dient per soort tegemoetkoming te worden beoordeeld of de woonlidstaat deze volledig in aanmerking heeft genomen? Of dient naar het totaal aan tegemoetkomingen te worden gekeken?23. Het hof gaat uit van de tweede benadering. De eerste benadering zou immers meebrengen dat moet worden vastgesteld welke tegemoetkoming in de woonlidstaat wel of niet in aanmerking is genomen en leidt tot allerlei complicaties. Indien een belastingplichtige in de woonlidstaat recht heeft op diverse tegemoetkomingen, welke is dan wel of niet verleend? Dat zou kunnen afhangen van de volgorde waarin aftrekposten in aanmerking worden genomen binnen de systematiek van de woonlidstaat. En die benadering roept ook de vraag op hoe moet worden omgegaan met tegemoetkomingen die de werklidstaat wel kent, maar de woonlidstaat niet of omgekeerd. Dat zou kunnen leiden tol het miskennen van dispariteiten tussen de belastingstelsels. (…).
(…).26.Indien vast komt te staan dat in de woonlidstaat onvoldoende rekening kan worden gehouden met de aldaar geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie, dient de werklidstaat de binnen die staat geldende tegemoetkomingen te verlenen. De werklidstaat mag echter rekening houden met het feit dat in de woonlidstaat ook al tegemoetkomingen in aanmerking zijn genomen. Het hof zal daarbij uitgaan van een evenredige verdeling tussen de woonlidstaat en de werklidstaat op basis van het inkomen dat in beide lidstaten effectief in de belastingheffing wordt betrokken. Het hof sluit daarbij aan op de benadering die het HvJ EU heeft gevolgd in het arrest X. Het hof realiseert zich dat bij deze benadering een cumulatie van faciliteiten in beide lidstaten niet is uitgesloten. (…). De praktische uitvoerbaarheid brengt het hof er echter toe om toch te kiezen voor de oplossing waarbij de werklidstaat tegemoetkomingen verleent op basis van het aandeel van het inkomen dal in die werklidstaat in de belastingheffing wordt betrokken, mede gelet op de hierna te vermelden maximering.”
5.8
De Staatssecretaris acht ’s Hofs evenredigheidsbenadering onjuist omdat volgens hem de Schumacker-rechtspraak meebrengt dat (alleen) de woonstaat verantwoordelijk is in een geval zoals dat van de belanghebbende. Zie zijn betoog geciteerd in 3.3 hierboven. Temeer acht hij onjuist belanghebbendes klacht (ii) dat per tegemoetkoming bezien zou moeten worden in hoeverre een Frans equivalent zou zijn genoten. Hij betoogt daartoe als volgt (verweer, ongenummerde pagina’s “Met betrekking tot de tweede klacht”) en merkt op dat de rechtspraak waarop de belanghebbende zich in dit verband beroept, niet op de werkstaat, maar op de woonstaat ziet:
“In het arrest HvJ 9 februari 2017, X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102 heeft het HvJ geoordeeld dat twee lidstaten naar evenredigheid (pro rata) rekening dienen te houden met de persoonlijke en gezingssituatie van de belanghebbende. Die beslissing is gegeven voor een situatie waarin belastbaar inkomen niet wordt genoten in de woonstaat en wel in twee werkstaten en ziet dus niet op de voorliggende situatie. Uit het arrest volgt niet dat een werkstaat een (pro rata parte) aftrek zou moeten toestaan, terwijl in de woonstaat voldoende inkomen is genoten zodat aldaar rekening kan worden gehouden met de aftrekposten. Beslissend is of in de woonstaat onvoldoende belastbaar inkomen is waardoor deze geen rekening kan houden met persoonlijke aftrekken. Slechts dan dient de bronstaat, waarin voldoende belastbaar inkomen is, de plicht om rekening te houden met persoonlijke aftrekken van de woonstaat over te nemen. Is het belastbaar inkomen in de woonstaat onvoldoende zodat de woonstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke aftrekken, dan verschuift de plicht om rekening te houden met de persoonlijke aftrekken in geval van meerdere werkstaten pro rata parte naar de betreffende werkstaten. Belanghebbende komt op tegen de evenredigheidsbenadering van het Hof en stelt - kort samengevat - dat het HvJ reeds heeft beslist dat het voorkomen van cumulatie van subjectgebonden voordelen wettelijk dient te zijn vastgelegd in de nationale wetgeving van een lidstaat, dan wel in het van toepassing zijnde belastingverdrag. De rechtspraak waarop belanghebbende kennelijk doelt, is gewezen in het kader van de aan de woonstaat opgelegde verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. In het arrest HvJ 12 december 2002, De Groot, C-385/00, ECLI:EU:C:2002:750 is beslist dat de toenmalige Nederlandse wijze van het voorkomen van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud niet in overeenstemming was met het Europese recht. Nederland is als woonstaat naar het oordeel van het HvJ verplicht de volledige persoonlijke tegemoetkoming ten laste van het Nederlandse belastbare inkomen te brengen. Uit punt 69 van het arrest De Groot volgt dat de woonstaat van de verplichting kan worden ontheven indien de werkstaat (bilateraal of eenzijdig) rekening houdt met de aan de persoonlijke en gezinssituatie verbonden belastingvoordelen. Uit HvJ 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, ECLI:NL:XX:2013:183 volgt dat de woonstaat in dat geval in zijn wetgeving moet regelen dat het voordeel in de woonstaat alleen wordt geweigerd indien (en voor zover) dit in de werkstaat kan worden verkregen. Belanghebbendes situatie is niet vergelijkbaar met de situatie in de arresten De Groot en Imfeld en Garcet, waarop belanghebbende zich lijkt te beroepen. Mochten de arresten al betekenis hebben voor de onderhavige casus, dan zou dit betekenen dat belanghebbende zijn persoonlijke tegemoetkomingen in zijn woonstaat Frankrijk moet kunnen effectueren. Bovenstaande rechtspraak doet niets af aan de hoofdregel dat bij voldoende belastbaar inkomen in de woonstaat de plicht om rekening te houden met de persoonlijke aftrekken op die staat blijft rusten. Indien bij voldoende belastbaar inkomen in de woonstaat een faciliteit niet volledig in aanmerking kan worden genomen, is sprake van een dispariteit en dan verschuift meergenoemde plicht niet alsnog deels naar de werkstaat.”
5.9
Ik merk op dat belanghebbendes per-tegemoetkoming-benadering de cherry picking uit dispariteiten tussen de twee betrokken lidstaten maximaliseert. Zij is hoe dan ook in strijd met de vaste HvJ-rechtspraak40.dat de lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsel aan te passen aan de stelsels van andere lidstaten (uiteraard niet; dat zou verplichte harmonisatie zijn waartoe het HvJ niet bevoegd is, en bovendien zou volstrekt onduidelijk zijn welke staat zich dan aan wiens wetgeving moet aanpassen en waarom).
5.10
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak van het HvJ onverenigbaar met het EU-recht doordat zij de principiële vergelijkbaarheid van ingezetenen en niet-ingezetenen ontkent en de woonstaat ten onrechte verantwoordelijk maakt voor de discriminatie door de werkstaat die ten onrechte nationale behandeling weigert (zie onderdeel 2.2. e.v. van de bijlage). Rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen in de werkstaat door hen elke nationale fiscale tegemoetkoming te weigeren die ingezetenen wél krijgen, is onverenigbaar met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/6841.en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/201142.inzake het vrije verkeer van werknemers (zie onderdelen 1.3 en 1.8 van de bijlage), en met ’s Hofs andere dan Schumacker-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden (zie onderdeel 2 van de bijlage).
5.11
Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
5.12
De evenredigheidsmethode is per definitie in overeenstemming met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Weigering van de door art. 45 VwEU en art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 geëiste nationale behandeling (dus als inwoner) is per definitie in strijd met het EU-rechtelijke discriminatieverbod en het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Er bestaat geen enkele mandatory requirement of public interest die een dergelijke discriminatie zou kunnen rechtvaardigen: van misbruik is geen sprake, evenredige belasting is per definitie coherent en de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid is verzekerd. En reeds in het Bachmann-arrest43.van 1992 oordeelde het HvJ dat administratieve problemen bij het vergaren van gegevens uit andere lidstaten geen excuus voor discriminatie kunnen zijn omdat de lidstaten gebruik kunnen maken van de EU-richtlijnen inzake fiscale gegevensuitwisseling. Sindsdien heeft de automatische en digitale gegevensuitwisseling een enorme vlucht genomen, waardoor dat niet-geldige administratieve excuus alleen maar aan kracht heeft verloren.
5.13
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van zijn (gezins)inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van zijn (gezins)inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat Frankrijk. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
5.14
Omdat pro rata binnenlandse belastingplicht niet-ingezetenen beter behandelt dan de onjuiste Schumacker-rechtspraak doet, heeft het op zichzelf geen zin om het HvJ prejudiciële vragen te stellen. Het staat een lidstaat immers EU-rechtelijk vrij om niet-ingezetenen beter te behandelen dan het HvJ doet.
5.15
Nationale rechters zullen het echter, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ, dus zolang het HvJ niet stilzwijgend (hij doet dat nooit transparant) omgaat, ook als, zoals in casu, het niet-volgen van die onjuiste rechtspraak geen schending van EU-recht kan produceren. Pro rata toekenning van werkstaattegemoetkomingen leidt evenmin tot – omgekeerd - discriminatie van ingezetenen, nu zij immers juist gelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen inhoudt, zodat ook geen probleem met het Twaalfde Protocol EVRM (algemeen discriminatieverbod) kan ontstaan. Evenmin ontstaat spanning met art. 104 Grondwet (fiscaal legaliteitsbeginsel), nu het niet om heffing, maar om op rechtstreeks werkend EU-recht gebaseerde reductie van de volgens de nationale wet verschuldigde belasting gaat.
5.16
Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de correcte inkomensbreukbenadering die hij in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) toepaste op de twee betrokken werkstaten, thans ook - in afwijking van zijn Schumacker-rechtspraak - zal toepassen op de woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch die kant op te begeleiden door hem prejudiciële vragen voor te leggen in onze bronstaatcasus, gegeven dat het hoe dan ook onduidelijk is waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals onze belanghebbende, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen volledig te absorberen (zie onderdeel 1.13 van de bijlage bij deze conclusie).
5.17
Ik geef u daarom in overweging het HvJ prejudicieel vragen voor te leggen van de volgende strekking:
Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/6844. en art. 7(2) Vo. 492/201145. inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 30% van het inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) maar het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden? Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
5.18
Maar het heeft geen zin dezelfde vragen in vergelijkbare zaken te stellen, zodat áls u vragen stelt, de (zelfde) vragen volstaan in de zaak met nummer 22/02356 waarin ik vandaag eveneens concludeer. Ook belanghebbendes zaak kan dan aangehouden worden totdat de vragen in die zaak 22/02356 beantwoord zijn door het HvJ.
6. Conclusie
Ik geef u in overweging om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen in de zaak met nummer 22/02356 waarin ik vandaag eveneens concludeer en ook belanghebbendes zaak aan te houden totdat het HvJ die vragen beantwoord zal hebben.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107, NLF 2020/2436 met noot van Swaving Dijkstra, NTFR 2020/3435 met noot van Faber, V-N 2020/60.2.2.
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:3 1, punt 34 t/m 38 (Schumacker); Hof van Justitie 10 mei 2012 C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punt 52 (Commissie v. Estland); en Hof van Justitie 9 februari 2017, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 38 (X v. Staatssecretaris van Financiën).
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof van Justitie 10 maart 2009, C-169/07, ECL1:EU:C:2009:141, punt 17 en 18 (Wallentin); en Hof van Justitie 10 mei 2012 C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punt 53 en 54 (Commissie v. Estland).
Voetnoot in origineel: Zie Hof van Justitie 10 mei 2012 C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, punt 55 (Commissie v. Estland).
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93, ECLI:EU:C: 1995:31, punt 32 (Schumacker).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:359, FutD 2021-0584, NTFR 2021/1062 met noot van Schouten, V-N 2021/15.2.4, NLF 2021/0397.
Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2014, 579, p. 19.
Voetnoot in origineel: “Vgl. A-G Niessen ECLI:NL:PHR:2019:408, onderdeel 3.14.”
Voetnoot in origineel: “Vgl. onderdeel 81 van de conclusie van A-G Wathelet voor de zaak X.”
Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1569, FutD 2022-1676, NLF 2022/1168 waarin wordt verwezen naar NLF 2022/1145 met noot Swaving Dijkstra, V-N 2022/41.1.3, Vp-bulletin 2022/46 met noot Rebbens en Tobben.
Bij het Hof waren meer zaken aanhangig waarin de betekenis van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ aan de orde is. Het Hof heeft daarom in een gemeenschappelijke bijlage bij al die zaken de lijn uitgezet die hij volgt bij de toepassing van het EU-recht in gevallen vergelijkbaar met die van de belanghebbende.
Voetnoot in origineel: het wereldinkomen van belanghebbende bedraagt € 45.300, het binnenlandse inkomen € 31.959. Het binnenlandse inkomen bedraagt derhalve 70,55% van het wereldinkomen. Het totaal aan tegemoetkomingen in verband met persoonlijke en gezinssituatie bedraagt € 11.113. Een evenredige tegemoetkoming (70,55%) leidt dan tot een aftrek van € 7.841. € 31.959 - € 7.841 = € 24.118.
Voetnoot in origineel: Algemene heffingskorting: € 2.103 x 8,35/36,5 =€ 481, ouderenkorting: € 1.042 x 8,35/18,6 = € 468; alleenstaande ouderenkorting: € 433 x 8,35/18,6 = € 194. Totaal € 1.143. Evenredig deel: €1.143 x 70,55%= €807.
Voetnoot in origineel: 6Belasting verschuldigd over € 24.118: eerste schrijf: € 1.655; tweede schrijf: € 4.296 x 13,85% = € 595. Totaal € 2.250. Verschuldigde belasting minus heffingskorting is € 1.443.
Voetnoot in origineel: Wereldinkomen € 45.300 minus totaal tegemoetkomingen in verband met persoonlijke en gezinssituatie € 11.113 is € 34.187.
Voetnoot in origineel: Algemene heffingskorting: € 1.870 x 8,35/36,5 = € 428, ouderenkorting: € 1.042 x 8,35/18,6 = € 468; alleenstaande ouderenkorting: € 433 x 8,35/18,6 = € 194. Totaal € 1.090.
Voetnoot in origineel: Belasting verschuldigd over € 34.187: eerste schijf en tweede schijf: € 3.561; derde schrijf: € 598 x 42% = € 251. Totaal € 3.812. Verschuldigde belasting minus heffingskorting is € 2.722.
Voetnoot in origineel: Het wereldinkomen van belanghebbende bedraagt € 45.635, het binnenlandse inkomen € 31.959. Het binnenlandse inkomen bedraagt derhalve 70,03% van het wereldinkomen. Het totaal aan tegemoetkomingen in verband met persoonlijke en gezinssituatie bedraagt € 10.186. Een evenredige tegemoetkoming (70,03%) leidt dan tot een aftrek van € 7.134. € 31.959 - € 7.134 = € 24.825.
Voetnoot in origineel: Algemene heffingskorting: € 2.005 x 8,4/36,55 = € 461, ouderenkorting: € 1.187 x 8,4/18,65 = € 535; alleenstaande ouderenkorting: € 436 x 8,4/18,65 = € 196. Totaal € 1.192. Evenredig deel: € 1.192 x 70,03% = € 835.
Voetnoot in origineel: Belasting verschuldigd over€ 24.825: eerste schrijf: € 1.673; tweede schrijf: € 4.903 x 12,25% = € 600. Totaal € 2.273. Verschuldigde belasting minus heffingskorting is € 1.438.
Voetnoot in origineel: Wereldinkomen € 45.635 minus totaal tegemoetkomingen in verband met persoonlijke en gezinssituatie € 10.186 is € 35.449.
Voetnoot in origineel: Algemene heffingskorting: € 1.493 x 8,4/36,55 = € 343, ouderenkorting: € 1.187 x 8,4/18,65 = € 535; alleenstaande ouderenkorting: € 436 x 8,4/18,65 = € 196. Totaal € 1.075.
Voetnoot in origineel: Belasting verschuldigd over € 35.449: eerste schrijf en tweede schijf: € 3.400; derde schrijf: € 1.422 x 40,4% = € 574. Totaal € 3.974. Verschuldigde belasting minus heffingskorting is € 2.900.
Voetnoot in origineel: Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107.
HvJ 10 mei 2012, C-39/10, Commissie tegen Estland, ECLI:EU:C:2012:282, na conclusie Jääskinen, V-N 2012/27.13.1.
Voetnoot in origineel: “De AOW-uitkeringen SVB ten bedrage van € 13.341 (2015) en € 13.676 (2016) zijn terheffing aan Frankrijk toegewezen.”
HvJ 18 maart 2010, C-440/08, Gielen, ECLI:EU:C:2010:148, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, BNB 2010/179 met noot Kavelaars.
HvJ 19 november 2015, C-632/13, Hirvonen, ECLI:EU:C:2015:765, zonder conclusie, V-N 2004/50.18.
Zie daarover nader Hein Vermeulen, ‘Individual Income Taxation’, Ch. 13 in Terra/Wattel, European Tax Law, Wolters-Kluwer, 8th ed. 2022, para. 13.5 (Option to be Taxed as a Resident).
Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2014, 579, p. 19.
Zie daarover nader onder meer N.P. Schipper, De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers (Fiscale Monografieën nr. 158) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 213: “Zolang zij in totaal geen hogere belasting verschuldigd zijn, is in dit verband reeds geen sprake van een belemmering.” Schipper verwijst onder meer naar het eerder genoemde Hirvonen-arrest van het HvJ.
Zie bijvoorbeeld HvJ 16 oktober 2008, C-527/06, Renneberg,ECLI:EU:C:2008:566, na conclusie Mengozzi, BNB 2009/50 met noot Burgers (onderdeel 2.25 van de bijlage bij deze conclusie).
HvJ 18 juli 2007, C-182/06, Lakebrink,ECLI:EU:C:2007:452, na conclusie Mengozzi, BNB 2008/3 met noot Meussen (onderdeel 2.22 van de bijlage bij deze conclusie).
HvJ 16 oktober 2008, C-527/06, Renneberg,ECLI:EU:C:2008:566, na conclusie Mengozzi, BNB 2009/50 met noot Burgers (@ bijlage)
Zie daarover bijvoorbeeld F.P.G. Pötgens, Nadere precisering Schumacker-criteria, NTFR-B 2012/36, p. 1, en A. Fitz Verploegh, De effectuering van fiscale persoonlijke tegemoetkomingen van buitenlandse belastingplichtigen, Deventer: Kluwer 2017, p. 34.
Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 11, p. 9.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1221, na conclusie Niessen, BNB 2019/154 met noot Meussen.
Zie bijvoorbeeld HvJ 6 december 2007, C-298/05, Columbus Container Services, ECLI:EU:C:2007:754, na conclusie Mengozzi, FED 2008/35 met noot Daniëls, HvJ 28 februari 2008, C-293/06, Deutsche Shell,ECLI:EU:C:2008:129, na conclusie Sharpston, BNB 2009/84 met noot Wattel, en HvJ 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt, ECLI:EU:C:2008:588, zonder conclusie, BNB 2009/86 met noot Wattel.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
HvJ 28 januari 1992, C-204/90, Bachmann,ECLI:EU:C:1992:35, na conclusie Mischo, FED 1992/286, met noot Wattel.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Conclusie 31‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:442 Inwoner van België met loon waarover Nederland het heffingsrecht heeft en hypotheekrente in België: (i) kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8 Wet IB 2001? (ii) aftrek hypotheekrenteaftrek op grond van de EU-Schumackerdoctrine? De belanghebbende woonde in 2015 in België en werkte in loondienst in Nederland bij “zijn” BV. Het heffingsrecht over zijn loon was aan Nederland toegewezen. De Belgische fiscale wetgeving gaf hem voor zijn Belgische eigen woning recht op een woonbonus, maar die kon vanwege het verwaarloosbare aan België toegewezen inkomen daar slechts zéérr beperkt worden verzilverd. In geschil is of de belanghebbende daarom voor dat jaar in Nederland aanspraak heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning, hetzij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8 Wet IB 2001 (dat vereist dat naar Nederlandse maatstaven nagenoeg het gehele inkomen in Nederland wordt verdiend), hetzij op grond van EU-recht (vrijheid van personenverkeer). Rechtbank Zeeland-West-Brabant: nu de woonstaat België niet in staat is om rekening te houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie, noopt de Schumacker-rechtspraak van het HvJ ertoe dat de werkstaat Nederland dat doet. Of hij te weinig inkomen geniet in de woonstaat, moet worden beoordeeld naar de inkomensmaatstaven van de woonstaat België. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in een bijlage bij zijn uitspraak in een stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ zijns inziens moet worden begrepen en dat plan toegepast op belanghebbendes geval. Die stappen zijn de volgende: “1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen. 2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. 3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. 4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.” Belanghebbendes geval is op die basis een “klassieke Schumacker-situatie” (stap 1) omdat 90% of meer van zijn wereldinkomen in Nederland – en daarmee buiten zijn woonstaat België – werd verdiend. De werkstaat Nederland is dan volgens het Hof verplicht om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, waaronder zijn negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning. In cassatie stelt de Staatssecretaris dat het Hof Nederland ten onrechte gehouden heeft geacht hypotheekrenteaftrek te verlenen, nu de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van art. 7.8 Wet IB 2001. Volgens hem moet het inkomen dat aan België is toegewezen niet worden bepaald naar Belgische maar naar Nederlandse maatstaven, zoals art. 7.8 Wet IB 2001 bepaalt. A-G Wattel meent met Hof ’s-Hertogenbosch dat als de Schumacker-rechtspraak als uitgangspunt wordt genomen, uit die rechtspraak volgt dat de (niet)beschikbaarheid van woonstaatvoordelen beoordeeld moet worden naar woonstaatmaatstaven. Bij zijn conclusie gaat een bijlage waarin de Schumacker-rechtspraak van het HvJ wordt uiteengezet en becommentarieerd. Die rechtspraak is volgens de A-G onverenigbaar met EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Volgens A-G Wattel moet belanghebbendes EU-rechtelijke positie wel degelijk naar Nederlandse (werkstaat) fiscale maatstaven worden beoordeeld, maar op een andere wijze dan de Staatssecretaris voorstaat.’s Hofs stappen 1 t/m 3 moten zijns inziens overgeslagen worden; alleen stap 4 is relevant en vereist: Nederland moet niet-ingezetenen als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook een evenredig deel van de Nederlandse tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc. Het HvJ is in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) die correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als er enig inkomen in de woonstaat is onderworpen. Gegeven het – naar Belgische maatstaven – verwaarlossbare in België onderworpen inkomen, kan deze het simpelst afgedaan worden, zoals het Hof heeft gedaan, als klassiek Schumacker-geval, maar de A-G geeft de Hoge Raad in overweging het HvJ verder op de goede evenredigheidsweg te helpen door hem vragen voor te leggen van de volgende strekking: 1. Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien (i) de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/68 en art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers en (ii) de zeer aanzienlijke dispariteiten tussen lidstaten bij (a) de grondslagbepaling voor de inkomstenbelasting (zoals in casu een zeer gering Belgisch forfaitair vastgoedinkomen ad € 553 tegenover een Nederlands eigenwoningforfait ad € 7.500 en een in België belast reëel vermogens-rendement ad € 329 tegenover een in Nederland belast fictief vermogensrendement ad € 56.687) en bij (b) de omvang en aard van fiscale voordelen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige (in casu in België een woonbonus ad maximaal € 2.280 tegenover in Nederland een hypotheekrenteaftrek ad € 29.822), aldus uitgelegd worden dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als de belastingplichtige door de toepassing van het toepasselijke belastingverdrag in zijn woonstaat (in casu België) zeer beperkt is onderworpen aan effectieve belastingheffing en daardoor de Belgische woonbonus slechts zeer beperkt kan verzilveren? 2. Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige, zoals in casu, slechts een zeer beperkt deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten omdat zijn aan de woonstaat toegewezen inkomen te laag is om die tegemoetkomingen, zoals in casu de Belgische woonbonus, volledig te absorberen? 3. Is daarbij van belang dat België geen hypotheekrenteaftrek kent zoals in Nederland, waardoor de Belgische en Nederlands tegemoetkomingen in aard en omvang onvergelijkbaar zijn en sprake is van een dispariteit?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02359
Datum 31 maart 2023
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2015
Nr. Gerechtshof 21/00228
Nr. Rechtbank BRE 19/2857
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
De Staatssecretaris van Financiën
tegen
De erven van [A]
1. Overzicht
1.1
Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaken 22/02356 en 22/02362 waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die gemeenschappelijke bijlage ga ik in op de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het hof van Justitie van de EU (HvJ) en op de gevolgen daarvan voor de inkomstenbelastingstelsels van de EU-lidstaten, met name Nederland.
1.2
De belanghebbenden in deze cassatieprocedure zijn de erven van de inmiddels overleden [A], die in 2015 in België woonde en in loondienst werkte bij de in Nederland gevestigde BV waarin hij ook middellijk enig aandeelhouder was. Ik gebruik hierna de term ‘belanghebbende’ voor de erflater, zoals ook de feitenrechters hebben gedaan.
1.3
Het belastingverdrag tussen Nederland en België wijst het heffingsrecht over loon toe aan de staat waar de dienstbetrekking wordt uitgeoefend, in casu Nederland. De Belgische fiscale wetgeving gaf de belanghebbende in 2015 voor zijn Belgische eigen woning recht op een woonbonus, maar die kon vanwege het geringe aan België toegewezen inkomen aldaar slechts zeer beperkt worden verzilverd. In geschil is of de belanghebbende daarom voor dat jaar in de werkstaat Nederland aanspraak heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning. De Inspecteur meent van niet, de belanghebbende(n) van wel.
1.4
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard. Nu de woonstaat België niet in staat is om hem de fiscale voordelen in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen, noopt de Schumacker-rechtspraak van het HvJ de werkstaat Nederland daartoe. Voor de beantwoording van de vraag of de niet-ingezetene te weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat, moet worden gekeken naar het inkomen volgens de maatstaven van die woonstaat (in dit geval België).
1.5
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het hogere beroep van de Inspecteur daartegen ongegrond verklaard. In een bijlage bij zijn uitspraak heeft hij met een stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ zijns inziens moet worden begrepen en dat plan vervolgens toegepast op belanghebbendes geval. Die stappen zijn de volgende:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
1.6
Voor belanghebbendes geval betekent dit dat het om een “klassieke Schumacker-situatie” gaat (stap 1) omdat 90% of meer van zijn wereldinkomen in Nederland – en daarmee buiten zijn woonstaat België – werd verdiend. De werkstaat Nederland is dan volgens het Hof verplicht om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, waaronder zijn negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning.
1.7
In cassatie stelt de Staatssecretaris dat het Hof Nederland ten onrechte EU-rechtelijk gehouden heeft geacht de negatieve inkomsten uit de Belgische gelegen woning in aftrek toe te laten, nu de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die art. 7.8 Wet IB 2001 stelt aan een ‘kwalificerende buitenlands belastingplichtige’. Volgens hem moet het inkomen dat ter heffing aan België is toegewezen niet worden bepaald naar Belgische maar naar Nederlandse maatstaven, zoals art. 7.8 Wet IB 2001 bepaalt.
1.8
Als de Schumacker-rechtspraak van het HvJ als uitgangspunt wordt genomen, meen ik met het Hof Den Bosch dat uit de rechtspraak van het HvJ, met name uit Wallentin, Meindl en C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) volgt dat de (niet)beschikbaarheid van woonstaat-tegemoetkomingen beoordeeld moet worden naar woonstaatmaatstaven.
1.9
Die Schumacker-rechtspraak is echter onverenigbaar met EU-recht. Belanghebbendes EU-rechtelijke positie moet mijns inziens wel degelijk naar Nederlandse fiscale maatstaven worden beoordeeld, maar op een andere wijze dan de Staatssecretaris voorstaat.
1.10
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak van het HvJ onverenigbaar met het EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
1.11
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van het inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan België toegewezen deel van zijn het inkomen de Belgische tegemoetkomingen al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat België. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage bij deze conclusie). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat
1.12
In belanghebbendes geval leidt dat ertoe dat zijn aanslag 2015 herzien moet worden alsof hij toen binnenlands belastingplichtig was, mét toepassing van het belastingverdrag alsof hij inwoner van Nederland was. Op basis van de vastgestelde feiten lijkt mij dat in cassatie niet mogelijk, zodat de zaak verwezen zou moeten worden. Kennelijk is een zeer significant fictief box 3 inkomen in aanmerking genomen waarvan kennelijk een groot deel aan België toegerekend word omdat het om daar gelegen onroerend goed gaat.
1.13
Deze benadering strookt niet met de helaas nog steeds vigerende Schumacker-rechtspraak, die de woonstaat volledig tegemoetkomingsverantwoordelijk maakt ongeacht de verdeling van belastingaanspraken tussen woon- en werkstaten en die behalve in ‘klassieke Schumacker-situaties’ discriminatie van niet-ingezetenen door de werksta(a)t(en) toestaat. Het is ook eenvoudiger om deze zaak als een klassiek Schumacker-geval af te doen en het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren. Maar u zou ook kunnen proberen het HvJ verder te helpen op de juiste evenredigheidsweg die hij terecht is ingeslagen in zijn arrest in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) door hem prejudicieel vragen van de onderstaande strekking voor te leggen:
1. Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien
(i) de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/681. en art. 7(2) Vo. 492/20112. inzake het vrije verkeer van werknemers en
(ii) de zeer aanzienlijke dispariteiten tussen lidstaten bij (a) de grondslagbepaling voor de inkomstenbelasting (zoals in casu een zeer gering Belgisch forfaitair vastgoedinkomen ad € 553 tegenover een Nederlands eigenwoningforfait ad € 7.500 en een in België belast reëel vermogensrendement ad € 329 tegenover een in Nederland belast fictief vermogensrendement ad € 56.687) en (b) de omvang en aard van fiscale voordelen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige (in casu in België een woonbonus ad maximaal € 2.280 tegenover in Nederland een hypotheekrenteaftrek ad € 29.822),
aldus uitgelegd worden dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als de belastingplichtige door de toepassing van het toepasselijke belastingverdrag in zijn woonstaat (in casu België) zeer beperkt is onderworpen aan effectieve belastingheffing en daardoor de Belgische woonbonus slechts zeer beperkt kan verzilveren?
2. Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige, zoals in casu, slechts een zeer beperkt deel van de woonstaat-tegemoetkomingen kan benutten omdat zijn aan de woonstaat toegewezen inkomen te laag is om die tegemoetkomingen, zoals in casu de Belgische woonbonus, volledig te absorberen?
3. Is daarbij van belang dat België geen hypotheekrenteaftrek kent zoals in Nederland, waardoor de Belgische en Nederlands tegemoetkomingen in aard en omvang onvergelijkbaar zijn en sprake is van een dispariteit?
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende woonde in 2015 in België en werkte in loondienst bij een in Nederland gevestigde BV waarin hij ook middellijk enig aandeelhouder was. Het belastingverdrag tussen Nederland en België wijst het heffingsrecht over loon toe aan het land van uitoefening van de dienstbetrekking, i.e. aan Nederland. Belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting 2015 vermeldt de volgende bedragen:

2.2
De belanghebbende is in 2015 in België in de heffing van de personenbelasting betrokken. Daarbij is vrijstelling verleend voor het in Nederland verdiende loon. België heeft wel personenbelasting geheven over forfaitair bepaalde inkomsten (€ 553) uit (een 97% blote-eigendomsaandeel in) een Belgische onroerende zaak (een woning die niet belanghebbenders hoofdverblijf was en in 2015 niet werd verhuurd). België heeft ook personenbelasting geheven over de rente ad € 329,59 die in 2015 is uitgekeerd op door de belanghebbende in België aangehouden spaarrekeningen. Het saldo van die spaarrekeningen was op 1 januari 2015 € 85.309.
2.3
De Belgische fiscale wetgeving kent een woonbonus toe aan eigenaren van een in België gelegen woning die als hoofdverblijf wordt gebruikt. Met die woonbonus wordt forfaitair rekening gehouden met rentebetalingen en kapitaalaflossingen in verband met de financiering van die woning. Vóór toepassing van de woonbonus bedroeg belanghebbendes personenbelasting 2015 € 277,64 (gewestelijke belasting € 50,74 en federale belasting € 226,90). Door de woonbonus is de over 2015 verschuldigde personenbelasting bijgesteld naar nihil voor zowel de gewestelijke als de federale belasting. De maximale in 2015 voor de belanghebbende beschikbare woonbonus bedroeg € 2.280, maar hij heeft die dus voor slechts € 277,64 kunnen verzilveren. België heeft geen andere fiscale faciliteiten in verband met de eigen woning verleend.
Geschil
2.4
In geschil is of de belanghebbende voor 2015 in Nederland aanspraak heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning. De Inspecteur meent van niet; de belanghebbende(n) van wel. Het bezwaar van de belanghebbende tegen de aanslag 2015 is door de Inspecteur ongegrond verklaard.
2.5
Niet in geschil is dat de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden in art. 7.8(6) Wet IB 2001 voor de status van kwalificerende buitenlandse belastingplichtige omdat zijn inkomen 2015 niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Naar Nederlandse maatstaven is slechts 58% van zijn totale inkomen 2015 in Nederland aan belastingheffing onderworpen: (€ 77.880 / 134.567) x 100% = 58%. Niet in geschil is dat als het wereldinkomen 2015 (exclusief de negatieve inkomsten uit eigen woning) naar Nederlandse maatstaven wordt berekend, dat wereldinkomen € 134.567 bedraagt: € 77.880 uit werk en woning (box 1) en € 56.687 uit sparen en beleggen (box 3).
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant3.
2.6
De Rechtbank leidde uit de Schumacker-rechtspraak van het HvJ af dat een EU-lidstaat bepaalde belastingvoordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige mag reserveren voor (alleen) ingezetenen, maar niet als de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in zijn woonstaat en zijn belastbare inkomen (nagenoeg) geheel verwerft in de andere lidstaat, waardoor de woonstaat hem geen fiscale voordelen in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie kan toekennen. De vraag is of de belanghebbende een zodanig gering inkomen in België genoot dat Nederland hem de Nederlandse fiscale persoonlijke tegemoetkomingen moet toekennen. De partijen verschillen van mening naar welke maatstaf bepaald moet worden of het Belgische inkomen zo gering is. Daarover heeft de Rechtbank overwogen:
“2.12. (…) is de rechtbank van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of de niet-ingezetene te weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat, gekeken moet worden naar het inkomen volgens de maatstaven van die woonstaat. Immers is dat het inkomen dat bepalend is of in de woonstaat rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Het is niet logisch dat zou moeten worden uitgegaan van werkstaatcriteria, zoals de inspecteur bepleit. Daarvoor is ook geen steun te vinden in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Gekeken moet dus worden of belanghebbende naar Belgische grondslagen een te gering inkomen heeft.”
2.7
De Rechtbank constateerde op die basis dat de belanghebbende in België fiscaal objectief onvoldoende was onderworpen om de Belgische woonbonus te benutten:
“2.13. (...). Anders dan de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat niet uitgegaan moet worden van het inkomen van € 43.385,29,4.maar van het inkomen dat effectief door België kan worden belast. Immers, slechts ter zake van dat inkomen kan België daadwerkelijk rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie. (…). Gelet op het voorgaande moet het vrij te stellen inkomen van € 42.832,29 buiten beschouwing blijven. Dan blijft over € 553 aan inkomsten uit onroerende goederen, en daarnaast € 329,59 aan afzonderlijk te belasten roerende inkomsten. Beoordeeld naar Belgische maatstaven is dat een te gering inkomen als hiervoor bedoeld. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat de woonbonus niet volledig kan worden geëffectueerd als gevolg van een te laag effectief in België belastbaar inkomen. Het blijkt ook uit de omstandigheid dat de belastingvrije som van € 7.090 veel hoger is dan het effectief in België belastbaar inkomen. Opmerking verdient daarbij dat het er weliswaar op lijkt dat de belastingvrije som in die zin wordt benut dat de som in aftrek komt op het wereld inkomen, maar dat dit niet betekent dat daarmee effectief rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie aangezien dat inkomen nagenoeg geheel bestaat uit vrij te stellen inkomen.”
2.8
De Rechtbank heeft daarom de werkstaat Nederland op grond van de Schumacker-doctrine gehouden geacht zijn draagkrachtvergeldende voordelen, met name hypotheekrenteaftrek aan de belanghebbende toe te kennen. Ter zitting hebben de partijen overeenstemming bereikt dat de belanghebbende in dat geval recht heeft op een aftrekpost van € 20.042. Ik neem aan dat dat bedrag bestaat uit de betaalde hypotheekrente (€ 29.822) verminderd met het eigenwoningforfait (€ 7.500) en de Belgische woonbonus (€ 2.280).
2.9
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daarom gegrond verklaard en de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.838 (€ 77.880 minus € 20.042).
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch5.
2.10
Op het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep heeft het Hof overwogen dat de belanghebbende rechtstreeks beroep op het Unierecht heeft. Anders dan de Inspecteur betoogt, is de vaststelling van het wereldinkomen in hoofdstuk 7 Wet IB 2001 niet beslissend omdat nationaal recht moet worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht.
2.11
In een gemeenschappelijke bijlage bij onder meer6.belanghebbendes zaak heeft het Hof op basis van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ uitgewerkt hoe het vrije verkeer van personen en kapitaal zijns inziens moet worden toegepast in gevallen zoals dat van de belanghebbende, uitmondend in een stappenplan op basis van vier vragen:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
2.12
Over de wijze waarop het wereldinkomen en het aan België ter heffing toegewezen inkomen moet worden bepaald heeft het Hof het volgende overwogen:
“4.4. De inspecteur heeft het wereldinkomen ten onrechte herrekend naar Nederlandse maatstaven. Het inkomen waarover de heffing aan België, als woonland, is toegewezen dient vastgesteld te worden aan de hand van de door dat land gehanteerde maatstaven. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst het hof naar de onderdelen 8 tot en met 11 van de bijlage.”
Die bijlage vermeldt op dat punt onder meer:
“9. De inspecteur verdedigt (…) dat gekeken moet worden naar het totale wereldinkomen dat de woonlidstaat in beginsel in aanmerking kan nemen en dat hierbij geen rekening gehouden hoeft te worden met een toewijzing van heffingsrechten op grond van een bilateraal belastingverdrag. Dit standpunt wordt door het hof verworpen. Dit standpunt zou immers meebrengen dat aan de Schumacker-jurisprudentie elke werking wordt ontzegd. In de meeste lidstaten is het immers gebruikelijk dat de woonlidstaat het wereldinkomen in de belastingheffing betrekt, voordat op basis van een bilateraal belastingverdrag voorkoming van dubbele belasting wordt verleend. De rechtspraak van het HvJ EU brengt juist mee dat wanneer de woonlidstaat feitelijk niet kan heffen over het in de werklidstaat genoten inkomen, omdat het heffingsrecht daarover is toegewezen aan de werklidstaat, beoordeeld moet worden of er nog voldoende inkomen in de woonlidstaat zelf wordt genoten waarover belasting mag worden geheven om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Het inkomen waarvan het heffingsrecht op grond van een bilateraal belastingverdrag is toegewezen aan de werklidstaat dient derhalve buiten aanmerking te blijven.
10. De inspecteur verdedigt verder bij de beantwoording van de eerste vraag dat uitgegaan moet worden van het inkomen naar Nederlands recht, ongeacht de wijze waarop de woonlidstaat het inkomen in aanmerking neemt. Het hof verwerpt dit standpunt. Uit de arresten Wallentin7.en Meindl8.blijkt naar het oordeel van het hof overtuigend dat moet worden gekeken naar het in de woonlidstaat te belasten inkomen volgens de regels van de woonlidstaat. In de zaak Wallentin genoot Wallentin weliswaar in zijn woonland Duitsland een maandelijkse toelage van zijn ouders en een maandelijks stipendium van de Duitse overheid, maar naar Duits belastingrecht werden deze inkomsten niet aangemerkt als belastbaar inkomen. In de zaak Meindl genoot de echtgenote in woonlidstaat Oostenrijk een zwangerschapsuitkering, een bijzondere ouderschapsuitkering en gezinsbijstand, maar deze inkomsten waren naar Oostenrijks recht geen belastbare inkomsten. In beide zaken oordeelde het HvJ EU dan ook dat in de woonlidstaat geen rekening kon worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie en dat de werklidstaat hier om deze reden wel rekening mee dient te houden. Naar het oordeel van het hof dient het in de woonlidstaat genoten inkomen derhalve bepaald te worden aan de hand van de maatstaven van die lidstaat.
11. Op grond van het voorgaande en de vaste rechtspraak van het HvJ EU is het hof van oordeel dat wanneer een belastingplichtige in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis geniet en 90% of meer van zijn wereldinkomen, buiten de woonlidstaat verdient, de werklidstaat verplicht is rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. In een dergelijk geval dienen de faciliteiten die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking genomen te worden in de werklidstaat, aangezien de woonlidstaat dergelijke faciliteiten niet kan verlenen. Indien er sprake is van meerdere werklidstaten, dienen de werklidstaten dit naar evenredigheid te doen.9.Deze situatie dient onderscheiden te worden van de situatie waarin niet aan het 90%- criterium wordt voldaan, inkomen van betekenis in de woonlidstaat wordt genoten en de woonlidstaat desondanks niet in staat is om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. (…).”
2.13
Voor de belanghebbende brengen die Belgische maatstaven het volgende mee:
“4.4. (…). In het onderhavige geval dient het ter heffing aan België toegewezen inkomen derhalve vastgesteld te worden op € 882,59.10.Daarmee staat vast dat sprake is van een “klassieke Schumacker-situatie”, aangezien belanghebbende 90% of meer van zijn wereldinkomen buiten de woonstaat verdient.11.De werklidstaat is dientengevolge verplicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie, waaronder de door belanghebbende genoten negatieve inkomsten uit eigen woning.
4.5.
Aan het voorgaande doet niet af dat de woonstaat reeds gedeeltelijk rekening heeft gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende doordat een woonbonus is verleend, aangezien deze bonus - als gevolg van het lage Belgische inkomen - niet volledig is toegekend. Het hof verwijst ter onderbouwing van dit oordeel naar onderdeel 11 van de bijlage.4.6. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende in Nederland aanspraak kan maken op aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning. Zoals onder 3.2. tot uitdrukking is gebracht, staat voor dat geval tussen partijen vast dat de rechtbank de aanslag terecht heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.83812..”
2.14
Het hof heeft daarom het hogere beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard.
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van repliek.
3.2
De Staatssecretaris acht art. 3.110 Wet IB 2001 (belastbare inkomsten uit eigen woning) en het EU-recht en/of art. 8:77 Awb geschonden doordat het Hof de belanghebbende op grond van EU-recht aftrek van negatieve inkomsten uit zijn Belgische eigen woning heeft verleend hoewel hij niet kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8(6) Wet IB 2001.
3.3
Anders dan het Hof, meent de Staatssecretaris dat het aan België toegewezen inkomen moet worden vastgesteld naar Nederlandse maatstaven:
“De vraag is of belanghebbende zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel heeft verdiend in Nederland, zodat de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende verschuift van de woonstaat België naar de werkstaat Nederland. Om te bepalen of Nederland rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie moet de hoogte van het wereldinkomen en het deel van het totale inkomen dat in Nederland is verdiend, worden vastgesteld. Aan de orde is of de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie aan Nederland moet worden toebedeeld. Daarom dient mijns inziens de vaststelling van het (wereld)inkomen naar Nederlandse maatstaven te geschieden. Voor de beoordeling of in Nederland het inkomen geheel of nagenoeg geheel wordt verdiend, is niet bepalend hoe België het deel van het totale inkomen dat ingevolge het verdrag tussen Nederland en België,13.ter heffing aan België is toegewezen, berekent. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende in 2015 zijn inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdiend en verschuift de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet van België naar Nederland.”
3.4
De Staatssecretaris concludeert:
“Het inkomen van belanghebbende dat in Nederland is onderworpen aan de belastingheffing, maakt voor 58% deel uit van zijn totale inkomen, dat - evenals bij een ingezetene van Nederland - naar Nederlandse maatstaven is berekend. Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van België over te nemen. Belanghebbende heeft inkomen genoten ten aanzien waarvan in België belastingheffing heeft plaatsgevonden en heeft gebruikgemaakt van de aldaar geldende fiscale faciliteit ten behoeve van de eigen woning. Daarmee heeft de woonstaat rekening gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De omstandigheid dat de door België verleende fiscale faciliteit niet geheel is gebruikt en minder gunstig is dan de Nederlandse eigenwoningregeling vloeit voort uit de dispariteit tussen de nationale belastingstelsels van Nederland en België en leidt niet tot strijdigheid met het EU-recht. Ten onrechte is het Hof van oordeel dat het EU-recht Nederland ertoe dwingt (ook) aftrek van de negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning te verlenen aan belanghebbende.”
3.5
Bij verweer onderschrijven de belanghebbenden de uitspraak van het Hof ‘s-Hertogenbosch Zij bestrijden het betoog van de Staatssecretaris en sluiten aan bij de motivering die het Hof voor zijn oordeel heeft gegeven.
4. Nationaal recht - art. 7.8 Wet IB 2001
4.1
Volgens de rechtspraak van het HvJ moet een EU-lidstaat onder omstandigheden een niet-inwoner fiscaal als inwoner behandelen. Een overzicht van die rechtspraak is opgenomen in de bijlage bij deze conclusie. Met art. 7.8 Wet IB 2001 (de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige), op 1 januari 2015 ingevoerd naar aanleiding van het onjuiste Gielen-arrest14.van het HvJ, beoogt Nederland aan die rechtspraak gevolg te geven. Vóór 2015 konden niet-inwoners naar het hen beter uitkwam kiezen tussen buitenlandse belastingplicht en behandeling als binnenlands belastingplichtige, maar in het genoemde Gielen-arrest heeft het HvJ dat keuzeregime, dat niet-ingezetenen bevoordeelde boven ingezetenen door hen een keuze te geven, ten onrechte als discriminatoir jegens die niet-ingezetenen aangemerkt. In zijn latere Hirvonen-arrest15.heeft hij die fout kennelijk ingezien en heeft hij een vergelijkbaar Zweeds keuzeregime wél aanvaard, daarbij verwoed – mijns inziens vergeefs – pogende om Hirvonen te onderscheiden van Gielen.16.Doordat Nederland door het Gielen-arrest ten onrechte werd gedwongen het interne-marktvriendelijke keuzeregime af te schaffen, worden niet-ingezetenen zoals de belanghebbende, voor wie behandeling als ingezetene voordelig was in verband met zijn hypotheekrente, thans geconfronteerd met een hogere heffing dan onder het door het HvJ onhoudbaar gemaakte keuzeregime.
4.2
Art. 7.8 Wet IB 2001 (zie 4.3 hieronder) biedt als gevolg van Gielen dus geen keuze meer. Een buitenlandse belastingplichtige die aan de criteria van die bepaling voldoet, wordt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. Volgens de hoofdregel van lid 6 gaat het om niet-ingezetenen die wonen in een andere EU-lidstaat en wier inkomen (nagenoeg) geheel in Nederland is onderworpen aan de loon- of inkomstenbelasting.
4.3
De regeling van de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige luidt als volgt. Uit lid 7 blijkt dat de vraag of de niet-ingezetene zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdient, wordt beantwoord op basis van Nederlandse fiscale maatstaven:
Art. 7.8 Wet IB 2001:
“1. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:(…).
2. (…).
3. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland bepaald overeenkomstig afdeling 7.4, waarbij:
a. de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6 in aanmerking worden genomen, en
b. artikel 5.3, derde lid, eerste volzin, onderdeel f, en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing is.
(…).
6. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en:
a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of
b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting,
onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.
7. Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder het inkomen van de buitenlandse belastingplichtige verstaan het volgens de regels voor binnenlands belastingplichtigen berekende verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, van die belastingplichtige, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor inkomensvoorzieningen, persoonsgebonden aftrek en aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, waarbij voor het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen en waarbij de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse I en de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II worden bepaald aan de hand van de tabel in artikel 7.7, eerste lid. Het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, bedoeld in het zesde lid, is het zonder de toepassing van dit artikel bepaalde gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.8. (…).”
4.4
De Staatssecretaris leidt hieruit af dat ook de vraag of de niet-ingezeten belastingplichtige in zijn woonstaat voldoende inkomen heeft om aldaar ‘naar behoren’ van de lokale fiscale tegemoetkomingen te profiteren, beantwoord wordt naar Nederlandse maatstaven. Die opvatting volgt ook uit zijn besluit van 3 december 2019:17.ook daarin staat dat het (wereld)inkomen naar Nederlandse maatstaven moet worden vastgesteld als Nederland niet het woonland is.
4.5
De parlementaire geschiedenis van art. 7.8 Wet IB 2001 vermeldt onder meer het volgende over lid 7 (destijds lid 5):
“Het vijfde lid bepaalt welke inkomens tegen elkaar moeten worden afgezet om te bepalen of wordt voldaan aan het criterium, gesteld in het vierde lid. Als basis wordt genomen het verzamelinkomen zoals berekend volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen, verminderd met de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de negatieve persoonsgebonden aftrek en de belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de persoonsgebonden aftrek en de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Voor het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt daarbij uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen. Daartegenover staat het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Dit is het, zonder de toepassing van onderhavig artikel 7.8 bepaalde, gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de negatieve persoonsgebonden aftrek en de belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Indien dit bedrag geheel of nagenoeg geheel gelijk is aan het inkomen dat als basis is genomen (het inkomen als bedoeld in de eerste volzin van het vijfde lid), wordt voldaan aan het criterium, gesteld in het vierde lid.”18.
Hier staat dus, kort gezegd, dat voor de bepaling of het inkomen van de niet-ingezetene ‘nagenoeg geheel’ aan Nederland ter heffing is toegewezen, dat aan Nederland toegewezen inkomen gedeeld wordt door diens wereldinkomen, alles volgens Nederlandse fiscale maatstaven. Daarmee wordt automatisch ook het aan de woonstaat toegewezen inkomen bepaald volgens Nederlandse maatstaven; dat is immers wat er overblijft.
4.6
Naar nationaal recht is het middel van de Staatssecretaris dus gegrond. Nationaal recht kan echter rechtstreeks werkend EU-recht niet opzij zetten, zodat beoordeeld moet worden of het EU-recht Nederland noopt tot tegemoetkoming van de belanghebbende op het punt van renteaftrek.
5. Het vrije verkeer van personen - de Schumacker-rechtspraak en art. 7(2) Vo. 492/2011
5.1
Volgens het Hof Den Bosch volgt uit de arresten van HvJ in de zaken Wallentin (C-169/03, zie onderdeel 2.13 van de bijlage) en Meindl (C-329/05, zie onderdeel 2.20 van de bijlage) dat niet moet worden uitgegaan van de werkstaatmaatstaven, maar van de woonstaatmaatstaven bij de bepaling of de niet-ingezetene zich in een ‘klassieke Schumacker-situatie’ (werkstaat volledig verantwoordelijk) bevindt. Zie onderdeel 10 van ’s Hofs bijlage, geciteerd in 2.12 hierboven.
5.2
De genoemde zaak Wallentin19.betrof een Duitse student die in Duitsland woonde. In 1996 deed hij in zijn vakantie een betaalde stage in Zweden. In Duitsland bestond zijn inkomen uit een maandelijkse toelage (650 DEM) van zijn ouders en een maandelijkse studietoelage (350 DEM) van de Duitse overheid, die naar Duits recht geen belastbaar inkomen vormden. Zijn vakantiewerkloon ad 8.724 SEK werd door het belastingverdrag tussen Zweden en Duitsland toegewezen aan Zweden, waar hij als niet-inwoner geen recht had op een belastingvrije som. Hij achtte toekenning van een belastingvrije som alleen aan onbeperkt belastingplichtigen en niet aan beperkt belastingplichtigen zoals hij in strijd met art. 39 EG (thans art. 45 VwEU; vrij verkeer van werknemers):
“5 (…). Zijn aanvraag werd afgewezen door de [Zweedse; PJW] belastingdienst, die hem erop wees dat over het betrokken bedrag 25 % inkomstenbelasting moest worden betaald op grond van de „Lag (1991:586) om särskild inkomstskatt för utomlands bosatta” (wet inzake de bijzondere belasting op het inkomen van in het buitenland wonende personen; hierna: „SINK-wet”), die de gevallen van beperkte belastingplichtigheid in de inkomstenbelasting regelt.
6 De SINK-wet is van toepassing op in het buitenland wonende personen die tijdens een kortstondig verblijf van minder dan zes maanden per jaar in Zweden aldaar inkomsten verwerven. Het gaat om een bronbelasting en de belastingplichtige heeft geen enkel recht op een belastingaftrek of ‑vermindering wegens persoonlijke omstandigheden. Ter compensatie is het tarief van de bijzondere inkomstenbelasting lager dan het progressieve tarief van de algemene inkomstenbelasting, dat volgens de verwijzende rechter ongeveer 30 % bedraagt.
7 Wie gedurende meer dan zes maanden per jaar in Zweden woont en aan de algemene inkomstenbelasting is onderworpen (onbeperkt belastingplichtigen), heeft recht op een belastingvrije som, die voor het betrokken belastingjaar 8 600 SEK bedroeg. De volledige belastingvrije som wordt slechts toegekend aan belastingplichtigen die gedurende een volledig belastingjaar in Zweden woonden. Voor kortere verblijven van meer dan zes maanden wordt de belastingvrije som naar rata van het aantal maanden verblijf toegekend.
Het HvJ achtte deze Zweedse regeling inderdaad in strijd met het vrije werknemersverkeer:
“(…).
16 Wanneer een lidstaat een niet-ingezetene niet in aanmerking neemt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan ingezetenen verleent, is dat (…) in de regel niet discriminerend, gelet op de objectieve verschillen tussen de situatie van ingezetenen en van niet-ingezetenen zowel wat de inkomstenbron als wat de persoonlijke draagkracht of de persoonlijke en gezinssituatie betreft (reeds aangehaalde arresten Schumacker, punt 34; Gschwind, punt 23, en Gerritse, punt 44).
17 Het Hof heeft echter geoordeeld dat dit anders is ingeval de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen haalt uit de arbeid verricht in de werkstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie (zie arrest Schumacker, (…), punt 36, en arrest van 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 89). In het geval van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen verwerft in een andere lidstaat dan de woonstaat, is de discriminatie immers gelegen in het feit dat met de persoonlijke en gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden (arrest Schumacker, punt 38), ongeacht het verschillende belastingtarief van de bijzondere en de algemene inkomstenbelasting.
18 Dat is precies het geval in het hoofdgeding, waar Wallentin ten tijde van de feiten geen belastbaar inkomen in zijn woonstaat had, aangezien de maandelijkse toelage van zijn ouders en het stipendium van de Duitse overheid naar Duits belastingrecht geen belastbaar inkomen vormden.
19 Met betrekking tot de vraag of de betrokken belastingvrije som weergeeft dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, heeft het Hof geoordeeld dat de belastingvrije som naar Duits recht („Grundfreibetrag”) een sociaal doel dient, aangezien zij de mogelijkheid biedt, de belastingplichtige een bestaansminimum volledig vrij van inkomstenbelasting te waarborgen (arrest Gerritse, reeds aangehaald, punt 48). De processtukken bevatten geen enkel gegeven dat pleit voor een andere beoordeling van de naar Zweeds belastingrecht toegekende belastingvrije som.
20 Bijgevolg levert de omstandigheid dat deze belastingvrije som niet wordt toegekend aan beperkt belastingplichtigen die in hun woonstaat geen belastbaar inkomen verwerven, een met artikel 39 EG strijdige discriminatie op.”
Het onthouden van de belastingvrije som aan niet-inwoners is dus in strijd met het gemeenschapsrecht als de niet-ingezetene in zijn woonstaat alleen niet aan de inkomstenbelasting onderworpen inkomsten heeft.
5.3
De genoemde zaak Meindl20.betrof een zelfstandige die in 1997 in Duitsland woonde en werkte. Zijn echtgenote woonde in Oostenrijk. Meindl verdiende in 1997 in Duitsland 138.422 DEM. In dat jaar beviel zijn vrouw van een dochter. De Oostenrijkse overheid heeft haar een zwangerschapsuitkering, een bijzondere ouderschapsuitkering en gezinsbijstand betaald, die naar Oostenrijks recht geen belastbaar inkomen waren. Meindl werd in Duitsland als alleenstaande belast, maar hij wilde toepassing van het Duitse splittingsstelsel voor echtgenoten (lager tarief). Daarvoor gold echter de voorwaarde dat het gezinsinkomen, berekend naar Duitse maatstaven, voor meer dan 90% in Duitsland werd verdiend of het niet-Duitse deel lager was dan 24.000 DEM. Zijn verzoek werd afgewezen omdat aan geen van beide voorwaarden was voldaan: het Duitse deel van het gezinsinkomen was minder dan 90% en het gezin genoot in Oostenrijk meer dan 24 000 DEM: de Oostenrijkse zwangerschaps- en ouderschapsuitkeringen bedroegen samen 26.994,73 DEM. Deze Oostenrijkse loonvervangende uitkeringen werden in Duitsland niet als vrijgesteld beschouwd omdat zij niet krachtens Duits recht waren betaald. Dat de uitkeringen naar Oostenrijks recht niet belast waren, stond er naar Duits recht niet aan in de weg om ze mee te tellen voor de bepaling van het totale gezinsinkomen. Meindl achtte dat in strijd met de vestigingsvrijheid. Het HvJ oordeelde daarover als volgt:
“26. (…), bevindt een ingezeten belastingplichtige wiens echtgenoot in dezelfde lidstaat woont en daar slechts belastingvrije inkomsten verwerft, zich objectief gezien in dezelfde situatie als een ingezeten belastingplichtige wiens echtgenoot in een andere lidstaat woont en daar uitsluitend belastingvrije inkomsten verwerft, aangezien in beide gevallen het belastbare gezinsinkomen wordt gehaald uit de werkzaamheid van één van de echtgenoten en het hierbij in beide gevallen om de ingezeten belastingplichtige gaat.(…).32. Gelet op één en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 52 van het Verdrag zich ertegen verzet dat aan een ingezeten belastingplichtige door de lidstaat waar hij woont, wordt geweigerd om gezamenlijk met zijn in een andere lidstaat wonende echtgenoot die niet gescheiden van hem leeft, in de inkomstenbelasting te worden aangeslagen op grond dat deze echtgenoot in die andere lidstaat zowel meer dan 10 % van het gezinsinkomen als meer dan 24.000 DEM heeft verworven, wanneer de door die echtgenoot in deze andere lidstaat verworven inkomsten daar niet aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen.”
Waren de zwangerschapsuitkeringen op basis van Duits recht verstrekt, dan zouden zij op die grond volgens de Duitse belastingwetgeving belastingvrij zijn. Het echtpaar bevindt zich volgens het HvJ in een objectief gelijke situatie als een in Duitsland wonend echtpaar met dezelfde inkomsten, dat wel in aanmerking zou komen voor het splitting stelsel.
5.4
Volgens Pötgens21.volgt ook uit het HvJ-arrest Commissie/Estland (C-39/10; zie onderdeel 2.30 van de bijlage) dat naar de criteria van de woonstaat moet worden beoordeeld of de niet-ingezetene aldaar van de fiscale voordelen in verband met persoonlijke en gezinsomstandigheden gebruik kan maken.
5.5
Meussen22.constateert dat onze belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van art. 7.8 Wet IB 2001 vanwege het fictief rendement in de Nederlandse box 3. Hij meent met de Rechtbank dat de hypotheekrenteaftrek desondanks moet worden verleend.23.Volgens hem strookt dat met de opvattingen in de literatuur, waarbij hij onder meer naar Pötgens (zie 5.4 hierboven) verwijst.
5.6
Schipper24.ziet net als het Hof ’s-Hertogenbosch in Wallentin en Meindl aanwijzingen voor de woonstaatmaatstaven en noemt daarnaast ook de zaak D. v Inspecteur:25.
“Op basis van welke fiscale maatstaven moet (…) worden bepaald of een belastingplichtige voldoet aan een dergelijke inkomenseis: die van de werkstaat of die van de woonstaat? Of moet dit worden vastgesteld op basis van een autonome benadering? De fiscale grondslagen van de woonstaat en werkstaat zullen immers doorgaans uiteenlopen, waardoor onder omstandigheden naar de maatstaven van de woonstaat wel een groot deel van het inkomen belastbaar is in de werkstaat, terwijl dit naar het recht van de werkstaat niet het geval is (of andersom). Aanknopingspunten voor de beantwoording van dergelijke vraagstukken kunnen onder meer worden gevonden in de latere arresten Wallentin, D. en Meindl.”
5.7
Volgens Van Poppel en Ros26.gaat het juist om beoordeling op basis van de wetgeving van de woonstaat:
“Wij menen dat voor (…) de vraag of een buitenlandse belastingplichtige in zijn woonland voldoende inkomen geniet om aldaar rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie juist een beoordeling volgens de wetgeving van de woonstaat van belang is. Door verschillen in wetgeving kan het bijvoorbeeld voorkomen dat volgens Nederlandse fiscale maatstaven in het woonland voldoende inkomen wordt genoten om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie, terwijl dat volgens de wetgeving van het woonland niet het geval is. In die situatie worden de persoonlijke en gezinssituatie bij het toekennen van aftrekposten en tegemoetkomingen van de buitenlandse belastingplichtige nergens in aanmerking genomen.27.”
5.8
Ook De Haan en Bakker28.betwijfelen op basis van een uitgewerkt voorbeeld of berekening naar Nederlandse maatstaven correct is.
“Meneer S is in 2016 woonachtig in Duitsland. Hij geniet inkomsten uit dienstbetrekking in Nederland van € 15.000. Tevens geniet hij inkomsten uit een onderneming (eenmanszaak) in Duitsland. Deze inkomsten bedragen € 5.000. Stel dat Duitsland een genereuze regeling heeft voor (startende) ondernemers waardoor, na toepassing van de ondernemersfaciliteiten, slechts € 1.000 in Duitsland in de heffing wordt betrokken.
UitwerkingMeneer S verdient 75% (€ 15.000 / € 20.000) van zijn bruto-inkomen in Nederland en kwalificeert dus niet onder de hoofdregel van art. 7.8, lid 6, Wet IB 2001 als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Het 90%-criterium wordt door de Belastingdienst berekend op basis van de Nederlandse wetgeving en Duitse faciliteiten worden niet meegenomen. Het inkomen dat beschikbaar is voor de tegemoetkoming van persoonlijke aftrekposten wordt echter wel voor meer dan 90% in Nederland verdiend (€ 15.000 / € 16.000 = 93,8%). Het is voor ons onduidelijk of het terecht is dat de berekening van het Duitse inkomen naar Nederlandse maatstaven plaatsvindt. Indien men de bovenstaande berekening volgt (93,8%) dan zou meneer S moeten kwalificeren als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en persoonlijke aftrekposten die mogelijk niet in aftrek (kunnen) worden genomen in Duitsland, alsnog in Nederland zou moeten kunnen effectueren op basis van de vangnetbepaling van art. 7.8, lid 8, Wet IB 2001.”
5.9
Als men de Schumacker-rechtspraak volgt, meen ik, mede gezien de geciteerde HvJ-arresten Wallentin en Meindl, met het Hof Den Bosch dat de vraag of in de woonstaat fiscaal rekening kan worden gehouden met de daar vigerende draagkrachttegemoetkomingen, beoordeeld moet worden naar woonstaatmaatstaven omdat die Schumacker-rechtspraak anders van zijn betekenis wordt ontdaan en de tegemoetkomingen van geen van beide Staten genoten kunnen worden, of voor hoogstens een deel.
5.10
Ook uit de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar; zie onderdeel 2.39 van de bijlage) volgt, als men de Schumacker-rechtspraak wenst te volgen, dat de werkstaat de (niet-)benutbaarheid van woonstaatfaciliteiten moet beoordelen naar woonstaatmaatstaven. In die zaak ging het immers om twee werkstaten, die volgens het HvJ beiden hun tegemoetkomingen pro rata moesten verlenen naar de mate van het aan hen toegewezen deel van het wereldinkomen. Als de ene werkstaat op basis van diens nationale maatstaven zou oordelen dat wél voldoende woonstaatinkomen voorhanden is (zoals Nederland in onze zaak doet op basis van fictief box 3 inkomen) en de andere werkstaat op basis van diens nationale maatstaven meent van niet (omdat die staat geen fictief inkomen belast), dan zou de belastingplichtige nog steeds niet ‘volledig en naar behoren’ tegemoetkomingen krijgen, maar slechts pro rata van één van beide werkstaten. Hieruit volgt dat beide werkstaten dezelfde maatstaf moeten hanteren. Daarvoor komt dan alleen de woonstaatmaatstaf in aanmerking.
5.11
Met de Staatssecretaris meen ik dat dat resultaat verre van praktisch is, gegeven dat er 26 andere lidstaten zijn met elk hun fiscale eigenaardigheden. Het illustreert mijns inziens hoe ondoenlijk ’s Hofs EU-rechtelijk onjuiste en inconsistente Schumacker-rechtspraak is (zie de bijlage bij deze conclusie). Die rechtspraak is gebaseerd op een ‘altijd-ergens’-gedachte, zodat één van drie mogelijke resultaten bereikt moet worden (waaruit weer blijkt dat het in wezen om harmonisatie gaat, nl. om politieke beleidskeuzen, waartoe het HvJ niet bevoegd is):
(i) volledige tegemoetkomingen in de woonstaat, of
(ii) volledige tegemoetkomingen in de werkstaat/bronstaat, of
(iii) (100 – x)% van de woonstaatfaciliteiten plus x% van de werkstaatfaciliteiten (of (100 – x – y)% van de woonstaatfaciliteiten plus x% van de faciliteiten van werkstaat 1 plus y% van de faciliteiten van werkstaat 2) (of enz.).
Resultaat (i) mag ook bereikt worden door verrekening van in de werkstaat onverplicht verleende tegemoetkomingen met de woonstaattegemoetkomingen, zo volgt uit de HvJ-arresten Imfeld & Garcet (zie onderdelen 2.33-2.36 van de bijlage) en BJ v. België (zie onderdelen 2.44-2.48 van de bijlage).
5.12
Als men de Schumacker-rechtspraak van het HvJ volgt, lijkt mij op basis van het bovenstaande duidelijk dat de (niet-)beschikbaarheid van woonstaattegemoetkomingen beoordeeld moet worden naar woonstaatmaatstaven. Dat betekent dat het middel van de Staatssecretaris in zoverre strandt.
5.13
Maar die Schumacker-rechtspraak klopt niet.
5.14
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak onverenigbaar met het EU-recht doordat zij de principiële vergelijkbaarheid van ingezetenen en niet-ingezetenen ontkent en de woonstaat ten onrechte verantwoordelijk maakt voor de discriminatie door de werkstaat die ten onrechte nationale behandeling weigert (zie onderdeel 2.2. e.v. van de bijlage). Rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen in de werkstaat door hen elke nationale fiscale tegemoetkoming te weigeren die ingezetenen wél krijgen, is onverenigbaar met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/6829.en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/201130.inzake het vrije verkeer van werknemers (zie onderdelen 1.3 en 1.8 van de bijlage), en met ’s Hofs andere dan Schumacker-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden (zie onderdeel 2 van de bijlage).
5.15
Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
5.16
De evenredigheidsmethode is per definitie in overeenstemming met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Weigering van de door art. 45 VwEU en art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 geëiste nationale behandeling (dus als inwoner) is per definitie in strijd met het EU-rechtelijke discriminatieverbod en het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Er bestaat geen enkele mandatory requirement of public interest die een dergelijke discriminatie zou kunnen rechtvaardigen: van misbruik is geen sprake, evenredige belasting is per definitie coherent en de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid is verzekerd. En reeds in het Bachmann-arrest31.van 1992 oordeelde het HvJ dat administratieve problemen bij het vergaren van gegevens uit andere lidstaten geen excuus voor discriminatie kunnen zijn omdat de lidstaten gebruik kunnen maken van de EU-richtlijnen inzake fiscale gegevensuitwisseling. Sindsdien heeft de automatische en digitale gegevensuitwisseling een enorme vlucht genomen, waardoor dat niet-geldige administratieve excuus alleen maar aan kracht heeft verloren.
5.17
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van zijn (gezins)inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van zijn (gezins)inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat Frankrijk. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
5.18
In belanghebbendes geval leidt dat ertoe dat zijn aanslag 2015 herzien moet worden alsof hij toen binnenlands belastingplichtig was, mét toepassing van het belastingverdrag met België alsof hij inwoner van Nederland was. Op basis van de vastgestelde feiten lijkt mij dat in cassatie niet mogelijk, zodat de zaak verwezen zou moeten worden voor feitelijk onderzoek en berekeningen. Kennelijk is een zeer significant fictief box 3 inkomen in aanmerking genomen waarvan kennelijk een groot deel aan Belgisch onroerend goed toegerekend wordt.
5.19
Dat strookt niet met de helaas nog steeds vigerende Schumacker-rechtspraak, die de woonstaat volledig tegemoetkomingsverantwoordelijk maakt ongeacht de verdeling van de belastingaanspraken tussen woon- en werkstaten en die behalve in ‘klassieke Schumacker-situaties’ discriminatie van niet-ingezetenen door de werkstaten toestaat. Het is eenvoudiger om deze zaak inderdaad maar als een klassiek Schumacker-geval af te doen en het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
5.20
Maar als u in een EU-rechtslievende, avontuurlijke of wetenschappelijke bui bent, zou u kunnen proberen het HvJ verder te helpen op de enig juiste evenredigheidsweg die hij terecht is ingeslagen in zijn arrest in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) door hem prejudicieel vragen van de volgende strekking voor te leggen:
1. Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien
(i) de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/6832. en art. 7(2) Vo. 492/201133. inzake het vrije verkeer van werknemers en
(ii) de zeer aanzienlijke dispariteiten tussen lidstaten bij (a) de grondslagbepaling voor de inkomstenbelasting (zoals in casu een zeer gering Belgisch forfaitair vastgoedinkomen ad € 553 tegenover een Nederlands eigenwoningforfait ad € 7.500 en een in België belast reëel vermogensrendement ad € 329 tegenover een in Nederland belast fictief vermogensrendement ad € 56.687) en (b) de omvang en aard van fiscale voordelen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige (in casu in België een woonbonus ad maximaal € 2.280 tegenover in Nederland een hypotheekrenteaftrek ad € 29.822),
aldus uitgelegd worden dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als de belastingplichtige door de toepassing van het toepasselijke belastingverdrag in zijn woonstaat (in casu België) zeer beperkt is onderworpen aan effectieve belastingheffing en daardoor de Belgische woonbonus slechts zeer beperkt kan verzilveren?
2. Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige, zoals in casu, slechts een zeer beperkt deel van de woonstaat-tegemoetkomingen kan benutten omdat zijn aan de woonstaat toegewezen inkomen te laag is om die tegemoetkomingen, zoals in casu de Belgische woonbonus, volledig te absorberen?
3. Is daarbij van belang dat België geen hypotheekrenteaftrek kent zoals in Nederland, waardoor de Belgische en Nederlands tegemoetkomingen in aard en omvang onvergelijkbaar zijn en sprake is van een dispariteit?
6. Conclusie
Ik geef u in overweging primair om het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en subsidiair om prejudicieel een vraag van de boven bedoelde strekking voor te leggen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5786, FutD 2021-63, NTFR 2021/398 met noot Ravelli, V-N 2021/8.2.2, VFP 2021/15, NLF 2021/0150 met noot Swaving Dijkstra.
Dit is het netto aan de belanghebbende uitgekeerde loon (€ 42.832,29) en het bedrag van € 329,59 aan ontvangen rente.
Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571, FutD 2022-1674, NLF 2022/1244 met noot Van Poppel, VFP 2022/94, V-N 2022/35.1.1.
Bij het Hof waren meer zaken aanhangig waarin de betekenis van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ aan de orde is. Het Hof heeft daarom in een gemeenschappelijke bijlage bij al die zaken de lijn uitgezet die hij volgt bij de toepassing van het EU-recht in gevallen vergelijkbaar met die van de belanghebbende.
Voetnoot in origineel: HvJ EG 1 juli 2004, Wallentin, ECLI:EU:C:2004:403.
Voetnoot in origineel: HvJ EG 25 januari 2007, Meindl, ECLI:EU:C:2007:57.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 9 februari 2017, X, ECLI:EU:C:2017:102. Hierbij verdient het opmerking dat het ook kan gaan om niet-lidstaten, zoals in dat arrest ook aan de orde was.
Voetnoot in origineel: € 553 (inkomsten uit onroerende zaken; zie onder 2.10) en € 329,59 (inkomsten uit roerende zaken; zie onder 2.11).
Voetnoot in origineel: (€ 77.880/(€ 77.880 + € 882,59)) x 100% = 98.9%.
Toevoeging PJW. Dit bedrag is kennelijk het resultaat van de volgende berekening: € 77.880 (brutoloon) minus € 20.042 (het bedrag dat resulteert uit € 29.822 hypotheekrente minus eigenwoningforfait € 7.500 en Belgische woonbonus € 2.280).
Voetnoot in origineel: Belastingverdrag tussen Nederland en België van 5 juni 2001, Trb. 2001, 136
HvJ 18 maart 2010, C-440/08, Gielen, ECLI:EU:C:2010:148, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, BNB 2010/179 met noot Kavelaars.
HvJ 19 november 2015, C-632/13, Hirvonen, ECLI:EU:C:2015:765, zonder conclusie, V-N 2004/50.18.
Zie daarover nader Hein Vermeulen, ‘Individual Income Taxation’, Ch. 13 in Terra/Wattel, European Tax Law, Wolters-Kluwer, 8th ed. 2022, para. 13.5 (Option to be Taxed as a Resident).
Besluit van 3 december 2019, nr. 2019-184103, Stcrt. 2019, 66192.
MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 3, p. 41.
HvJ 1 juli 2004, C-169/03, Wallentin,ECLI:EU:C:2004:403, na conclusie Léger, V-N 2004/35.15.
HvJ 25 januari 2007, C-329/05, Meindl,ECLI:EU:C:2007:57, na conclusie Kokott, V-N 2007/12.10.
F.P.G. Pötgens, Van een kiezende naar een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, WFR 2013/1348.
Meussen doelt hierbij op de benadering die de rechtbank in de onderhavige zaak heeft gekozen.
N.P. Schipper, De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers (Fiscale Monografieën nr. 158) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 77.
HvJ 5 juli 2005, C-376/03, D,ECLI:EU:C:2005:424, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, V-N 2005/35.12.
J. van Poppel en E.W. Ros, Besluit pro-rata-tegemoetkoming buitenlandse belastingplichtigen: het wachten beloond?, MBB 2020/17.
Voetnoot in origineel: ‘De jurisprudentie van het HvJ lijkt mee te brengen dat ‘altijd ergens’ rekening gehouden moet worden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zie paragraaf 5.’
N. de Haan en F.D. Bakker, Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, SDU: Den Haag 2017, p. 38 en 39.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
HvJ 28 januari 1992, C-204/90, Bachmann,ECLI:EU:C:1992:35, na conclusie Mischo, FED 1992/286, met noot Wattel.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Conclusie 31‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 31 maart 2023 met de rolnummers: 22/02356 ECLI:NL:PHR:2023:373 22/02359 ECLI:NL:PHR:2023:440 22/02362 ECLI:NL:PHR:2023:441
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
P.J. WattelADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 31 maart 2023 met de rolnummers:
22/02356, 22/02359 en 22/02362
Inzake
Toepassing van de Schumacker-rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU op emigranten met Nederlands broninkomen (werkstaatperspectief dus)
Derde Kamer B
1. Ten geleide
1.1
Deze bijlage gaat bij drie zaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn gemaakt door drie voormalige inwoners van Nederland die naar een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) zijn verhuisd. Twee van hen zijn pensionados. Aan hun nieuwe woonland worden door het toepasselijke belastingverdrag onvoldoende inkomsten toegewezen om de daar vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen (belastingvrije som, woonbonus, en dergelijke) volledig te benutten, hoezeer ook in twee gevallen die toewijzing een zeer substantieel deel van het totale inkomen uitmaakt (60% resp. 30%), nu de Franse belastingvrije som hoog is. De vraag is of en zo ja, in hoeverre in dat geval ook de bronstaat (Nederland) gehouden is om fiscaal rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de emigrant. De zaken gaan dus over de gevolgen van de Schumacker-rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) over het vrije verkeer van personen binnen de EU voor de jurisdictieverdeling tussen de betrokken lidstaten ter zake van de fiscale vergelding van persoonlijke en gezinsomstandigheden of ruimer: van alle draagkrachtfactoren, met name in de niet-woonstaat.
1.2
Alle drie de cassatieberoepen zijn gericht tegen uitspraken van het Hof ’s-Hertogenbosch.1.Dat Hof heeft bij die en nog enige andere uitspraken een bijlage gevoegd waarin hij uiteenzet hoe hij die Schumacker-rechtspraak opvat en toepast in gevallen zoals die van de belanghebbenden. Hij heeft daartoe in die bijlage op basis van de HvJ-rechtspraak een stappenplan ontwikkeld en dat in de individuele zaken afgelopen.
1.3
Ik geef hieronder de Schumacker-rechtspraak van het HvJ weer (onderdeel 2) en een overzicht van wat de literatuur uit die rechtspraak afleidt voor het fiscale beleid van de EU-lidstaten, met name Nederland (onderdeel 3). De kernoverwegingen van die rechtspraak zijn de r.o. 31-37 van het arrest C-279/93, Schumacker2.en r.o. 101 van het arrest C-385/00, De Groot.3.In r.o. 31 van Schumacker (zie 1.4 hieronder) maakt het HvJ de fundamentele fout die de lidstaten 28 jaar later nog steeds met onwerkbare inconsistenties en willekeurige effecten opzadelt. Het HvJ stelt daar, in strijd met zowel primair als secundair EU-recht, dat werkstaten niet-ingezetenen fiscaal zouden mogen discrimineren omdat zij niet vergelijkbaar zouden zijn met ingezetenen tenzij zij hun hele inkomen in één werkstaat verdienen. Zowel de art. 45 en 49 VwEU (vrijheden van werknemersverkeer en van vestiging) als art. 7 Vo. 1612/684.en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/20115.inzake het vrije verkeer van werknemers verbieden echter elke discriminatie van niet-ingezetenen, expliciet ook fiscale discriminatie. De genoemde Verordeningsbepalingen luid(d)en als volgt (curs. PJW):
“1. Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemer.”
1.4
Omdat niet-ingezetenen doorgaans niet-onderdanen zijn, geldt volgens decennialange vaste rechtspraak van het HvJ voor alle verkeersvrijheden en voor alle terreinen des levens dat onderscheid naar inwonerschap hetzelfde is als onderscheid naar nationaliteit en dus precies even verboden is. Dat dat uitsluitend op het terrein van de directe belastingen anders zou zijn, zoals het HvJ in de zaak Schumacker stelt, dus dat niet-inwoners fiscaal wél gediscrimineerd zouden mogen worden, lijkt mij dan onverdedigbaar. Ten onrechte acht het HvJ niet-ingezeten EU-burgers slechts dan vergelijkbaar met ingezetenen als zij (nagenoeg) hun gehele inkomen in de (één) werkstaat verwerven, althans in hun woonstaat in absolute zin onvoldoende onderworpen zijn om de daar geldende persoonlijke tegemoetkomingen (volledig? Ook dat is dus na 28 jaar nog steeds onduidelijk) te kunnen benutten. Die opvatting lijkt mij niet alleen met de geciteerde Vo.-bepalingen manifest in strijd, maar ook met de meest basale regel van het vrije personenverkeer: nationale behandeling van niet-ingezetenen. De genoemde r.o. 31-37 van het Schumacker-arrest luiden als volgt:
31 Bij de directe belastingen nu is de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar.
32 Het door een niet-ingezetene in een staat verworven inkomen vormt meestal slechts een deel van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op de plaats waar hij woont. De persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene, die gevormd wordt door zijn totale inkomsten en zijn persoonlijke en gezinssituatie, kan voorts het gemakkelijkst worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Die plaats correspondeert in het algemeen met de gebruikelijke woonplaats van de betrokkene.
Ook in het internationale belastingrecht, en in het bijzonder het door de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) opgestelde modelverdrag inzake dubbele belasting, wordt aanvaard dat het in beginsel de woonstaat is die bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.
33 Dit is anders voor de ingezetene, aangezien in zijn geval de belangrijkste inkomstenbestanddelen gewoonlijk in de woonstaat zijn geconcentreerd. Voorts beschikt deze staat in het algemeen over de nodige gegevens om de globale draagkracht van de belastingplichtige, gelet op zijn persoonlijke en gezinssituatie, te kunnen beoordelen.
34 Wanneer (…) een Lid-Staat een niet-ingezetene niet in aanmerking brengt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan de ingezetene verleent, dan is dat in de regel niet discriminerend, aangezien deze twee categorieën belastingplichtigen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden.
35. Onder deze omstandigheden verzet artikel 48 van het Verdrag zich in beginsel niet tegen de toepassing van een regeling van een Lid-Staat waardoor de inkomsten van de niet-ingezetene die in deze staat in loondienst werkzaam is, zwaarder worden belast dan die van de ingezetene met dezelfde werkzaamheid.
36. Dit is echter anders in een geval als het onderhavige, waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft door de arbeid verricht in een andere staat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie.
37 Tussen de situatie van een dergelijke niet-ingezetene en die van een in een soortgelijke functie werkzame ingezetene bestaat geen objectief verschil dat grond kan opleveren voor een verschillende behandeling ten aanzien van het in aanmerking nemen bij de belastingheffing van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige.
1.5
De (enige) drie argumenten die het HvJ geeft (r.o. 32) voor het toestaan van fiscale discriminatie van niet-ingezetenen en die hij al 28 jaar slaafs herhaalt, zijn dus: (i) een niet-ingezetene zou meestal meer in zijn thuisstaat dan in de werksta(a)t(en) verdienen; (ii) rekening houden met persoonlijke tegemoetkomingen is makkelijker voor de thuisstaat dan voor de werkstaat en (iii) de fiscal committee van de OESO vindt ook dat staten niet-ingezetenen fiscaal mogen discrimineren.
Ad (i): Hoe kan de toevallige inkomensverdeling tussen de betrokken lidstaten de evidente discriminatie door de werkstaat wegnemen? Deze bewering, die mij overigens feitelijk onjuist lijkt (in vrijwel alle zaken die voor het HvJ komen en ook in onze drie zaken wordt het grootste deel of nagenoeg het gehele inkomen juist niet in de woonstaat verdiend; bij grensarbeiders en pensionados is dat bijna per definitie zo), is overgens als rechtskundig argument onverenigbaar met ’s Hofs eveneens vaste rechtspraak dat elke discriminatie van niet-ingezetenen, hoe gering ook, verboden is onder de vrij-verkeersbepalingen.6.
Ad (ii) Kan de werkstaat zich aan de meest basale regel van vrij personenverkeer en aan de geciteerde verordeningen onttrekken omdat het lastig voor hem kan zijn om dwingend EU-recht na te leven? Een lidstaat zou dat argument eens moeten aanvoeren; daar weet het HvJ wel raad mee. De manifeste ongeldigheid van dit argument volgt dan ook uit ’s Hofs eigen vaste rechtspraak – zelfs in het Schumacker-arrest zelf! zie 2.5 hieronder – dat lidstaten zich niet kunnen beroepen op administratieve moeilijkheden om hun EU-rechtelijke verplichtingen te ontlopen.7.
Ad (iii): Hoe kan het beleid van een club of governments van grotendeels niet-EU-Staten reden voor een rechter zijn om dwingend primair én secundair EU-recht buiten toepassing te laten?
1.6
In de zaak De Groot voegde het HvJ aan deze overwegingen toe dat de lidstaten vrij zijn in de vormgeving van hun fiscale stelsels en in hun onderlinge fiscale jurisdictieverdeling, maar dat verzekerd moet zijn (maar door wie??) dat “de gehele persoonlijke en gezinssituatie” van migranten uiteindelijk “volledig en naar behoren” in aanmerking wordt genomen:
“101. Methoden ter voorkoming van dubbele belastingheffing of nationale belastingregelingen die tot gevolg hebben dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen of verzacht, moeten de belastingplichtigen van de betrokken staten (…) wel ervan verzekeren dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld, omdat daardoor anders een met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers onverenigbare ongelijke behandeling zou worden gecreëerd die niet het gevolg is van de tussen de nationale fiscale stelsels bestaande dispariteiten.”
1.7
Deze overweging laat in het midden welke staat wat moet doen, met name naar wiens recht de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de grensoverschrijder ‘volledig’ in aanmerking moeten worden genomen en naar wiens ‘behoren’ dat moet gebeuren: dat van de woonstaat of dat van de werkstaat, of, bij meer werkstaten: van welke werkstaat. Het niet-gegeven antwoord op die vraag is echter cruciaal in verband met het gegeven dat – doordat elke harmonisatie op EU-niveau ontbreekt – zeer grote verschillen bestaan tussen de lidstaten, zowel voor wat betreft de vaststelling van de belastbare grondslag (geen enkele andere lidstaat heeft bijvoorbeeld zo’n bizar box 3 systeem als Nederland; u zie tot wat voor enorme verschillen in inkomensvaststelling dat kan leiden in de zaak met rolnummer 22/02359 waarbij deze bijlage gaat) als voor wat betreft de aard en vooral de omvang van die persoonlijke tegemoetkomingen en andere draagkrachtvergeldingen (zie ook daarvoor met name de zaak met rolnummer 22/02359 waarbij deze bijlage gaat). De ene lidstaat kan een flat tax hebben zonder aftrekposten en zonder belastingvrije voet of andere persoonlijke tegemoetkomingen, met daartegenover een vrij laag plat tarief, en de andere lidstaat juist zeer hoge progressieve tarieven met daartegenover vele aftrekposten en omvangrijke belastingvrije sommen en dergelijke. De Franse belastingvrije som bijvoorbeeld is hoog, zo blijkt uit de andere twee zaken (€ 27.240 in 2015 voor een couple marié). De geciteerde r.o. 101 negeert de aanzienlijke dispariteiten tussen nationale belastingstelsels. Het HvJ vooronderstelt ten onrechte dat (persoonlijke) aftrekposten en tegemoetkomingen overal in de inkomstenbelastingen in de EU-lidstaten wel ongeveer hetzelfde zullen zijn. Dat de werkelijkheid anders is, blijkt voortdurend en dus ook uit de drie zaken waarbij deze bijlage gaat. Onder meer dat voorbijgaan aan de werkelijkheid maakt ‘s Hofs Schumacker-rechtspraak onwerkbaar.
1.8
Het HvJ acht werkstaten dus niet verplicht tot nationale behandeling van niet-ingezetenen. In plaats daarvan eist hij van de woonstaat volledige toekenning van diens fiscale tegemoetkomingen, hoewel die staat de belastingplichtige juist niet belast voor de in de werk/bronstaat ontsprongen inkomsten; dat doet de werk/bronstaat, die daarom in zoverre ook overigens de bij belastingheffing horende nationale fiscale behandeling zou moeten geven. Het HvJ acht een niet-ingezeten inkomstenbelastingplichtige pas vergelijkbaar met een ingezetene als hij ‘nagenoeg zijn gehele inkomen’ in de bronstaat verdient. Pas dan moet de bronstaat ophouden met discrimineren. Tot dat punt (‘nagenoeg geheel’) moet de woonstaat alles opvangen, ook al belast die staat niet veel meer dan nagenoeg niets. In het primaire EU-recht valt mijns inziens geen rechtsbasis of bevoegdheid te vinden voor deze politieke jurisdictieverdelingskeuze. Het secundaire EU-recht (de genoemde verordening) bepaalt het tegendeel.
1.9 ’
s Hofs gekunstelde opvatting van ‘discriminatie’ in zijn Schumacker-rechtspraak (onder meer in Schumacker, r.o. 38 en Wallentin, r.o. 17) is dan ook onhoudbaar en onverenigbaar met zijn overige rechtspraak over de vrijheid van personenverkeer:
“…. de discriminatie (…) (is) gelegen in het feit dat met de persoonlijke en gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden”.
Deze overweging laat immers in het midden wie er dan wel discrimineert, hoewel vast staat - en vaste rechtspraak is - dat één staat aangewezen moet kunnen worden als veroorzaker van de ongunstiger behandeling van de grensoverschrijder en hoewel het evident is dat de werkstaat de grensoverschrijder discrimineert door hem nationale behandeling te weigeren. Discriminatie kan onmogelijk gedefinieerd worden, zoals het Hof doet, in termen van wat een andere staat niet doet. In wezen staat hier dat de betrokken staten het ‘volledig en naar behoren’ moeten regelen en dat zij zelf maar moeten uitmaken hoe dat moet, en dat als zij dat volgens het HvJ niet doen, het HvJ gaat bepalen wie er wat moet doen. Dat is wetgeving. Het EU-recht biedt geen enkele basis voor ‘s Hofs verwijt aan de niet-belastende woonstaat voor wat de wél-belastende werkstaat in strijd met EU-recht maar met goedkeuring van het HvJ weigert.
1.10
Deze onbevoegde jurisdictieverdelingskeuze heeft tot zeer moeizame vervolgrechtspraak geleid, met onredelijke en willekeurige uitkomsten (zie onderdeel 2 van deze bijlage). Het HvJ lijkt in de zaak van de Spaanse voetbalmakelaar (C-283/15; zie 2.39 hieronder) uiteindelijk wel te hebben ingezien dat zijn Schumacker-criterium (niet-inwoners hebben pas recht op nondiscriminatie als zij nagenoeg hun gehele inkomen in één werkstaat verdienen) kant noch wal raakt als ‘nagenoeg het gehele’ inkomen in méér dan één werkstaat wordt verdiend; in dat geval 60% in Nederland en 40% in Zwitserland. In dat geval kan in geen enkele staat aan het Schumacker-inwoners-gelijkstellingscriterium ‘nagenoeg geheel’ worden voldaan en leidt de Schumacker-rechtspraak tot volledig verlies van elke aanspraak op tegemoetkomingen,8.wat de onjuistheid van die rechtspraak aantoont.
1.11
Het HvJ zag zich in Spaanse voetbalmakelaar dan ook gedwongen (zie 2.39 hieronder) om de onjuiste opvatting te verlaten dat die voetbalmakelaar noch met inwoners van Nederland, noch met inwoners van Zwitserland vergelijkbaar zou zijn, en om deze beide werkstaten toch te nopen tot pro rata toekenning van hun persoonlijke tegemoetkomingen (naar rato van het daar belaste deel van het wereldinkomen, dus net zo als inwoners). Dat impliceert onontkoombaar dat de Spaanse voetbalmakelaar dus wél vergelijkbaar is met inwoners in beide werkstaten, anders zouden die werkstaten immers niets hoeven te doen. Dan valt onmogelijk in te zien waarom die voetbalmakelaar opeens niet meer vergelijkbaar zou zijn met inwoners van Zwitserland en Nederland als hij onveranderd voor 40% in Zwitserland was onderworpen en in Nederland (niet voor 60 maar) voor 40% was onderworpen én voor 20% in zijn woonstaat Spanje. Toch houdt het HvJ in dat laatste geval vol dat de Spaanse voetbalmakelaar opeens géén recht meer heeft op nationale behandeling in beide werkstaten omdat hij in dat geval zijn hypotheekrenteaftrek (net) kwijt kan in zijn woonstaat. Beide werkstaten mogen dan blijven discrimineren door elke tegemoetkoming weigeren. Het antwoord op de vraag of de werkstaat het EU-recht al dan niet schendt, wordt aldus afhankelijk gemaakt van de volstrekt toevallige fiscale positie van de belastingplichtige in diens woonstaat, waarop geen van beide werkstaten enige invloed heeft. Zoals in 1.9 al opgemerkt: deze opvatting van ‘discriminatie’ is onbegrijpelijk.
1.12
De vraag rijst of het HvJ daarheen valt te leiden dat hij – zoals de art. 45 en 49 VwEU en de genoemde Verordeningen verlangen - elke lidstaat, dus óók de woonstaat, (slechts) verantwoordelijk houdt voor draagkrachtvergelding in de mate waarin die Staat het inkomen of het vermogen van de grensoverschrijder belast. Gezien de onwerkbare uitkomsten van de Schumacker-vervolgrechtspraak (zie onderdeel 2 hieronder), lijken opnieuw prejudiciële vragen aangewezen, al kan men menen dat het weinig zin heeft om uitleg van EU-recht te vragen aan een instantie die het EU-recht al 28 jaar negeert op het punt waarop die uitleg zou moeten worden gevraagd.
1.13
Hoe dan ook valt er niet uit twee van de drie aanhangige zaken te komen op basis van de huidige rechtspraak van het HvJ. In die twee zaken wordt een zeer significant deel van het wereld(gezins)inkomen (60% respectievelijk 30%) ter heffing toegewezen aan het woonland Frankrijk. Het inkomen wordt dus geenszins ‘nagenoeg geheel’ aan bronland Nederland toegewezen. Toch is het aan Frankrijk toegewezen grote deel van het inkomen niet groot genoeg om de hoge Franse belastingvrije som volledig te absorberen. Wat moet de bronstaat Nederland nu doen? In Frankrijk kan dus wel een zeer aanzienlijk deel van diens tegemoetkomingen worden genoten. Moet Nederland dan ook een deel toekennen? Welk deel? En van wat? Moet Nederland het gemiste deel van de Franse belastingvrije som geven? Dat lijkt onuitvoerbaar en bovendien een ontkenning van dispariteiten en onbevoegde dwang tot harmonisatie: Nederland zou de Franse regeling moeten overnemen. Als hypotheekrente in Frankrijk niet aftrekbaar is (zoals in België), hebben onze belanghebbenden daar trouwens ook niets aan. Moet Nederland dan uitrekenen welk percentage van de Franse faciliteiten niet benut kon worden en dat percentage van de Nederlandse tegemoetkomingen (in de drie zaken vooral de hypotheekrenteaftrek) toekennen? Of moet Nederland doen wat het Hof Den Bosch vindt dat hij moet doen, nl. naar rato van Nederlandse onderworpenheid van het wereldinkomen zijn tegemoet-komingen verlenen (dus een ander percentage)? Of moet Nederland gewoon doen wat het EU-recht eist, dus nationale behandeling, ongeacht de fiscale positie van de niet-ingezetene in diens woonstaat, i.e. hem belasten alsof hij gekozen heeft voor binnenlandse belastingplicht, zoals dat mogelijk was onder de oude keuzeregeling, die helaas als gevolg van eveneens onjuiste rechtspraak van het HvJ afgeschaft is moeten worden?
1.14
In onderdeel 5 en in de drie zaken zal ik dan toch maar proberen prejudiciële vragen te formuleren.
2. De Schumacker-rechtspraak van het HvJ
De zaak Schumacker9.
2.1
Schumacker woonde met zijn gezin in België. In 1988 en 1989 werkte hij in loondienst in Duitsland; hij had geen andere inkomsten dan zijn Duitse loon. Zijn echtgenote ontving in 1988 een werkloosheidsuitkering in België. In 1989 had zij geen inkomen. Het heffingsrecht over Schumacker’s loon werd door het belastingverdrag tussen België en Duitsland toegewezen aan Duitsland. De Duitse Einkommensteuergesetz merkte niet-ingezetenen aan als beperkt belastingplichtig (alleen inkomen uit Duitse bron) en inwoners als onbeperkt belastingplichtig. Omdat hij volledig in Duitsland werd belast, wilde Schumacker de voordelen van het Duitse splittingsstelsel,10.dat de tariefprogressie matigt en faciliteiten biedt zoals gezinsgebonden belastingvrije sommen. De Duitse wet kende die voordelen echter alleen toe aan onbeperkt belastingplichtigen (ingezetenen). Het HvJ overwoog daarover:
“28 Een nationale regeling van dit type, die een onderscheid maakt aan de hand van het woonplaatscriterium, in die zin dat zij aan niet-ingezetenen bepaalde belastingvoordelen onthoudt die zij ingezetenen wel toekent, kan (…) in het nadeel werken van hoofdzakelijk onderdanen van andere Lid-Staten. De niet-ingezetenen zijn immers in de meeste gevallen buitenlanders.
29 Het voorbehouden van fiscale voordelen aan uitsluitend de ingezetenen van een Lid-Staat, kan derhalve een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit opleveren.
30 Volgens vaste rechtspraak is er slechts sprake van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties.
31 Bij de directe belastingen nu is de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar.
32 Het door een niet-ingezetene in een staat verworven inkomen vormt meestal slechts een deel van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op de plaats waar hij woont. De persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene, die gevormd wordt door zijn totale inkomsten en zijn persoonlijke en gezinssituatie, kan voorts het gemakkelijkst worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Die plaats correspondeert in het algemeen met de gebruikelijke woonplaats van de betrokkene. Ook in het internationale belastingrecht, en in het bijzonder het door de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) opgestelde modelverdrag inzake dubbele belasting, wordt aanvaard dat het in beginsel de woonstaat is die bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.
33 Dit is anders voor de ingezetene, aangezien in zijn geval de belangrijkste inkomstenbestanddelen gewoonlijk in de woonstaat zijn geconcentreerd. Voorts beschikt deze staat in het algemeen over de nodige gegevens om de globale draagkracht van de belastingplichtige, gelet op zijn persoonlijke en gezinssituatie, te kunnen beoordelen.
34 Wanneer (…) een Lid-Staat een niet-ingezetene niet in aanmerking brengt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan de ingezetene verleent, dan is dat in de regel niet discriminerend, aangezien deze twee categorieën belastingplichtigen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden.
35. Onder deze omstandigheden verzet artikel 48 van het Verdrag zich in beginsel niet tegen de toepassing van een regeling van een Lid-Staat waardoor de inkomsten van de niet-ingezetene die in deze staat in loondienst werkzaam is, zwaarder worden belast dan die van de ingezetene met dezelfde werkzaamheid.36. Dit is echter anders in een geval als het onderhavige, waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft door de arbeid verricht in een andere staat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie.
37 Tussen de situatie van een dergelijke niet-ingezetene en die van een in een soortgelijke functie werkzame ingezetene bestaat geen objectief verschil dat grond kan opleveren voor een verschillende behandeling ten aanzien van het in aanmerking nemen bij de belastingheffing van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige.
38 In het geval van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen verwerft in een andere Lid-Staat dan de woonstaat, is de discriminatie gelegen in het feit dat met de persoonlijke en de gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de staat waarin hij werkzaam is, rekening wordt gehouden.”
Het HvJ beantwoordde de vragen van de Duitse belastingrechter als volgt:
“1) Artikel 48 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het beperkingen kan stellen aan het recht van een Lid-Staat om de voorwaarden en de modaliteiten van de belastingheffing ter zake van op zijn grondgebied door een onderdaan van een andere Lid-Staat verworven inkomsten vast te stellen, in zover dit artikel een Lid-Staat niet toestaat om een onderdaan van een andere Lid-Staat die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en arbeid in loondienst verricht op het grondgebied van de eerste staat, bij de heffing van de directe belastingen ongunstiger te behandelen dan een nationale onderdaan in dezelfde omstandigheden.
2) Artikel 48 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van de regeling van een Lid-Staat waardoor een werknemer die onderdaan van een andere Lid-Staat is, waarin hij ook woont, en die in eerstgenoemde staat arbeid in loondienst verricht, zwaarder wordt belast dan een werknemer die in de eerste staat woont en aldaar dezelfde werkzaamheid verricht, wanneer, zoals in casu in het hoofdgeding, de onderdaan van de tweede staat zijn inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerft door de in de eerste staat verrichte arbeid en in de tweede staat onvoldoende inkomsten geniet om aldaar aan een belastingheffing te worden onderworpen, waarbij rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie.
3. (…).”
2.2
In de r.o. 31 t/m 35 wordt de oer-fout gemaakt. Wellicht uit vrees het wijdvertakte OECD-belastingverdragenstelsel in de wielen te rijden, gaat het HvJ in afwijking van zijn vaste rechtspraak op elk ander dan fiscaal gebied en van zijn overige fiscale rechtspraak op zoek naar (niet-bestaande) argumenten om niet-inwoners fiscaal te onderscheiden van inwoners om aldus de woonstaat volledig verantwoordelijk te kunnen maken en (dus) de werkstaat discriminatie van niet-inwoners toe te staan. Hij verkeert daarbij helaas ook nog in de onjuiste veronderstelling dat als een grensoverschrijder nog wél enig aan zijn woonstaat toegewezen inkomen heeft dat boven het bedrag van de woonstaat-tegemoetkomingen uitkomt, alle tegemoetkomingen van de woonstaat verzilverd zouden kunnen worden. Hem ontging dus de werking van de evenredigheidsbreuk bij de voorkoming van dubbele belasting in de woonstaat. Die misvatting blijkt ook uit de zaak Gschwind (zie 2.6 hieronder). Daar moest hij op gewezen worden in de zaak De Groot (zie 2.9 hieronder), maar toen was met de Schumacker- en Gschwind-arresten het kwaad al geschied en heeft het Hof zijn inspanningen vooral gericht op het sauveren van de onjuiste Schumacker- en Gschwind-arresten, daardoor steeds dieper in een rechtskundig moeras gerakende.
2.3
Schumacker is onverenigbaar met ’s Hofs vaste rechtspraak dat elke discriminatie van niet-ingezetenen, hoe gering ook, verboden is onder de vrij-verkeersbepalingen, zoals bijvoorbeeld al in het (fiscale) arrest Avoir fiscal, over de weigering van de werkstaat Frankrijk om niet-inwoners het imputatiekrediet te geven dat hij wél aan ingezeten gaf:11.
“21 (…). Evenmin behoeft in dit verband de omvang te worden geraamd van de nadelen die voor filialen en agentschappen van buitenlandse verzekeringsmaatschappijen uit de weigering van het „avoir fiscal" voortvloeien, of behoeft te worden onderzocht, of deze nadelen van invloed kunnen zijn op de door hen toegepaste tarieven, want artikel 52 verbiedt elke, zelfs geringe, discriminatie.
2.4
Het arrest is ook opvallend in strijd met het boven (1.3) geciteerde art. 7 Vo. 1612/6812.inzake het vrije verkeer van werknemers, inmiddels vervangen door het gelijkluidende art. 7 van Vo. (EU) Nr. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers.13.
2.5
Het HvJ spreekt zichzelf zelfs binnen het arrest Schumacker tegen: in de r.o. 32 en 33 beroept hij zich ter rechtvaardiging van de discriminatie van niet-inwoners door de werkstaat op de stelling dat het voor de woonstaat makkelijker is dan voor de werkstaat om het totale inkomen, de totale draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige te beoordelen. Maar als de werkstaat precies dat argument inbrengt, wordt het door het Hof meteen verworpen en verwezen naar de EU-instrumenten inzake administratieve samenwerking, die volgens hem ‘vergelijkbare mogelijkheden’ tot gegevensvergaring bieden als in geheel binnenlandse gevallen:
“43 Het Finanzamt heeft ter terechtzitting gewezen op administratieve moeilijkheden die de staat waar de arbeid wordt verricht, verhinderen inzicht te verkrijgen in de inkomsten die op zijn grondgebied werkzame niet-ingezetenen genieten in hun woonstaat.
44 Dit argument kan evenmin worden aanvaard.
45 Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PB 1977, L 336, biz. 15) biedt namelijk vergelijkbare mogelijkheden om de noodzakelijke gegevens te verkrijgen, als er tussen de belastingdiensten op nationaal vlak bestaan. Er zijn derhalve geen administratieve beletselen om in de staat waar de arbeid wordt verricht, rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de niet-ingezetene.”
Als dit argument van het Finanzamt niet geldig is, is ’s Hofs exact gelijkluidende argument in zijn r.o. 32 en 33 van hetzelfde arrest precies even ongeldig.
De zaak Gschwind14.
2.6
Gschwind woonde in 1991 en 1992 in Nederland. Hij werkte in loondienst in Duitsland; zijn echtgenote in Nederland. Zijn loon beliep ongeveer 58% van het gezinsinkomen. Het heffingsrecht over zijn loon werd door het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland toegewezen aan Duitsland. In 1995 paste Duitsland zijn wetgeving met terugwerkende kracht aan het Schumacker-arrest aan, waardoor niet-inwoners recht kregen op de Duitse tegemoetkomingen, waaronder splitting, onder de volgende voorwaarden:- het totale inkomen van het echtpaar is voor minstens 90% aan Duitse inkomstenbelasting onderworpen, of - hun niet aan Duitse inkomstenbelasting onderworpen inkomen bedraagt niet meer dan 24.000 DEM.De Gschwinds voldeden niet aan die voorwaarden, waardoor zij meer Duitse belasting betaalden dan in Duitsland wonende echtparen in overigens dezelfde omstandigheden. Gschwind achtte dat in strijd met art. 48 EG en met het Schumacker-arrest omdat die voorwaarden niet werden gesteld aan ingezeten echtparen.
2.7
Het HvJ overwoog wees dat beroep af:
“23. In punt 34 van het arrest Schumacker (…) heeft het Hof verklaard, dat wanneer een lidstaat een niet-ingezetene niet in aanmerking brengt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan de ingezetene verleent, zulks in de regel niet discriminerend is. De situatie van ingezetenen verschilt immers zowel wat de bron van inkomsten als wat de persoonlijke draagkracht of de persoonlijke en gezinssituatie betreft objectief van de situatie van niet-ingezetenen.
24. De woonplaats vormt overigens de fiscale factor waarop het huidige internationale belastingrecht en in het bijzonder het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belastingheffing zich in de regel baseert om de bevoegdheid op fiscaal gebied tussen de staten te verdelen wanneer een situatie aanknopingspunten met het buitenland bevat.
25. In het geval van een echtpaar dat in Nederland woont en waarvan een van de echtgenoten in Duitsland werkt, is laatstgenoemde staat overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de overeenkomst weliswaar als enige bevoegd om voor de op zijn grondgebied verkregen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid belasting te heffen, maar kan Nederland, als woonstaat, krachtens artikel 20, lid 3, van de overeenkomst de in Duitsland belastbare inkomsten in de belastinggrondslag begrijpen, mits op de aldus berekende belasting dat deel van de belasting in mindering wordt gebracht, dat behoort bij de inkomsten waarvoor Duitsland het recht tot belastingheffing heeft. Omgekeerd berekent de Bondsrepubliek Duitsland, indien zij de woonstaat is, volgens artikel 20, lid 2, van de overeenkomst het bedrag van de belasting over de inkomsten welke ter belasting aan Duitsland zijn toegewezen naar het tarief dat van toepassing is op het totale inkomen van de belastingplichtige, waarbij de inkomsten waarvoor Nederland een recht van belastingheffing heeft, niet in de belastinggrondslag worden begrepen.
26. In die omstandigheden kan er enkel van een discriminatie in de zin van het Verdrag tussen ingezetenen en niet-ingezetenen sprake zijn, indien ongeacht het feit dat zij in verschillende lidstaten woonachtig zijn, wordt vastgesteld, dat de twee categorieën belastingplichtigen zich, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen, in een vergelijkbare situatie bevinden.
27. Volgens de rechtspraak van het Hof is dit het geval wanneer de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit arbeid die in de staat van tewerkstelling wordt verricht.
In die omstandigheden kan de woonstaat hem immers niet de voordelen toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie, zodat er tussen de situatie van een dergelijke niet-ingezetene en die van een ingezetene die vergelijkbaar werk in loondienst uitoefent, geen objectief verschil bestaat dat grond kan opleveren voor een verschillende behandeling ten aanzien van het in aanmerking nemen bij de belastingheffing van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige (arrest Schumacker, (…) punten 36 en 37).
28. Een situatie als die van het hoofdgeding verschilt evenwel duidelijk van de situatie waarop het arrest Schumacker betrekking had. De inkomsten van Schumacker vormden nagenoeg het gehele fiscale gezinsinkomen en hijzelf, noch zijn echtgenote had in hun woonstaat inkomsten van betekenis op grond waarvan hun persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking had kunnen worden genomen. Door de vaststelling van een procentuele of absolute grens voor het inkomen dat in Duitsland belastbaar is, respectievelijk waarover geen Duitse belasting wordt geheven, houdt de Duitse wettelijke regeling juist rekening met de mogelijkheid om de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtigen in de woonstaat op basis van een toereikende belastinggrondslag in aanmerking te nemen.
29. Aangezien in casu ongeveer 42 % van het wereldinkomen van het echtpaar Gschwind in de woonstaat wordt verkregen, kan de woonstaat overeenkomstig de modaliteiten van zijn wettelijke regeling rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie van Gschwind, aangezien de belastinggrondslag in die staat toereikend is om zulks mogelijk te maken.
30. Bijgevolg is niet aangetoond, dat voor de toepassing van belastingvoorschriften als die waarom het in het hoofdgeding gaat, de situatie van een niet-ingezeten echtpaar, waarvan een van de echtgenoten in de betrokken staat van heffing werkt, en waarvan de persoonlijke en gezinssituatie door de belastingdienst van de woonstaat in aanmerking kan worden genomen omdat de belastinggrondslag in laatstgenoemde staat toereikend is, vergelijkbaar is met de situatie van een ingezeten echtpaar, zelfs indien een van de echtgenoten in een andere lidstaat werkt.
31. Artikel 48, lid 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39, lid 2, EG) moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan de toepassing van een regeling van een lidstaat die aan ingezeten echtparen een belastingvoordeel verleent, zoals dat welk voortvloeit uit de toepassing van de 'splittingregeling', doch voor de toekenning van datzelfde voordeel aan niet-ingezeten echtparen als voorwaarde stelt dat ten minste 90% van hun wereldinkomen in die lidstaat aan belasting is onderworpen, of, indien dat percentage niet wordt bereikt, dat hun buitenlandse inkomsten die in die staat niet aan belasting zijn onderworpen, een bepaalde grens niet overschrijden, waardoor het mogelijk blijft om in de woonstaat met hun persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden.”
2.8
De werkstaat mag zijn tegemoetkomingen dus weigeren aan niet-ingezetenen zolang het woonstaatinkomen in absolute zin hoger is dan de waarde van de in die woonstaat vigerende tegemoetkomingen, hoezeer die tegemoetkomingen ook verschillen van de tegemoetkomingen in de werkstaat (Nederland had géén splitting stelsel). Gschwind kreeg dus geen splitting: noch in Duitsland, waar zijn vrouw’s inkomen werd meegeteld, noch in Nederland, waar zijn vrouw’s inkomen niet werd meegeteld (individuele heffing) en waar zijn inkomen was vrijgesteld, waardoor hij geen Nederlandse tegemoetkoming kon verzilveren. Mijns inziens schendt ook dit arrest het vrije werknemersverkeer. Immers: zou het gezin in overigens dezelfde omstandigheden in Duitsland hebben gewoond, dan had het wél splitting en de overige Duitse voordelen gekregen (zij het mogelijk – en terecht - voor slechts 58%), hoezeer ook het arbeidsinkomen van de vrouw onveranderd aan Nederland was toegewezen.
De zaak De Groot15.
2.9
De Groot woonde in Nederland en ontving in 1994 loon uit dienstbetrekking uit Nederland, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koningrijk. 60% van zijn inkomen verdiende hij in die drie buitenlanden, in elk waarvan hij inkomstenbelasting betaalde over het daar verworven deel van zijn loon (salary split). In 1994 kocht hij het recht op partneralimentatie van zijn ex-echtgenote af. In Nederland was de afkoopsom aftrekbaar. Omdat Nederland 60% van zijn inkomen van belasting vrijstelde op basis van de in belastingverdragen voorziene evenredigheidsbreuk (buitenlands inkomen / totaal inkomen), werd ook 60% van zijn persoonlijke (niet brongebonden) aftrekposten toegerekend aan het in Nederland vrijgestelde inkomen dat in de drie andere staten werd belast. De Groot wilde zijn aftrekpost echter voor 100% toerekenen aan de 40% van zijn inkomen die in Nederland werd belast. Geen van de drie werkstaten gaf hem persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, ook niet pro rata. Dat is een discriminatie van niet-inwoners door die drie bronstaten, regelrecht in strijd met de genoemde art. 7 Vo. 1612/68 en art. 7 Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en met het vrije werknemersverkeer ex (thans) art. 45 VwEU. Toch maakte het HvJ de woonstaat, die slechts 40% van De Groot’s inkomen belastte, voor 100% verantwoordelijk voor de fiscale tegemoetkomingen
2.10
In r.o. 98 van De Groot blijft het HvJ op dezelfde niet-overtuigende gronden (zie 1.5 hierboven) als in Schumacker bij de onjuiste opvatting dat de woonstaat EU-rechtelijk verantwoordelijk zou zijn voor de discriminatie van niet-ingezetenen door de drie werkstaten. Het HvJ had inmiddels kennelijk wel door hoezeer zijn Schumacker-rechtspraak art. 7 Vo. 1612/68 rechtstreeks schond, omdat hij daar in de zaak De Groot expliciet op was gewezen: in r.o. 111 ontweek hij op doorzichtige en ontluisterende wijze het onder ogen moeten zien van die dwingende bepaling:
“88. Aangaande het feit dat de persoonlijke en gezinssituatie van De Groot in de belastingstelsels van de werkstaten niet in aanmerking is genomen, zoals blijkt uit het verwijzingsarrest, moet worden opgemerkt (…) dat de overeenkomsten met Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk daartoe niet verplichten.
89. Bovendien heeft het Hof in punt 36 van het arrest Schumacker en punt 27 van het arrest Gschwind geoordeeld dat de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen, slechts op de werkstaat rust wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel aldaar verdient en in de woonstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat deze laatste hem niet de voordelen kan toekennen die uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien.
90. In punt 32 van het arrest Schumacker heeft het Hof tevens geoordeeld dat het in beginsel de woonstaat is die de belastingplichtige alle aan zijn persoonlijke en gezinssituatie verbonden fiscale voordelen moet toekennen, omdat deze staat het best in staat is de persoonlijke draagkracht van de belastingplichtige te beoordelen, aangezien hij daar het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft.
91. Weliswaar zijn in casu, zoals de Nederlandse regering betoogt, de door De Groot betaalde alimentatie en de belastingvrije som in aanmerking genomen voor de berekening van het theoretische bedrag van de belasting op het totale inkomen van de belastingplichtige, maar dit neemt niet weg dat hij door de toepassing van de evenredigheidsbreuk slechts naar evenredigheid van zijn in Nederland verworven inkomsten in aanmerking kwam voor de aftrekposten in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Doordat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer is De Groot dus een deel van de in de Nederlandse wettelijke regeling voorziene aftrekposten waarop hij als inwoner van Nederland recht had, kwijtgeraakt.
92. (…).
93. Volgens vaste rechtspraak blijven de lidstaten, bij gebreke van communautaire unificatie- of harmonisatiemaatregelen, bevoegd om de criteria voor de belasting van het inkomen en het vermogen vast te stellen teneinde, in voorkomend geval door het sluiten van een verdrag, dubbele belastingen af te schaffen. Daarbij staat het de lidstaten vrij om in het kader van bilaterale verdragen ter vermijding van dubbele belasting de aanknopingsfactoren ter verdeling van de heffingsbevoegdheid vast te stellen (arrest Gilly, reeds aangehaald, punten 24 en 30, en arrest van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C-307/97, Jurispr. blz. I-6161, punt 57).
94. Bij de uitoefening van de aldus verdeelde heffingsbevoegdheid dienen de lidstaten zich niettemin te houden aan de gemeenschapsregels (zie in die zin arrest Saint-Gobain ZN, reeds aangehaald, punt 58) en meer in het bijzonder aan het beginsel dat zij onderdanen van de andere lidstaten op dezelfde manier moeten behandelen als hun eigen onderdanen die gebruik hebben gemaakt van de door het Verdrag gegarandeerde vrijheden.
95. Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, vormt dus een belemmering van het vrije verkeer van werknemers die in beginsel volgens artikel 48 van het Verdrag verboden is.
Rechtvaardigingsgronden voor een dergelijke belemmering
96. (…).
97. Wat in de eerste plaats het argument betreft, dat het nadeel dat een belastingplichtige als De Groot ter zake van de belastingvermindering lijdt, grotendeels wordt gecompenseerd door een progressievoordeel, zoals is uiteengezet door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en naar voren is gebracht door de Belgische regering, kan worden volstaan met erop te wijzen dat volgens vaste rechtspraak een met een fundamentele vrijheid strijdige fiscale achterstelling niet kan worden gerechtvaardigd met het feit dat er ook fiscale voordelen zijn, gesteld dat dit inderdaad het geval is (zie, met betrekking tot de vrijheid van vestiging, arresten van 28 januari 1986, Commissie/Frankrijk, 270/83, Jurispr. blz. 273, punt 21, en 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, Jurispr. blz. I-3089, punt 53, en arrest Saint-Gobain ZN, reeds aangehaald, punt 54; met betrekking tot het vrij verrichten van diensten, arrest van 26 oktober 1999, Eurowings Luftverkehr, C-294/97, Jurispr. blz. I-7447, punt 44, en met betrekking tot het vrije verkeer van kapitaal, arrest van 6 juni 2000, Verkooijen, C-35/98, Jurispr. blz. I-4071, punt 61).
98. In de tweede plaats moet van de hand worden gewezen het argument van de Nederlandse regering dat het gerechtvaardigd is dat de woonstaat de persoonlijke en gezinssituatie van de aldaar wonende belastingplichtige slechts in aanmerking neemt naar evenredigheid van de op zijn grondgebied verworven inkomsten, aangezien het aan de werkstaat zou zijn om hetzelfde te doen voor dat deel van de inkomsten dat op diens grondgebied is verworven. Het door een niet-ingezeten werknemer in een staat verworven inkomen vormt immers meestal slechts een deel van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt ligt op de plaats waar hij woont. De persoonlijke draagkracht van een dergelijke belastingplichtige, die gevormd wordt door zijn totale inkomsten en door zijn persoonlijke en gezinssituatie, kan het gemakkelijkst worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Die plaats correspondeert in het algemeen met de gebruikelijke woonplaats van de betrokkene. Ook in het internationale belastingrecht, en in het bijzonder in de modelovereenkomst van de OESO inzake dubbele belasting, wordt aanvaard dat het in beginsel de woonstaat is die bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden (zie arrest Schumacker, reeds aangehaald, punt 32).
99. Bij gebreke van communautaire unificatie- of harmonisatiemaatregelen mogen de lidstaten deze koppeling tussen de inaanmerkingneming door de woonstaat van enerzijds de wereldwijde inkomsten van hun inwoners en anderzijds hun persoonlijke en gezinssituatie uiteraard wijzigen door middel van bilaterale of multilaterale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing. De woonstaat kan dus bij overeenkomst ontheven worden van de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van de op zijn grondgebied wonende belastingplichtigen die hun economische activiteit gedeeltelijk in het buitenland verrichten, geheel voor zijn rekening te nemen.
100. De woonstaat kan ook van de nakoming van die verplichting ontheven zijn indien hij constateert dat een of meer werkstaten, zelfs buiten enige overeenkomst om, over de door hen belaste inkomsten voordelen verlenen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen die niet op het grondgebied van deze werkstaten wonen, maar aldaar belastbare inkomsten verwerven.
101. Methoden ter voorkoming van dubbele belastingheffing of nationale belastingregelingen die tot gevolg hebben dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen of verzacht, moeten de belastingplichtigen van de betrokken staten echter wel ervan verzekeren dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld, omdat daardoor anders een met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers onverenigbare ongelijke behandeling zou worden gecreëerd die niet het gevolg is van de tussen de nationale fiscale stelsels bestaande dispariteiten.
102. In casu moet worden vastgesteld dat het Nederlandse recht en de overeenkomsten met Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk dit resultaat niet garanderen. De woonstaat is namelijk ten dele ontheven van de nakoming van zijn verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige in aanmerking te nemen, zonder dat de werkstaten voor het deel van de op hun grondgebied verworven inkomsten ermee instemmen,16.de desbetreffende lasten te dragen of deze lasten opgelegd krijgen op basis van met de woonstaat gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting. Dit ligt slechts anders bij de overeenkomst met Duitsland ingeval 90% van de inkomsten zijn verworven in de werkstaat, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval is.
103. Wat in de derde plaats het argument van de Belgische regering betreft, dat het onevenredig zou zijn om de woonstaat de last op te leggen, aan de aldaar wonende belastingplichtigen die in andere lidstaten inkomsten hebben verworven, alle aftrekposten te verlenen waarop zij aanspraak kunnen maken, ook wanneer die inkomsten in die andere lidstaten zijn belast zonder dat met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige rekening is gehouden, moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak17.volgens welke verlies van belastinginkomsten nooit een rechtvaardiging kan zijn voor de beperking van een fundamentele vrijheid (arrest van 16 juli 1998, ICI, C-264/96, Jurispr. blz. I-4695, punt 28, en arrest Saint-Gobain ZN, reeds aangehaald, punt 51).
104. Overigens zij erop gewezen dat de Nederlandse fiscus bij de belasting van De Groots inkomsten de progressie van het nationale stelsel heeft kunnen toepassen doordat het progressievoorbehoud is opgenomen in de bilaterale overeenkomsten.18.
105. Ten slotte kan niet worden gesteld dat het in de Nederlandse regeling en de bilaterale overeenkomsten voorziene systeem van toerekening van de persoonlijke aftrekposten naar evenredigheid van de vrijgestelde inkomsten, noodzakelijk is voor de samenhang van de methode van vrijstelling met progressievoorbehoud.
106. Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat de noodzaak, de samenhang van het belastingstelsel te waarborgen, een rechtvaardigingsgrond kan zijn voor een regeling die de fundamentele vrijheden beperkt (arresten van 28 januari 1992, Bachmann, C-204/90, Jurispr. blz. I-249, punt 28, en Commissie/België, C-300/90, Jurispr. blz. I-305, punt 21).
107. Dit is in casu echter niet het geval.
108. In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de aangehaalde arresten Bachmann en Commissie/België bestond er een rechtstreeks verband tussen de aftrekbaarheid van de in het kader van ouderdoms- en overlijdensverzekeringen voldane premies en de heffing van belasting over de ter zake ontvangen uitkeringen, een verband dat behouden diende te blijven ter waarborging van de samenhang van het betrokken belastingstelsel.
109. In casu is er echter niet een dergelijk rechtstreeks verband tussen enerzijds de methode van vrijstelling met progressievoorbehoud, op grond waarvan de woonstaat afziet van de heffing van belasting over de in andere lidstaten verworven inkomsten maar daarmee wel rekening houdt om het op de niet-vrijgestelde inkomsten toepasselijke belastingtarief te bepalen, en anderzijds de toerekening van de aftrekposten naar evenredigheid van de in de woonstaat verworven inkomsten. Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie opmerkt, is de effectiviteit van de progressiviteit van de inkomstenbelasting in de woonstaat, hetgeen het doel is van de methode van vrijstelling met progressievoorbehoud, niet uitsluitend mogelijk wanneer de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige in die staat slechts beperkt in aanmerking wordt genomen.19.
110. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 48 van het Verdrag in de weg staat aan een regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die al dan niet is overgenomen in een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belastingheffing, op grond waarvan een belastingplichtige voor de berekening van zijn inkomstenbelasting in de woonstaat een deel van het profijt van zijn belastingvrije som en van zijn persoonlijke fiscale tegemoetkomingen verliest doordat hij in het betrokken jaar ook in een andere lidstaat inkomsten heeft verworven, waarvoor hij aldaar is belast zonder dat daarbij zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking is genomen.
111. Wegens het antwoord dat met betrekking tot artikel 48 van het Verdrag op de eerste vraag is gegeven, behoeft niet te worden onderzocht of artikel 7 van verordening nr. 1612/68 in de weg staat aan een regeling als bedoeld in het hoofdgeding.20.”
Het HvJ antwoordde als volgt:
“1. Artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) staat in de weg aan een regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die al dan niet is overgenomen in een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belastingheffing, op grond waarvan een belastingplichtige voor de berekening van zijn inkomstenbelasting in de woonstaat een deel van het profijt van zijn belastingvrije som en van zijn persoonlijke fiscale tegemoetkomingen verliest doordat hij in het betrokken jaar ook in een andere lidstaat inkomsten heeft verworven, waarvoor hij aldaar is belast zonder dat daarbij zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking is genomen. woonstaat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van een werknemer die in een bepaald belastingjaar in die staat en in een andere lidstaat inkomsten heeft verworven, althans voorzover de voorwaarden waaronder de woonstaat met deze situatie rekening houdt, geen rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van nationaliteit of een belemmering van een bij het EG-Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheid opleveren.”
2.11 Hoe inconsistent de Schumacker-rechtspraak is, wordt geïllustreerd door r.o. 94, waarin het Hof met zoveel woorden eist dat de werkstaten niet-onderdanen zoals De Groot als eigen onderdaan behandelen, terwijl hij vervolgens, haaks daarop, van geen van de werkstaten die volgens hem dus verplichte nationale behandeling eist, maar in plaats daarvan de woonstaat weer volledig verantwoordelijk maakt voor de weigering van die nationale behandeling door de werkstaten.
2.12
De zaak De Groot is een moeilijk te bevatten en betreurenswaardige gemiste kans. Het HvJ had een uitgelezen mogelijkheid om door simpele toepassing van de meest basale regel van het vrije verkeer van personen (nationale behandeling van niet-ingezetenen in de werkstaat) zowel de verkeersvrijheden correct en volgens het EU-rechtelijk fundamentele evenredigheidsbeginsel toe te passen als drie inconsistenties van het gebruikelijke (OESO-)internationale belastingrecht op te ruimen, maar hij stond er op te pogen de werkelijkheid (discriminatie door de werkstaat) aan te passen aan zijn misvatting in Schumacker en Gschwind van die werkelijkheid.21.
De zaak Wallentin22.
2.13
Wallentin was een Duitse student die in Duitsland woonde. In 1996 deed hij in zijn vakantie een betaalde stage in Zweden. In Duitsland bestond zijn inkomen uit een maandelijkse toelage (650 DEM) van zijn ouders en een maandelijkse studietoelage (350 DEM) van de Duitse overheid, die naar Duits recht geen belastbaar inkomen vormden. Zijn vakantiewerkloon ad 8.724 SEK werd door het belastingverdrag tussen Zweden en Duitsland toegewezen aan Zweden, waar hij als niet-inwoner geen recht had op een belastingvrije som. Hij achtte toekenning van een belastingvrije som alleen aan onbeperkt belastingplichtigen en niet aan beperkt belastingplichtigen zoals hij in strijd met art. 39 EG (thans art. 45 VwEU; vrij verkeer van werknemers):
“5 (…). Zijn aanvraag werd afgewezen door de [Zweedse; PJW] belastingdienst, die hem erop wees dat over het betrokken bedrag 25 % inkomstenbelasting moest worden betaald op grond van de „Lag (1991:586) om särskild inkomstskatt för utomlands bosatta” (wet inzake de bijzondere belasting op het inkomen van in het buitenland wonende personen; hierna: „SINK-wet”), die de gevallen van beperkte belastingplichtigheid in de inkomstenbelasting regelt.
6 De SINK-wet is van toepassing op in het buitenland wonende personen die tijdens een kortstondig verblijf van minder dan zes maanden per jaar in Zweden aldaar inkomsten verwerven. Het gaat om een bronbelasting en de belastingplichtige heeft geen enkel recht op een belastingaftrek of ‑vermindering wegens persoonlijke omstandigheden. Ter compensatie is het tarief van de bijzondere inkomstenbelasting lager dan het progressieve tarief van de algemene inkomstenbelasting, dat volgens de verwijzende rechter ongeveer 30 % bedraagt.
7 Wie gedurende meer dan zes maanden per jaar in Zweden woont en aan de algemene inkomstenbelasting is onderworpen (onbeperkt belastingplichtigen), heeft recht op een belastingvrije som, die voor het betrokken belastingjaar 8 600 SEK bedroeg. De volledige belastingvrije som wordt slechts toegekend aan belastingplichtigen die gedurende een volledig belastingjaar in Zweden woonden. Voor kortere verblijven van meer dan zes maanden wordt de belastingvrije som naar rata van het aantal maanden verblijf toegekend.”
Het HvJ achtte deze Zweedse regeling inderdaad in strijd met het vrije werknemersverkeer:
“(…).
16 Wanneer een lidstaat een niet-ingezetene niet in aanmerking neemt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan ingezetenen verleent, is dat (…) in de regel niet discriminerend, gelet op de objectieve verschillen tussen de situatie van ingezetenen en van niet-ingezetenen zowel wat de inkomstenbron als wat de persoonlijke draagkracht of de persoonlijke en gezinssituatie betreft (reeds aangehaalde arresten Schumacker, punt 34; Gschwind, punt 23, en Gerritse, punt 44).
17 Het Hof heeft echter geoordeeld dat dit anders is ingeval de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen haalt uit de arbeid verricht in de werkstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie (zie arrest Schumacker, (…), punt 36, en arrest van 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 89). In het geval van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen verwerft in een andere lidstaat dan de woonstaat, is de discriminatie immers gelegen in het feit dat met de persoonlijke en gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de werkstaat rekening wordt gehouden (arrest Schumacker, punt 38), ongeacht het verschillende belastingtarief van de bijzondere en de algemene inkomstenbelasting.
18 Dat is precies het geval in het hoofdgeding, waar Wallentin ten tijde van de feiten geen belastbaar inkomen in zijn woonstaat had, aangezien de maandelijkse toelage van zijn ouders en het stipendium van de Duitse overheid naar Duits belastingrecht geen belastbaar inkomen vormden.
19 Met betrekking tot de vraag of de betrokken belastingvrije som weergeeft dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, heeft het Hof geoordeeld dat de belastingvrije som naar Duits recht („Grundfreibetrag”) een sociaal doel dient, aangezien zij de mogelijkheid biedt, de belastingplichtige een bestaansminimum volledig vrij van inkomstenbelasting te waarborgen (arrest Gerritse, reeds aangehaald, punt 48). De processtukken bevatten geen enkel gegeven dat pleit voor een andere beoordeling van de naar Zweeds belastingrecht toegekende belastingvrije som.
20 Bijgevolg levert de omstandigheid dat deze belastingvrije som niet wordt toegekend aan beperkt belastingplichtigen die in hun woonstaat geen belastbaar inkomen verwerven, een met artikel 39 EG strijdige discriminatie op.”
2.14
Het onthouden van een belastingvrije som aan niet-inwoners door de werkstaat schendt dus het EU-recht als de niet-ingezetene in zijn woonstaat weliswaar significante inkomsten geniet, maar die inkomsten daar niet in de inkomstenbelasting worden betrokken. Het ontgaat mij hoe hetzelfde onthouden van dezelfde belastingvrije som aan dezelfde niet-ingezetene dan géén schending van EU-recht zou zijn in geval diezelfde niet-ingezetene diezelfde significante woonstaatinkomsten geniet en die wél daar in de heffing worden betrokken maar evenmin belast worden omdat zij geabsorbeerd worden door de daar vigerende belastingvrije som. De fiscale positie van de grensoverschrijder is in de woonstaat in beide gevallen identiek (zelfde inkomsten; zelfde belasting, nl. geen). Hij verliest in geen van beide gevallen enig voordeel in de woonstaat als gevolg van zijn gebruik van het vrije personenverkeer, maar toch wordt de werkstaat in het ene identieke geval wél geacht dat vrije verkeer te hinderen en in het andere identieke geval niet.
2.15
Het Hof ’s-Hertogenbosch leidt uit dit arrest en uit het arrest Meindl (zie 2.20 hieronder) af dat de bronstaat (Nederland) de vraag of de niet-ingezetene in zijn woonstaat gebruik heeft kunnen maken van de woonstaat-tegemoetkomingen, moet beoordelen naar de fiscale maatstaven van die woonstaat, dus niet naar zijn eigen maatstaven. U zie paragraaf 10 van ‘s Hofs ‘Schumacker-bijlage’.
De zaak D23.
2.16
Deze zaak betrof de tot de invoering van box 3 vigerende Nederlandse vermogensbelasting. D woonde in Duitsland en bezat Nederlandse onroerende zaken, die 10% van zijn vermogen uitmaakten; de rest van zijn vermogen hield hij in Duitsland. Duitsland had de vermogensbelasting afgeschaft; Nederland nog niet. Nederland kende D geen vermogensbelastingvrije som toe. D achtte dat discriminerend jegens Duitse niet-ingezetenen die investeren in onroerende zaken in Nederland omdat (i) hij net als Wallentin geen belaste grondslag had in zijn woonland Duitsland (geen vermogensbelasting) en (ii) Nederland die vermogensbelastingvrije som bij belastingverdrag met België wél verleende aan Belgische niet-ingezetenen.
2.17
Het HvJ oordeelde ad (i) als volgt:
“41. Dat ingezetenen en niet-ingezetenen verschillend worden behandeld door de lidstaat waarin de betrokkene slechts 10 % van zijn vermogen bezit en in dat geval geen aftrek van een belastingvrije som plaatsvindt, wordt (…) verklaard door het feit dat de betrokkene slechts een niet-wezenlijk deel van zijn vermogen in die lidstaat bezit en hij zich dus niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de ingezetenen. De omstandigheid dat de woonstaat van de betrokkene de vermogensbelasting heeft afgeschaft, heeft geen invloed op deze feitelijke situatie. Aangezien de betrokkene het belangrijkste deel van zijn vermogen bezit in de staat waarvan hij ingezetene is, is de lidstaat waarin hij slechts een deel van zijn vermogen bezit niet verplicht hem de voordelen toe te kennen die hij aan zijn eigen ingezetenen toekent.
42. Bovendien verschillen de omstandigheden van het hoofdgeding van die van de zaak waarin het voormelde arrest Wallentin is gewezen, aangezien bedragen als de toelage die Wallentin van zijn ouders kreeg en het stipendium dat hij van de Duitse overheid ontving, op zich geen inkomsten vormden die krachtens Duits belastingrecht belastbaar waren. Derhalve kunnen de door Wallentin in Duitsland ontvangen bedragen en het vermogen dat D. in die lidstaat bezit niet vergelijkbaar worden geacht voor de beantwoording van de vraag of D. voor de belasting van het vermogen dat hij in Nederland bezit, in aanmerking moet kunnen komen voor een belastingvrije som die de wettelijke regeling van laatstgenoemde lidstaat voorziet.
43. Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord dat de artikelen 56 EG en 58 EG zich niet verzetten tegen een regeling op grond waarvan een lidstaat aan buitenlandse belastingplichtigen die het belangrijkste deel van hun vermogen bezitten in de staat waarvan zij ingezetenen zijn, het recht op belastingvrije sommen weigert die hij aan binnenlandse belastingplichtigen verleent.”
2.18
Ook dit antwoord lijkt mij EU-rechtelijk onjuist: het HvJ had mijns inziens moeten antwoorden dat Nederland, dat 10% van D’s vermogen belastte, om discriminatie van niet-inwoners te voorkomen, D ook 10% van zijn vermogensbelastingvrije som had moeten toekennen. Het onderscheid met de zaak Wallentin dat het HvJ wil maken, lijkt mij verre van overtuigend. Dat diens ouderlijke toelage en overheidsstipendium “op zich geen inkomsten vormden die krachtens Duits belastingrecht belastbaar waren”, maakt zijn “in Duitsland ontvangen bedragen en het vermogen dat D in die lidstaat bezit” juist wél vergelijkbaar, anders dan het HvJ ongemotiveerd stelt in r.o. 42. Ook D’s vermogen was ‘naar zijn aard’ immers geen belastbaar vermogen in Duitsland, nu Duitsland überhaupt geen vermogensbelasting had. Wallentin’s Duitse inkomen daarentegen was juist niet ‘naar zijn aard’ onbelast (inkomen was in beginsel juist wél belast), maar slechts door de politieke keuze om studiebeurzen en ouderlijke toelagen vrij te stellen, denkelijk om te voorkomen dat de toelage anders aftrekbaar zou zijn bij de ouders. Bij Wallentin ging het dus niet om posten die ‘naar hun aard’ geen belastbaar inkomen zouden zijn, maar om posten die naar hun aard wél inkomen zijn, maar om inkomenspolitieke redenen gedefiscaliseerd waren. Als een vermogensbelasting wordt afgeschaft, is dat daarentegen een generieke afschaffing van een hele soort (dus een hele ‘aard’ van) belasting, en gaat het daarmee in dat geval juist wél om ‘naar zijn aard’ niet-belaste grondslag.
2.19
Men moet de moeizame overwegingen van het HvJ in de zaak D kennelijk aldus opvatten dat als Duitsland wél een vermogensbelasting had gehad, D voldoende Duits vermogen zou hebben gehad om de volle Duitse vermogensbelastingvrije som te genieten. Zo’n benadering heeft echter een hoog fictiegehalte: over een eventuele belastingvrije som in een niet-bestaande vermogensbelasting valt immers niets te zeggen. En wat, als Duitsland wél een vermogensbelasting had gehad, maar zonder belastingvrije som?
De zaak Meindl24.
2.20
Meindl was een zelfstandige die in 1997 in Duitsland woonde en werkte. Zijn echtgenote woonde in Oostenrijk. Meindl verdiende in 1997 in Duitsland 138.422 DEM. In dat jaar beviel zijn vrouw van een dochter. De Oostenrijkse overheid betaalde haar een zwangerschapsuitkering, een bijzondere ouderschapsuitkering en gezinsbijstand, die naar Oostenrijks recht niet belastbaar waren. Meindl werd in Duitsland als alleenstaande belast, maar hij wilde toepassing van het Duitse splittingsstelsel voor echtgenoten (lager tarief). Daarvoor gold echter de voorwaarde dat het gezinsinkomen, berekend naar Duitse maatstaven, voor meer dan 90% in Duitsland werd verdiend of het niet-Duitse deel lager was dan 24.000 DEM (zie de zaak Gschwind hierboven). Zijn verzoek werd afgewezen omdat aan geen van beide voorwaarden was voldaan: het Duitse deel van het gezinsinkomen was minder dan 90% en het gezin genoot in Oostenrijk meer dan 24 000 DEM: de Oostenrijkse zwangerschaps- en ouderschapsuitkeringen bedroegen samen 26.994,73 DEM. Deze Oostenrijkse loonvervangende uitkeringen werden in Duitsland niet als vrijgesteld beschouwd omdat zij niet krachtens Duits recht waren betaald. Dat de uitkeringen naar Oostenrijks recht niet belast waren, stond er naar Duits recht niet aan in de weg om ze mee te tellen voor de bepaling van het totale gezinsinkomen. Meindl achtte dat in strijd met de vestigingsvrijheid. Het HvJ oordeelde daarover als volgt:
“26. (…), bevindt een ingezeten belastingplichtige wiens echtgenoot in dezelfde
lidstaat woont en daar slechts belastingvrije inkomsten verwerft, zich objectief gezien
in dezelfde situatie als een ingezeten belastingplichtige wiens echtgenoot in een
andere lidstaat woont en daar uitsluitend belastingvrije inkomsten verwerft, aangezien
in beide gevallen het belastbare gezinsinkomen wordt gehaald uit de werkzaamheid
van één van de echtgenoten en het hierbij in beide gevallen om de ingezeten
belastingplichtige gaat.
(…).
32. Gelet op één en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 52 van het Verdrag zich ertegen verzet dat aan een ingezeten belastingplichtige door de lidstaat waar hij woont, wordt geweigerd om gezamenlijk met zijn in een andere lidstaat wonende echtgenoot die niet gescheiden van hem leeft, in de inkomstenbelasting te worden aangeslagen op grond dat deze echtgenoot in die andere lidstaat zowel meer dan 10 % van het gezinsinkomen als meer dan 24.000 DEM heeft verworven, wanneer de door die echtgenoot in deze andere lidstaat verworven inkomsten daar niet aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen.”
2.21
Waren de uitkeringen op basis van Duits recht verstrekt, dan zouden zij op die grond volgens de Duitse belastingwetgeving belastingvrij zijn geweest. Het echtpaar bevond zich volgens het HvJ in een objectief gelijke situatie als een in Duitsland wonend echtpaar met dezelfde inkomsten, dat wel in aanmerking zou komen voor splitting. Volgens het Hof Den Bosch blijkt uit dit arrest en uit de zaak Wallentin (zie 2.13 hierboven) dat de bronstaat de vraag of de niet-ingezetene in zijn woonstaat gebruik heeft kunnen maken van de woonstaat-tegemoetkomingen, moet beoordelen naar de fiscale maatstaven van die woonstaat, dus niet naar zijn eigen maatstaven. U zie paragraaf 10 van ‘s Hofs ‘Schumacker-bijlage’.
De zaak Lakebrink25.
2.22
Het echtpaar Lakebrink woonde in 2002 in Duitsland, waar zij verhuurd onroerend goed bezaten waarop zij in 2002 een negatief resultaat hadden behaald. Beiden werkten in dienstbetrekking in Luxemburg. Het toepasselijke belastingverdrag wees de inkomsten uit onroerend goed exclusief toe aan het land van ligging (Duitsland). Het echtpaar wilde dat voor de Luxemburgse progressie van het tarief op hun Luxemburgse loon rekening werd gehouden met de negatieve Duitse inkomsten uit onroerend goed. Hadden zij in Luxemburg gewoond, dan zou daarmee rekening zijn gehouden bij de bepaling van het Luxemburgse belastingtarief. Deze zaak betrof dus enkel de bepaling van de tariefprogressie in de werkstaat bij de heffing over het werkstaatinkomen.
2.23
Het HvJ begon weer met ontkenning van vergelijkbaarheid van niet-ingezetenen met ingezetenen en met zijn ongerijmde concept van onbepaalde discriminatie die zou liggen in hetgeen een andere staat niet doet:
“28 De situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen ter zake van directe belastingen zijn (…) in de regel niet vergelijkbaar (arrest Schumacker, reeds aangehaald, punt 31).
29 Wanneer een lidstaat een niet-ingezeten belastingplichtige niet in aanmerking laat komen voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan de ingezeten belastingplichtigen verleent, is dat in de regel dus niet discriminerend, aangezien deze twee categorieën belastingplichtigen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden.
30 Volgens vaste rechtspraak ligt dit evenwel anders wanneer de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis verwerft in de staat waar hij woont, en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen haalt uit arbeid verricht in de werkstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie (zie met name arrest Schumacker, reeds aangehaald, punt 36).
31 Volgens die rechtspraak is de discriminatie gelegen in het feit dat met de persoonlijke en de gezinssituatie van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomsten en nagenoeg alle inkomsten van zijn gezin verwerft in een andere lidstaat dan zijn woonstaat, noch in de woonstaat noch in de staat waarin hij werkzaam is, rekening wordt gehouden (arrest Schumacker, reeds aangehaald, punt 38).”
Daarna breidde hij de reikwijdte van zijn Schumacker-rechtspraak uit naar wezenlijk alle aspecten van inkomstenbelastingheffing:
“32 Die rechtspraak is van toepassing in een situatie als die van het hoofdgeding.
33 De in punt 31 van dit arrest genoemde discriminatie betreft namelijk a fortiori niet-ingezeten werknemers als de echtelieden Lakebrink, die (…) geen inkomsten hebben in hun woonstaat en die alle inkomsten van hun gezin verwerven uit werkzaamheden in de werkstaat.
34 Anderzijds heeft de ratio van de discriminatie die het Hof in het arrest Schumacker heeft vastgesteld en waaraan in punt 31 van dit arrest is herinnerd (…) betrekking op alle belastingvoordelen die verband houden met de fiscale draagkracht van de niet-ingezetene waarmee noch in de woonstaat, noch in de werkstaat rekening is gehouden (…); de fiscale draagkracht kan trouwens worden geacht deel uit te maken van de persoonlijke situatie van de niet-ingezetene in de zin van het arrest Schumacker.
35 De weigering van de belastingadministratie van een lidstaat om rekening te houden met de negatieve inkomsten uit de verhuur van de in het buitenland gelegen onroerende goederen van een belastingplichtige, is dus een bij artikel 39 EG verboden discriminatie.
36 Bijgevolg moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 39 EG aldus moet worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een gemeenschapsburger die niet woont in de lidstaat waar hij inkomsten verkrijgt welke het grootste deel van zijn belastbare inkomen vormen, niet kan vragen dat voor de bepaling van het op die inkomsten toepasselijke belastingtarief rekening wordt gehouden met de negatieve inkomsten uit de verhuur van in een andere lidstaat gelegen onroerende goederen die hij niet persoonlijk gebruikt, terwijl een ingezetene van de eerste staat dat wel kan.”
2.24
Hieruit volgt dat de nationale behandeling in de werkstaat – die het HvJ ten onrechte alleen eist in Schumacker-situaties (‘geheel of nagenoeg geheel’) – óók de tariefprogressie omvat. Uiteraard: nationale behandeling impliceert binnenlanderbehandeling. Er volgt ook uit dat het HvJ bij natuurlijke personen geen onderscheid (meer) maakt tussen persoonlijke tegemoetkomingen (die toegerekend moeten worden aan het gehele inkomen omdat zij niet toerekenbaar zijn aan enige specifieke bron van inkomen, zoals belastingvrije sommen, ziektekosten, persoonlijke verplichtingen, etc.) en verwervingskosten, die wél vast zitten aan één specifieke bron van inkomen, zoals in casu de exploitatiekosten van verhuurd onroerend goed. Alles wat de draagkracht vermindert – dus élke uitgave die fiscaal in aanmerking wordt genomen bij inwoners – is thans een “voordeel (…) uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie,” hetgeen fiscaalrechtelijk niet erg zinnig lijkt en ook niet past in de overige fiscale rechtspraak van het HvJ, die immers verwervingskosten terecht toerekent aan het land van de inkomstenbron; u zie bijvoorbeeld de arresten in de zaken Gerritse26.en Centro equestre da Leziria Grande.27.Maar het Hof Den Bosch leidt uit dit arrest terecht af dat het HvJ fiscale faciliteiten in verband met de persoonlijke en gezinssituatie zeer ruim opvat als omvattend alle belastingvoordelen die de fiscale draagkracht van de niet-ingezetene beïnvloeden.28.
De zaak Renneberg29.
2.25
Renneberg woonde in 1996 en 1997 in België en werkte in Nederland. Hij had geen ander arbeidsinkomen dan zijn loon uit de Nederlandse dienstbetrekking. In België had hij geen arbeidsinkomen, maar betaalde hij wel hypotheekrente op de financiering van zijn eigen woning, die in België niet-aftrekbaar was (een dispariteit dus). Daarom wilde hij in Nederland hypotheekrenteaftrek, maar het belastingverdrag tussen Nederland en België wees uiteraard alle inkomsten en kosten ter zake van de Belgische woning toe aan België.
2.26
Het HvJ paste zijn Lakebrink-benadering (de werkstaat-tariefprogressie moet rekening houden met woonstaatverliezen) in deze zaak ook toe op de grondslag van heffing in de werkstaat: de werkstaat moet de woonstaatverliezen uit onroerend goed importeren, hoezeer ook die werkstaat niets te maken heeft met woonstaatkosten en -inkomsten van woonstaat-onroerend goed en hoezeer ook het belastingverdrag hem verbiedt om positief inkomen uit dat woonstaat-onroerend-goed te belasten:
“Artikel 39 EG dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een gemeenschapsburger die niet-ingezetene is van de lidstaat waarin hij inkomsten verwerft die zijn volledige of nagenoeg zijn volledige belastbare inkomen vormen, in deze lidstaat voor de vaststelling van de grondslag voor de belastingheffing over dat inkomen negatieve inkomsten uit een in een andere lidstaat gelegen woning waarvan hij eigenaar is, niet in aftrek kan brengen, terwijl een ingezetene van eerstgenoemde lidstaat dergelijke negatieve inkomsten voor de vaststelling van de grondslag voor de belastingheffing over zijn inkomen wel in aftrek kan brengen.”
2.27
Dit is een betreurenswaardig arrest. De werkstaat werd gedwongen een aftrek te verlenen die voor zijn eigen inwoners niet beschikbaar was. Het HvJ had kennelijk niet begrepen hoe voor inwoners het verliesinhaalmechanisme werkt bij evenredige belastingvrijstelling van inkomsten uit een buitenlands tweede huisje. Renneberg kreeg bovendien een aftrekpost die hij helemaal niet verloor, nu die aftrek in zijn woonstaat België niet bestond. In België was hypotheekrente niet of nauwelijks aftrekbaar (uitsluitend tegen een zeer laag kadastraal inkomen). Een dispariteit dus.30.Renneberg werd dus zonder rechtvaardiging bevoordeeld boven zowel inwoners van Nederland als zijn Belgische buurman met hetzelfde huis, hetzelfde loon, dezelfde hypotheek en dezelfde baan, maar dan in België. Nederland werd gedwongen een dispariteit op te heffen. Dat is harmonisatie, waartoe het HvJ niet bevoegd is. Een dispariteit is per definitie géén discriminatie. Het is vaste rechtspraak dat de verkeersvrijheden niet kunnen garanderen dat gebruikmaking ervan geen nadelige effecten kan hebben vergeleken bij thuis blijven omdat het in de ene lidstaat nu eenmaal ongeharmoniseerd anders toegaat dan in de andere.31.
2.28
Het arrest Renneberg is ook onverenigbaar met ’s Hofs vaste rechtspraak dat het EU-recht niet verplicht tot import van buitenlandse verliezen als ook de bijbehorende buitenlandse winsten zijn vrijgesteld, zoals de arresten Lidl Belgium,32. Krankenheim Ruhesitz,33. Timac Agro34. en Marks & Spencer II.35.
2.29
U zie voor een bespreking van de fallacies in het arrest Renneberg het kritische commentaar van Kemmeren in EC Tax Review36.en paragraaf 3.2.7.3(iv) van Terra/Wattel, European Tax Law, Volume I - General Topics and Direct Taxation, 2022.
De zaak Commissie v. Estland37.
2.30
Een Estse die in Finland woonde en uit zowel Estland als Finland een pensioen van vrijwel gelijke geringe omvang genoot, had bij de Europese Commissie geklaagd over de Estse inkomstenbelastingheffing over haar Estse pensioen. De Estse fiscus had haar de belastingvrije sommen geweigerd waarop inwoners wél recht hadden omdat zij in Estland minder dan 75% van haar totale inkomen verwierf,38.dus zeker niet ‘nagenoeg haar gehele inkomen’. In haar woonland Finland betaalde de klaagster wegens haar geringe totaalinkomen geen inkomstenbelasting. Was zij ingezetene van Estland geweest, dan zou ook daar haar gehele inkomen zijn geabsorbeerd door de Estse belastingvrije sommen en zou zij dus geen Estse inkomstenbelasting betaald hebben.
2.31
Het HvJ achtte de Estse weigering van belastingvrije sommen onverenigbaar met het vrije personenverkeer:
“Grief inzake schending van artikel 45 VWEU
(…).
51 Van een discriminatie in de zin van het Verdrag tussen ingezetenen en niet-ingezetenen kan slechts sprake zijn indien, ongeacht het feit dat de twee categorieën belastingplichtigen in verschillende lidstaten verblijven, wordt vastgesteld dat zij zich, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen, in een vergelijkbare situatie bevinden (zie arrest Gschwind, punt 26).
52 Dit is het geval wanneer een niet-ingezetene die geen inkomsten van betekenis
verwerft in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit
arbeid verricht in de werkstaat, zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de
ingezetenen van die laatste staat, aangezien in dat geval de woonstaat hem niet de
voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn
persoonlijke en gezinssituatie. Bijgevolg moet hij fiscaal worden behandeld als een
ingezetene van de werkstaat en moet die staat hem de belastingvoordelen toekennen
waarin hij voor de ingezetenen voorziet (zie onder meer arresten Schumacker, punten 36
en 37, en Gschwind, punt 27).
53 Het is ook vaste rechtspraak van het Hof dat in een situatie waarin er krachtens de
belastingwetgeving van de lidstaat van de woonplaats in die staat geen enkel belastbaar
inkomen is (zie in die zin arrest Wallentin, reeds aangehaald, punt 18), er een
discriminatie kan zijn indien de persoonlijke en gezinssituatie van iemand zoals klaagster
niet in de woonstaat en evenmin in de werkstaat in aanmerking wordt genomen (zie in die
zin arrest Wallentin, punt 17).
54 Wanneer bijna 50 % van de totale inkomsten van de betrokkene in de woonstaat worden verworven, moet die woonstaat dus in beginsel in staat zijn om overeenkomstig de modaliteiten van zijn wettelijke regeling de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in aanmerking te nemen (zie arrest Gschwind, punt 29).
55 In een geval echter zoals dat van klaagster, die krachtens de belastingwetgeving van de lidstaat van de woonplaats wegens haar geringe wereldinkomen in die staat niet belastbaar is, kan de woonstaat de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene, in het bijzonder de weerslag daarop door het belasten van inkomsten verworven in een andere lidstaat niet, in aanmerking nemen.
56 In dergelijke omstandigheden resulteert de weigering van de lidstaat waar de betrokken inkomsten zijn verworven om een in zijn belastingregeling vastgestelde vermindering toe te kennen, in een benadeling van de niet-ingezeten belastingplichtigen zoals klaagster op de enkele grond dat zij gebruik hebben gemaakt van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden van verkeer.
57 Het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling kan alleen
worden gerechtvaardigd indien het is gebaseerd op objectieve overwegingen die
evenredig zijn aan de rechtmatige doelstellingen van het nationale recht (arrest van 9
november 2006, Turpeinen, C‑520/04, Jurispr. blz. I‑10685, punt 32). Hoewel de
Republiek Estland heeft aangevoerd dat de litigieuze voorwaarde beoogt te vermijden
dat de niet-ingezeten belastingplichtige verminderingen in elk van de betrokken
lidstaten cumuleert, moet in dat verband worden vastgesteld dat er in een geval zoals
dat van klaagster geen sprake is van een ongerechtvaardigde cumulatie van
voordelen.39.
58 Derhalve en voor zover dit hierboven is aangegeven kan de algemene aard van
de voorwaarde van § 283 van de belastingwet, die de persoonlijke en gezinssituatie
van de betrokken belastingplichtigen niet in aanmerking neemt, personen benadelen
zoals klaagster die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die hun bij de
regels inzake het vrije verkeer van werknemers zijn gegeven, en is zij dus
onverenigbaar met de vereisten van de Verdragen zoals die uit artikel 45 VWEU
voortvloeien.
59 De grief inzake de schending van artikel 45 VWEU moet bijgevolg gegrond worden verklaard.”
2.32
Nederland heeft naar aanleiding van dit arrest art. 21bis(1) UBIB ingevoerd, de toepassing waarvan in geschil is in de drie zaken waarbij deze bijlage gaat. Het Hof ’s-Hertogenbosch leidt uit dit arrest af dat er situaties zijn waarin het Schumacker-criterium (‘nagenoeg geheel; veelal opgevat als minstens 90% van het inkomen in de werkstaat; zie bijvoorbeeld het Gschwind-arrest in 2.7 hierboven) niet relevant is, maar bepalend voor de werkstaat-verplichtingen is of in de woonstaat voldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Ook uit andere arresten zoals met name de zaak C-303/12, Imfeld en Garcet40.(zie 2.33 hieronder) kan volgens het Hof Den Bosch worden afgeleid dat het er voor het HvJ om gaat dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en ‘naar behoren’ in aanmerking wordt genomen. Zie paragraaf 21 van ‘s Hofs ‘Schumacker-bijlage’ bij zijn uitspraken die thans in cassatie worden bestreden.
De zaak Imfeld & Garcet41.
2.33
Imfeld en Garcet zijn met elkaar gehuwd en wonen in België. Ze hebben twee kinderen. Voor 2003 en 2004 hebben de echtelieden afzonderlijk van elkaar in België aangifte gedaan, zonder aan te geven dat zij gehuwd waren. Imfeld, die als advocaat in Duitsland werkt en daar al zijn inkomsten verwerft, heeft in België aangegeven geen belastbare inkomsten en geen personen ten laste te hebben. Garcet, die in België een baan heeft, heeft de hypotheekrente, twee kinderen ten laste en de kosten van kinderopvang aangegeven.
2.34
De Belgische fiscus beschouwde Garcet echter niet als alleenstaande en legde een gemeenschappelijke belastingaanslag op waarbij Imfeld’s Duitse inkomsten volledig werden vrijgesteld, maar wel eerst op gezamenlijk inkomensniveau rekening werd gehouden met de kinderopvangkosten en de belastingvrije som. Hierdoor verloor het echtpaar een deel van de belastingvrije som waarop zij recht zouden hebben gehad als alles zich binnen België had afgespeeld, doordat de belastingvrije som bij voorrang werd toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste inkomen (Imfeld), ook al was dat inkomen vrijgesteld krachtens een belastingverdrag. In Duitsland werd Imfeld wél belast als alleenstaande en kreeg hij een belastingvrije som omdat hij kinderen had, het Freibetrag für Kinder. Het echtpaar wenste desondanks in België de volledige belastingvrije som in verband met kinderen.
2.35
Het HvJ gaf hen gelijk, waarbij hij expliciet niet van belang achtte dat het echtpaar aldus bevoordeeld werd door dubbele tegemoetkomingen, nu de woonstaat zijn tegemoetkomingen ‘automatisch’ beperkte in geval een deel van het gezinsinkomen vrijgesteld is wegens elders belast, dus zonder te voorzien in een nauwkeurige koppeling (een communicerende-vatenregeling) tussen de in de werkstaat verleende tegemoetkomingen en de (daarvan dus afhankelijk te maken) gedeeltelijke toekenning van woonstaattegemoetkomingen:
“55. (…), strekt de regel om de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste aan te rekenen op het grootste inkomensdeel van het echtpaar in beginsel ertoe het voordeel te maximaliseren voor het echtpaar als geheel, daaronder begrepen de echtgenoot met de laagste inkomsten. Omdat de aanslagvoet progressief is, is toekenning van de toeslag aan de echtgenoot met de hoogste inkomsten voor het echtpaar voordeliger dan een gelijke of zelfs een evenredige verdeling. Wanneer deze regel wordt toegepast in een grensoverschrijdende situatie als die in het hoofdgeding, ontstaat onder bepaalde omstandigheden paradoxalerwijs precies het omgekeerde effect, zoals in casu wanneer de echtgenoot met de hoogste inkomsten zijn volledig inkomen in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België verwerft.56. Anders dan de Belgische regering stelt, is de daarmee vastgestelde beperking van de vrijheid van vestiging niet het noodzakelijke gevolg van de dispariteiten tussen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regelingen.(…)58. De Belgische regering kan evenmin stellen dat de in het hoofgeding aan de orde zijnde belastingregeling geen beperking van de vrijheid van vestiging vormt omdat Imfelds belastingsituatie geenszins is verslechterd doordat hij zijn recht op vestiging heeft uitgeoefend, aangezien, ten eerste, hij in Duitsland geen hogere belasting heeft hoeven betalen dan hij zou hebben moeten doen in België en, ten tweede, zijn persoonlijke en gezinssituatie in Duitsland in aanmerking is genomen zodat het Koninkrijk België van iedere verplichting dienaangaande zou zijn ontslagen.(…)60. (…) kan niet worden aangenomen dat toekenning van dat belastingvoordeel in Duitsland het verlies kan compenseren van het belastingvoordeel dat verzoekers in het hoofdgeding in België hebben geleden.61. Een lidstaat kan zich immers niet beroepen op het bestaan van een voordeel dat unilateraal wordt toegekend door een andere lidstaat, in casu de lidstaat waar Imfeld werkt en zijn volledig inkomen verwerft, teneinde te ontkomen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het Verdrag, inzonderheid de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging (zie in die zin met name arresten van 8 november 2007, Amurta, C-379/05, Jurispr. blz. I-9569, punt 78, en 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C-11/07, Jurispr. blz. I-6845, punt 69, en Arens-Sikken, C-43/07, Jurispr. blz. I-6887, punt 66).62. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling biedt echtparen een belastingvoordeel, met name in de vorm van een toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste, die wordt aangerekend op de inkomsten van de echtgenoot met het hoogste inkomen zonder dat op welke wijze ook ermee rekening wordt gehouden dat deze echtgenoot als gevolg van de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden mogelijk individueel geen inkomsten in België verwerft, hetgeen rechtstreeks en automatisch tot gevolg heeft dat het echtpaar alsdan dit voordeel helemaal verliest. Los van de wijze waarop Imfeld in Duitsland wordt belast, is het het automatisme van dit verlies dat afbreuk doet aan de vrijheid van vestiging.63. De omstandigheid dat in het hoofdgeding in Duitsland ten dele rekening is gehouden met Imfelds persoonlijke en gezinssituatie bij zijn aanslag als alleenstaande en dat Imfeld daar dus een belastingvoordeel heeft genoten, kan de Belgische regering bijgevolg niet aanvoeren ten bewijze dat geen sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging.(…)79. Het staat de betrokken lidstaten daarentegen vrij om rekening te houden met belastingvoordelen die een andere heffingsstaat eventueel toekent, mits (…) de belastingplichtige wordt verzekerd, los van de wijze waarop deze lidstaten deze verplichting onderling verdelen, dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.80. Bijgevolg dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 49 VWEU aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een belastingregeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die tot gevolg heeft dat een echtpaar dat in die staat woont en zowel in die staat als in een andere lidstaat inkomsten verwerft, daadwerkelijk een bepaald belastingvoordeel verliest als gevolg van de wijze waarop dit voordeel wordt aangerekend, terwijl dit echtpaar dat voordeel wel zou krijgen indien de echtgenoot met de hoogste inkomsten niet zijn volledig inkomen in een andere lidstaat zou verwerven.”
2.36
De woonstaat moet dus kennelijk, als hij dubbel declareren wil voorkomen, voorzien in een verrekeningsmechanisme waardoor uiteindelijk per saldo (na de verrekening van de door de werkstaat toegekende voordelen) de volle waarde van de woonstaattegemoetkomingen in vergelijkbare geheel binnenlandse gevallen wordt genoten door de grensoverschrijders worden verleend.
De zaak Kieback42.
2.37
Kieback woonde de eerste drie maanden van 2005 in Duitsland en werkte toen in Nederland. Op 31 maart 2005 is hij naar de Verenigde Staten geëmigreerd om daar te gaan werken. Hij wilde in Nederland hypotheekrenteaftrek voor zijn Duitse woning voor de eerste drie maanden van 2005 omdat hij in die drie maanden zijn gehele inkomen in Nederland verwierf. Het HvJ wees dat standpunt (geheel) af, kennelijk van oordeel dat Kieback’s nieuwe woonstaat (de VS) rekening moest houden met zijn draagkracht. Werkstaat Nederland kon althans EU-rechtelijk niet gehouden worden zijn persoonlijke tegemoetkomingen te verlenen, ook niet pro rata:
“29 Wanneer de niet-ingezetene in de loop van het jaar vertrekt om zijn beroepsactiviteit in een ander land te gaan uitoefenen, rechtvaardigt niets het standpunt dat de woonstaat enkel en alleen op grond van dat feit niet in staat zal zijn om het gehele inkomen en de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokkene in aanmerking te nemen. Daar bovendien de betrokkene na dat vertrek achtereenvolgens of zelfs gelijktijdig in verschillende landen tewerkgesteld kan zijn geweest en het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen in een van deze landen heeft kunnen vestigen, kan de staat waar hij zijn beroepsactiviteit vóór dit vertrek uitoefende niet worden vermoed deze situatie gemakkelijker te kunnen beoordelen dan de staat, of in voorkomend geval de staten, waar hij na dat vertrek woonachtig is.
30 Dit zou slechts anders zijn, indien zou blijken dat de betrokkene in een jaar het belangrijkste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn volledige gezinsinkomen heeft verworven in de werkstaat, die hij in de loop van dat jaar heeft verlaten, aangezien deze staat dan in de beste positie zou verkeren om hem de voordelen toe te kennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie.
31 Om vast te stellen of dit het geval is, dient alle informatie voorhanden te zijn die nodig is om de algehele fiscale draagkracht van een belastingplichtige te beoordelen, rekening houdend met de bron van zijn inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie. Wil een dergelijke beoordeling in dit opzicht voldoende relevant zijn, dan moet de in aanmerking te nemen situatie betrekking hebben op het gehele betrokken belastingjaar, aangezien dit tijdvak in het algemeen wordt verondersteld het tijdvak te zijn dat in het merendeel van de lidstaten wordt gebruikt voor de vaststelling van de inkomstenbelasting, hetgeen overigens ook in Nederland het geval is.
32 Dit dient dus met name ook te gelden wanneer moet worden vastgesteld welk aandeel – binnen het geheel van de door de betrokkene verworven gezinsinkomsten – de inkomsten uitmaken die hij heeft verworven in de werkstaat vóórdat hij zijn beroepsactiviteit is gaan uitoefenen in een ander land.
33 Een dergelijke logica lijkt trouwens de boventoon te hebben gehad bij de vaststelling van aanbeveling 94/79, waarvan artikel 2, lid 2, bepaalt dat de lidstaten de inkomsten van niet-ingezeten natuurlijke personen niet zwaarder mogen belasten dan die van ingezetenen, wanneer de inkomsten die belastbaar zijn in de lidstaat waarvan de natuurlijke persoon niet-ingezetene is, minstens 75 % van het totale belastbare inkomen van deze persoon in het belastingjaar bedragen.
34 Hieruit volgt dat een niet-ingezeten belastingplichtige die niet zijn totale inkomen of nagenoeg het volledige gezinsinkomen dat hij in de loop van het betrokken jaar heeft genoten, in de werkstaat heeft verworven, zich niet bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezetenen van deze staat, opdat met het oog op de belastingheffing in die staat over zijn inkomen, rekening wordt gehouden met zijn fiscale draagkracht. De lidstaat waarin de belastingplichtige in de loop van het gehele betrokken jaar slechts een gedeelte van zijn belastbare inkomen heeft verworven, is derhalve niet gehouden om hem de voordelen toe te kennen die hij aan zijn eigen ingezetenen toekent.
35 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de omstandigheid dat de betrokkene zijn baan in een lidstaat heeft opgegeven om zijn beroepsactiviteit niet in een andere lidstaat, maar in een derde staat te gaan uitoefenen. De uitlegging van artikel 39, lid 2, EG met betrekking tot de bij deze bepaling ingevoerde verplichting om een werknemer die een beroepsactiviteit uitoefent in een andere lidstaat dan de lidstaat waar hij woont, niet discriminerend te behandelen, geldt immers voor elke lidstaat. Dit geldt in een situatie als in het hoofdgeding ook voor de lidstaat waarin de werknemer, hoewel hij woonachtig is in een andere lidstaat, zijn beroepsactiviteit heeft uitgeoefend alvorens deze in een andere staat te gaan uitoefenen, ondanks dat deze laatste geen lidstaat maar een derde staat is.
36 Gelet op het voorgaande, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 39, lid 2, EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat bij de heffing van inkomstenbelasting van een niet-ingezeten werknemer die zijn beroepsactiviteiten gedurende een deel van het jaar in deze lidstaat heeft uitgeoefend, weigert om aan deze werknemer, rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden, een fiscaal voordeel toe te kennen, op de grond dat, hoewel hij zijn gehele of nagenoeg gehele belastbare inkomen over dit tijdvak in deze lidstaat heeft verworven, dit inkomen niet het belangrijkste deel van zijn belastbaar inkomen vormt over het betrokken jaar. De omstandigheid dat deze werknemer is vertrokken om zijn beroepsactiviteit te gaan uitoefenen in een derde staat, en niet in een andere lidstaat van de Unie, is niet van invloed op deze uitlegging.”
2.38
Met het HvJ ervan uitgaande dat aftrek van hypotheekrente een tegemoetkoming aan persoonlijke en gezinsomstandigheden zou zijn en niet een gevolg van de regel dat alleen netto-inkomsten (na aftrek van kosten) belastbaar zijn, lijkt ook dit arrest mij in strijd met EU-recht: in r.o. 34 wordt de werkstaat immers opnieuw met zoveel woorden toegestaan werknemers uit andere lidstaten zwaarder te belasten dan eigen werknemers voor hetzelfde inkomen, zulks in strijd met art. (thans) 45 VwEU en art. 7(2) Vo. 492/2011.
De zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar)43.
2.39
X woonde in 2007 in Spanje en betaalde daar hypotheekrente. Hij had geen aan Spanje ter belastingheffing toegewezen (andere) inkomsten dan de negatieve inkomsten uit eigen woning, omdat hij zijn volledige arbeidsinkomen elders verdiende: 60% in Nederland en 40% in Zwitserland. X had – onder de toen nog geldende keuzeregeling - gekozen voor binnenlandse belastingplicht in Nederland om de hypotheekrenteaftrek voor zijn woning in Spanje veilig te stellen, maar had kennelijk geen zin in de bijbehorende nadelen van binnenlandse belastingplicht, want hij bestreed vervolgens de aanslag met het betoog dat hij ook zonder keuze voor binnenlandse belastingplicht recht zou hebben gehad op hypotheekrenteaftrek.
2.40
Het HvJ moest eindelijk erkennen dat X wél in beide werkstaten vergelijkbaar was met inwoners en kende eindelijk pro rata hun persoonlijke fiscale tegemoetkomingen toe: de twee werkstaten moesten beiden hun tegemoetkomingen verlenen naar rato van hun onderwerping van het wereldinkomen van de voetbalmakelaar, i.e. Nederland voor 60% en Zwitserland (ook al is die staat geen lidstaat) voor 40%:
“37 Zo is, met betrekking tot (…) belastingvoordelen aan de hand waarvan (…) de draagkracht van de betrokken belastingplichtige moet worden bepaald (…), de enkele omstandigheid dat een niet-ingezetene op het grondgebied van de werklidstaat inkomen heeft ontvangen in min of meer gelijke omstandigheden als ingezetenen van die staat, ontoereikend om zijn situatie objectief vergelijkbaar met die van laatstgenoemden te maken.
38 Om een dergelijke objectieve vergelijkbaarheid te kunnen vaststellen is tevens
vereist dat de woonlidstaat, vanwege het feit dat deze niet-ingezetene het
belangrijkste deel van zijn inkomen elders dan op het grondgebied van die staat heeft
verworven, niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen waarop aanspraak ontstaat wanneer zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking worden genomen (zie naar analogie arrest van 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, EU:C:2015:406, punt 28).
39 Wanneer de niet-ingezetene op het grondgebied van een lidstaat waar hij een deel van zijn werkzaamheden verricht, 60% van het totaal van zijn wereldinkomen ontvangt, rechtvaardigt niets de constatering dat de woonlidstaat op die enkele grond geen rekening zal kunnen houden met al zijn inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie. Dat zou slechts anders zijn indien mocht blijken dat de belanghebbende op het grondgebied van de woonlidstaat geen enkel inkomen heeft ontvangen of een zodanig gering inkomen dat die staat hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al zijn inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.
40 Dat is kennelijk het geval met X, die blijkens de stukken in het bij het Hof ingediende dossier in de loop van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingjaar op het grondgebied van zijn woonlidstaat, te weten het Koninkrijk Spanje, geen inkomen had.
41 Aangezien X zijn persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kan doen nemen door die lidstaat en evenmin door de lidstaat op het grondgebied waarvan hij 60% van het totaal van zijn arbeidsinkomsten ontvangt, te weten het Koninkrijk der Nederlanden, moet worden vastgesteld dat sprake is van discriminatie in zijn nadeel in de zin van de rechtspraak vermeld in de punten 27 tot en met 32 van het onderhavige arrest.
42 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de omstandigheid dat X voor het overige de rest van zijn inkomen in hetzelfde jaar op het grondgebied van een andere staat dan het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Spanje heeft ontvangen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 47 tot en met 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het feit dat een belastingplichtige het grootste deel van zijn inkomen niet op het grondgebied van een, maar van meerdere andere staten dan dat van zijn woonplaats ontvangt, niet van invloed op de toepassing van de uit het arrest van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, EU:C:1995:31), voortvloeiende beginselen. Het beslissende criterium blijft immers dat een lidstaat de persoonlijke en gezinssituatie van een belastingplichtige voor de belastingheffing niet in aanmerking kan nemen wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat de belanghebbende daar voldoende inkomen ontvangt.
(…).
46 Voor de beantwoording van het eerste onderdeel van de tweede vraag, betreffende de verdeling over meerdere werklidstaten van de last die verbonden is aan het in aanmerking nemen van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, moet de vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van de verdeling door de lidstaten van hun heffingsbevoegdheid in de beschouwing worden betrokken (zie onder meer arrest van 12 december 2002, De Groot, C-385/00, EU:C:2002:750, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Hieruit volgt inzonderheid dat de vrijheid van de lidstaten om – bij gebreke van unificatie – of harmonisatiemaatregelen door het recht van de Unie – de uitoefening van hun belastingbevoegdheden onderling te verdelen, onder meer om cumulatie van belastingvoordelen te vermijden, moet worden verzoend met de noodzaak, de belastingplichtigen van de betrokken lidstaten te waarborgen dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld. Bij gebreke van die verzoening zou de vrije verdeling van de heffingsbevoegdheid over de lidstaten tot ongelijkheden in behandeling tussen de betrokken belastingplichtigen kunnen leiden die niet het gevolg zouden zijn van dispariteiten tussen de nationale belastingwetgevingen en zich dus niet zouden verdragen met de vrijheid van vestiging (zie in die zin arrest van 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C-303/12, EU:C:2013:822, punten 70 en 77).
48 Ingeval een zelfstandige zijn belastbaar inkomen ontvangt op het grondgebied van
meerdere lidstaten, niet zijnde zijn woonlidstaat, kan die verzoening slechts worden
bereikt wanneer hem wordt toegestaan zijn recht op aftrek van negatieve inkomsten
bij elk van de werklidstaten die dat belastingvoordeel toekennen geldend te maken
naar verhouding van het aandeel van zijn inkomen op het grondgebied van elke
lidstaat, waarbij het aan hem is om de bevoegde nationale instanties alle gegevens
over zijn wereldinkomen te verschaffen aan de hand waarvan dat prorata kan worden
bepaald.
(…).
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 49 (https://new.navigator.nl/openCitation/id5f85259bcb72ad3009c7414c4f9bbe22/verdrag-betreffende-de-werking-van-de-europese-unie-artikel-49) VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat waarvan de belastingwetgeving de aftrek van negatieve inkomsten uit een woning toestaat, het voordeel van die aftrek aan een niet-ingezeten zelfstandige weigert wanneer deze op het grondgebied van die lidstaat 60% van zijn totale inkomen ontvangt en op het grondgebied van de lidstaat waar zijn woning is gelegen geen inkomen ontvangt op grond waarvan hij een gelijkwaardig recht op aftrek geldend kan maken.
2) Het uit het antwoord op de eerste vraag voortvloeiende verbod geldt voor elke werklidstaat op het grondgebied waarvan een zelfstandige inkomen ontvangt op grond waarvan hij er een overeenkomstig recht op aftrek geldend kan maken, naar verhouding van het aandeel van dat inkomen dat de zelfstandige op het grondgebied van elk van de werklidstaten ontvangt. Daarbij is een ‘werklidstaat’ iedere lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft voor arbeidsinkomen dat door een niet-ingezetene op zijn grondgebied wordt ontvangen, ongeacht op welke plaats feitelijk arbeid wordt verricht.
3) De omstandigheid dat de betrokken niet-ingezeten belastingplichtige een deel van zijn belastbaar inkomen niet op het grondgebied van een lidstaat ontvangt maar op dat van een derde staat, is niet van invloed op het antwoord op de tweede vraag.”
2.41
Verheugend is dat het HvJ inziet dat zijn Schumacker-criterium voor vergelijking van niet-ingezetenen met ingezetenen (‘nagenoeg geheel’) onjuist is: niet-ingezetenen zijn uiteraard óók vergelijkbaar met ingezetenen als zij slechts voor 60% of 40% van hun totale inkomen in de werkstaat worden belast, nl. voor 60% c.q. voor 40%. Betreurenswaardig is daarentegen dat hij desondanks kennelijk vasthoudt aan de opvatting dat die pro rata benadering niet (nooit) geldt voor de woonstaat. Op welke rechtsregel die volstrekt ongelijke behandeling van woon- en werkstaten is gebaseerd, blijft duister, want die is er niet. Tamelijk verbijsterend acht ik r.o. 37 (zie nader 5.5 hieronder).
2.42
Uit r.o. 42 volgt dat ’s Hofs Schumacker-rechtspraak kennelijk is gebaseerd op ‘altijd-ergens’: lukt een woonstaataftrek niet in de woonstaat, dan maar ‘elders’ in de EU als daar wél grondslag is. Het is dus duidelijk dat de Schumacker-rechtspraak jurisdictietoewijzing door het Hof inhoudt, waar ook in de EU er maar grondslag te vinden valt. Er bestaat echter met zekerheid geen regel van EU-recht die zegt dat aftrekposten (van welke staat?) en tegemoetkomingen (van welke staat?) altijd ergens in de EU (waar?) verzilverbaar moeten zijn en dat het niet kan schelen in welke lidstaat het gebeurt, als het maar ergens gebeurt. Het HvJ is niet bevoegd om negatieve grondslag (verlies) uit de ene jurisdictie (Spanje) verplicht toe te wijzen aan andere jurisdicties die geen enkele jurisdictie (kunnen) uitoefenen over de (inkomsten uit) dat Spaanse onroerend goed en die de positieve inkomsten eruit dus ook niet (kunnen) belasten.
2.43
U had in deze zaak terecht prejudicieel ook gevraagd naar mogelijke cumulatie van voordelen (van twee wallen eten) en hoe dan die dubbele voordelen te ontdubbelen: wat, als X ook in Spanje recht op renteaftrek heeft en dus bij gebrek aan positief inkomen een verlies realiseert dat hij naar volgende jaren kan meenemen om daar af te zetten tegen positieve Spaanse inkomsten in die toekomstige jaren? Dan ontstaat dubbele aftrek van de al eerder in Nederland (en Zwitserland) afgetrokken kosten. Het HvJ gaat daar niet op in omdat hij die vraag hypothetisch noemt, daarmee de voorzienbare onduidelijkheden en onuitvoerbaarheden veronachtzamende die zijn rechtspraak voor de lidstaten creëert. De A-G Wathelet ging er wel op in en meende dat Nederland in dat geval de aftrek zou mogen terugnemen en – kort gezegd – zelf maar moest zien hoe het aan de daarvoor benodigde informatie uit Spanje komt. Die opvatting lijkt mij in strijd met ’s Hofs vaste rechtspraak dat de verkeersvrijheden de lidstaten niet verplichten om hun wetgevingen aan te passen aan de wetgeving van andere lidstaten.44.
De zaak BJ tegen Belgische Staat45.
2.44
BJ is inwoner van België en werkt in loondienst in Luxemburg, waar hij ook een appartement heeft dat hij verhuurt. Hij heeft daarnaast ook twee onroerende zaken in zijn woonland België. Het loon en de huurinkomsten worden in Luxemburg belast en zijn in België vrijgesteld op grond van het Belgisch-Luxemburgse belastingverdrag.
2.45
België kent aan inwoners belastingverminderingen uit hoofde van belastingvrije sommen, lange-termijnsparen en energiebesparende woninguitgaven. BJ is het oneens met de volgorde van toepassing van deze verminderingen en de voorkoming van dubbele belasting. Hij meent dat de belastingvermindering ter voorkoming van dubbele belasting, niet ná, maar vóór de aftrek van de nationale belastingverminderingen moet worden toegepast omdat hij anders naar rato van zijn vrijgestelde Luxemburgse inkomsten een groot deel van die nationale belastingverminderingen verliest. Doordat België de evenredigheidsbreuk (vrijgesteld inkomen / wereldinkomen) toepaste op de belasting over het wereldinkomen ná aftrek van de nationale verminderingen,46.verdween een evenredig deel van die nationale verminderingen door een kleinere voorkoming van dubbele belasting, net zoals in de zaak De Groot (zie 2.9 hierboven). De Belgische belastingrechter stelde toch vragen, omdat BJ verreweg het grootste deel van zijn inkomsten in bronstaat Luxemburg verdiende en daar ook al de Luxemburgse persoonlijke tegemoetkomingen kreeg, die uiteraard niet gelijk waren aan de Belgische, maar die in totaal wel minstens even groot waren als de in België misgelopen belastingverminderingen. De Belgische rechter zag dus kennelijk niet in waarom BJ, die dus eerder beter dan slechter af was door zijn grensoverschrijding, ook nog van twee wallen zou moeten kunnen eten, nu zijn persoonlijke omstandigheden kennelijk in Luxemburg al volledig en naar behoren in aanmerking waren genomen. Maar de Belgische rechter twijfelde omdat BJ in België in absolute zin wel (net) genoeg inkomen had en (net) genoeg belasting betaalde om hem de Belgische belastingverminderingen te geven. Hij vermoedde denkelijk daarom dat het HvJ België toch verantwoordelijk zou houden. Dat bleek helaas inderdaad het geval, met als onredelijk en willekeurig resultaat dat BJ aanmerkelijk voordeliger werd behandeld dan zowel inwoners van België die hun gehele inkomen in België verdienen als inwoners van Luxemburg die hun gehele inkomen in Luxemburg verdienen.
2.46
Het HvJ overwoog:
“30 Verzoeker in het hoofdgeding is (…) benadeeld, aangezien hij de belastingvoordelen waarop hij recht zou hebben gehad indien hij al zijn inkomsten in België had ontvangen, niet volledig heeft kunnen genieten (….).
(…).
33 Een dergelijke belemmering is slechts toelaatbaar wanneer zij een met het Verdrag verenigbare legitieme doelstelling nastreeft en gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang. (…).
34 In de onderhavige zaak maakt de Belgische regering niet alleen geen gewag – net zomin overigens als de verwijzende rechter – van een rechtvaardigingsgrond, maar is zij ook van mening dat de eerste vraag in wezen identiek is aan die welke is gesteld in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 12 december 2002, De Groot (C‑385/00, EU:C:2002:750), en 14 maart 2019, Jacob en Lennertz (C‑174/18, EU:C:2019:205), en dat die dan ook bevestigend moet worden beantwoord.
(…).
37 Volgens vaste rechtspraak komt de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen, slechts op de werklidstaat te rusten wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel daar verdient en in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat deze laatste hem niet de voordelen kan toekennen die uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien (arrest van 22 juni 2017, Bechtel, C‑20/16, EU:C:2017:488, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 (…).
39 Het beslissende criterium blijft immers dat een lidstaat de persoonlijke en gezinssituatie van een belastingplichtige voor de belastingheffing niet in aanmerking kan nemen wegens gebrek aan voldoende belastbaar inkomen, terwijl met die situatie elders wel rekening kan worden gehouden omdat de belanghebbende daar voldoende inkomen ontvangt (arrest van 9 februari 2017, X, C‑283/15, EU:C:2017:102, punt 42).
40 (…).
41 Hoewel verzoeker in het hoofdgeding het grootste deel van zijn inkomsten in Luxemburg ontvangt, blijkt uit de verwijzingsbeslissing (…) dat hij voldoende inkomsten in België ontvangt om zijn persoonlijke en gezinssituatie in deze laatste lidstaat in aanmerking te kunnen nemen teneinde hem belastingvoordelen toe te kennen.
44 In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat de lidstaten, bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen op Unieniveau, de koppeling tussen de inaanmerkingneming door de woonstaat van enerzijds de wereldwijde inkomsten van hun inwoners en anderzijds hun persoonlijke en gezinssituatie mogen wijzigen door middel van bilaterale of multilaterale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing. De woonstaat kan dus bij overeenkomst worden ontheven van de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van de op zijn grondgebied wonende belastingplichtigen die hun economische activiteit gedeeltelijk in een andere lidstaat verrichten, geheel voor zijn rekening te nemen (arrest van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punt 99).
45 Voorts kan de woonstaat ook van de nakoming van die verplichting ontheven zijn indien hij constateert dat een of meer werkstaten, zelfs buiten enige overeenkomst om, over de door hen belaste inkomsten voordelen verlenen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen die niet op het grondgebied van deze werkstaten wonen, maar aldaar belastbare inkomsten verwerven (arrest van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punt 100).
46 Methoden ter voorkoming van dubbele belastingheffing of nationale belastingregelingen die tot gevolg hebben dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen of verzacht, moeten de belastingplichtigen van de betrokken lidstaten echter wel ervan verzekeren dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten die verplichting onderling hebben verdeeld, omdat daardoor anders een met de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers onverenigbare ongelijke behandeling zou worden gecreëerd die niet het gevolg is van de tussen de nationale fiscale stelsels bestaande dispariteiten (arresten van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punt 101, en 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C‑303/12, EU:C:2013:822, punt 70).
47 (…) uit de bepalingen van de Belgisch-Luxemburgse belastingovereenkomst niet blijkt dat het Koninkrijk België bij deze overeenkomst wordt ontheven van zijn verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van de op zijn grondgebied wonende belastingplichtigen die hun economische activiteit gedeeltelijk in Luxemburg uitoefenen, geheel voor zijn rekening te nemen.
48 (…).
49 Bovendien wordt in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling geen onderling verband gelegd tussen de belastingvoordelen die worden toegekend aan de belastingplichtige ingezetenen van de betrokken lidstaat en de belastingvoordelen die zij kunnen krijgen wanneer zij in een andere lidstaat worden belast (….), aangezien het gedeeltelijke verlies van de eerste voordelen niet het gevolg is van het recht op soortgelijke belastingvoordelen in Luxemburg, maar automatisch is in geval van ontvangst van inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld.
50 Voorts blijkt dat de persoonlijke en gezinssituatie van verzoeker in het hoofdgeding slechts gedeeltelijk in aanmerking wordt genomen in zijn werkstaat, aangezien, zoals blijkt uit de bewoordingen van de derde vraag, de belastingvoordelen die hij in het kader van de belastingheffing in deze lidstaat heeft genoten over de inkomsten die hij aldaar heeft verworven, een deel van de belastingvoordelen waarop hij in beginsel recht heeft in de woonstaat, (…) België, niet omvatten en hij op grond van die regeling een deel van die voordelen verliest.
51 In die omstandigheden kunnen noch de in de Belgisch-Luxemburgse belastingovereenkomst gehanteerde methoden ter voorkoming van dubbele belasting, noch het nationale belastingstelsel dat in het hoofdgeding aan de orde is, Belgische fiscaal ingezetenen ervan verzekeren dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen in de werkstaat.
52 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat de omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige, op grond van een tussen de woonstaat en de werkstaat gesloten overeenkomst (…), in (…) de tweede lidstaat (…) belastingvoordelen heeft genoten waarin de belastingwetgeving van deze lidstaat voorziet, niet van invloed is op het antwoord op de eerste vraag, aangezien noch deze overeenkomst, noch de belastingregeling van de woonstaat voorziet in de inaanmerkingneming van deze voordelen, en die voordelen een deel van de belastingvoordelen waarop deze belastingplichtige in beginsel recht heeft in de woonstaat, niet omvatten.
Vierde vraag
53 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige in de werkstaat een belastingvermindering heeft verkregen waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan dat van de belastingvoordelen die hij in de woonstaat heeft verloren, van invloed is op het antwoord op de eerste vraag.
54 In dit verband zij eraan herinnerd dat een lidstaat zich niet kan beroepen op het bestaan van een voordeel dat unilateraal wordt toegekend door een andere lidstaat, in casu de lidstaat waar de betrokken belastingplichtige werkt en het grootste deel van zijn belastbare inkomsten verwerft, teneinde te ontkomen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het Verdrag (zie in die zin arrest van 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C‑303/12, EU:C:2013:822, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 De toepassing van de belastingregeling die in het hoofdgeding aan de orde is, heeft tot gevolg dat een belastingplichtige zoals BJ, die in België woont en aldaar belastbare inkomsten ontvangt, automatisch een deel van de belastingvoordelen verliest waarop hij krachtens deze regeling in beginsel recht heeft wanneer hij in een andere lidstaat inkomsten ontvangt die in België krachtens een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld. Los van de wijze waarop deze belastingplichtige in die andere lidstaat wordt belast, is het het automatisme van dit verlies dat afbreuk doet aan het vrije verkeer van werknemers (zie in die zin arrest van 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C‑303/12, EU:C:2013:822, punt 62).
56 De omstandigheid dat de persoonlijke en gezinssituatie van verzoeker in het hoofdgeding gedeeltelijk in aanmerking is genomen in Luxemburg in het kader van de belastingheffing over de inkomsten die hij in deze lidstaat heeft verworven, en dat hij daardoor aldaar een belastingvoordeel heeft genoten, kan dus, ongeacht de hoogte van dat voordeel, door de woonstaat niet worden ingeroepen om te ontkomen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 45 VWEU.
57 Voorts zij eraan herinnerd dat het volgens de in de punten 25, 37 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak aan de woonstaat, en in voorkomend geval aan de werkstaat, staat om zijn belastingplichtigen ervan te verzekeren dat hun persoonlijke en gezinssituatie volledig en naar behoren in aanmerking zal worden genomen.
58 Uit de omstandigheid dat verzoeker in het hoofdgeding een belastingvermindering in Luxemburg heeft verkregen waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan dat van de belastingvoordelen die hij in België heeft verloren, kan echter niet worden afgeleid dat zijn persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking is genomen, temeer daar blijkt dat deze situatie slechts gedeeltelijk in aanmerking wordt genomen, aangezien deze belastingvermindering een deel van de belastingvoordelen waarop hij in beginsel recht heeft in België, niet omvat.
59 Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is daarenboven in artikel 24, lid 4, onder a), van de Belgisch-Luxemburgse belastingovereenkomst bepaald dat de persoonlijke en gezinssituatie van de betrokken belastingplichtige enkel in aanmerking wordt genomen ter bepaling van het gemiddelde belastingtarief voor zijn belastbare inkomsten in Luxemburg.
60 Bijgevolg dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat de omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige in de werkstaat een belastingvermindering heeft verkregen waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan dat van de belastingvoordelen die hij in de woonstaat heeft verloren, niet van invloed is op het antwoord op de eerste vraag.
(…).
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een belastingregeling van een lidstaat waarvan de toepassing tot gevolg heeft dat een ingezeten belastingplichtige in deze lidstaat in het kader van de berekening van zijn inkomstenbelasting in die lidstaat een deel van de door die lidstaat toegekende belastingvoordelen verliest, omdat deze belastingplichtige wegens de uitoefening van een beroepswerkzaamheid in loondienst in een andere lidstaat een beloning ontvangt die in deze laatste lidstaat belastbaar is en in de eerste lidstaat krachtens een bilaterale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting van belasting is vrijgesteld.
2) De omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige geen inkomen van betekenis in de woonstaat verwerft, is niet van invloed op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, aangezien deze lidstaat in staat is hem de betrokken belastingvoordelen toe te kennen.
3) De omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige, op grond van een tussen
de woonstaat en de werkstaat gesloten overeenkomst (…), (…) in de tweede lidstaat
(…) belastingvoordelen heeft genoten waarin de belastingwetgeving van deze
lidstaat voorziet, is niet van invloed op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag,
aangezien noch deze overeenkomst, noch de belastingregeling van de woonstaat voorziet in de inaanmerkingneming van deze voordelen, en die voordelen een deel van de belastingvoordelen waarop deze belastingplichtige in beginsel recht heeft in de woonstaat, niet omvatten.
4) De omstandigheid dat de betrokken belastingplichtige in de werkstaat een belastingvermindering heeft verkregen waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan dat van de belastingvoordelen die hij in de woonstaat heeft verloren, is niet van invloed op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag. (…).”
2.47
Ook dit arrest is moeilijk te volgen. De r.o. 45 en 54 bijvoorbeeld spreken elkaar tegen. En in r.o. 57 laat het Hof opnieuw, net zoals in r.o. 101 van De Groot (zie 1.6 en 1.7 hierboven) in het midden wèlke lidstaat “in voorkomend geval” discrimineert (wèlk voorkomend geval?). Ook r.o. 58 kan ik niet volgen: het staat vast dat BJ beter af is dan als hij volgens Schumacker zou worden belast (beter dan toekenning van de volle Belgische tegemoetkomingen). De verwijzende rechter heeft immers vastgesteld dat BJ in Luxemburg méér fiscaal voordeel kreeg dan hij in België verloor. Het ontgaat mij waarom daaruit niet zou kunnen worden afgeleid “dat zijn persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking is genomen”. Het staat immers vast dat zijn omstandigheden naar woonstaatrecht (dat volgens het HvJ immers beslissend is) méér dan volledig in aanmerking zijn genomen. Het ontgaat mij hoe dan opeens wél relevant zou kunnen zijn hoe die (meer dan) volledige inaanmerkingneming verdeeld wordt over de twee (of meer) lidstaten; dat kon het Hof immers expliciet niet schelen in onder meer r.o. 38 van Schumacker, r.o. 101 van De Groot en r.o. 31 van Lakebrink, als het maar ergens gebeurt. Ook ontgaat mij waarom het dan nog relevant zou zijn dat de Belgische belastingvoordelen slechts (terecht) evenredig zijn toegekend, gegeven dat BJ al betere Luxemburgse voordelen had gekregen.
2.48
De enige reden waarom het HvJ toch volhoudt dat zich een ongunstiger behandeling van BJ dan van andere inwoners zou hebben voorgedaan (wat feitelijk dus niet het geval is), is dat de Belgische wetgeving – terecht – automatisch tot pro rata toekenning van Belgische tegemoetkomingen leidt, nl. evenredig aan de Belgische onderworpenheid van het inkomen. Uit dit arrest volgt dus helaas dat de zwaluw die in het Spaanse voetbalmakelaarsarrest door de werkstaten vloog, geen zomer heeft gemaakt in de woonstaat. We zitten dus expliciet nog steeds met inconsistente en willekeurige rechtspraak: de werkstaten mogen niet-ingezetenen volledig uitsluiten van hun fiscale tegemoetkomingen als het inkomen in de woonstaat (net) hoog genoeg is om de woonstaattegemoetkomingen te absorberen, maar moeten pro rata tegemoetkomingen toekennen (nationale behandeling) als dat niet het geval is. De woonstaat daarentegen mag zijn tegemoetkomingen nooit pro rata toekennen (moet dus grensoverschrijders gunstiger behandelen dan thuisblijvers) en wordt, als hij dat terecht toch doet, zélfs van discriminatie beschuldigd als daarvan feitelijk helemaal geen sprake is omdat de werkstaat (veel) meer tegemoetkomingen verleent dan de pro rata toekenning in de woonstaat de belastingplichtige daar doet verliezen. Het enige wat de woonstaat wél mag doen om de resulterende ongerechtvaardigde stapeling van de tegemoetkomingen van beide staten te voorkomen, is zijn wetgeving afstemmen op die van de werkstaat zodanig dat hij zijn toekenning afhankelijk maakt van de toekenning in de werkstaat (verrekening dus). Die eis van het HvJ dat de woonstaat zijn wetgeving moet afstemmen op die van de werkstaat is in strijd met zijn vaste rechtspraak dat de verkeersvrijheden de lidstaten juist niet verplichten om hun wetgevingen op elkaar af te stemmen.47.Dat is immers harmonisatie van dispariteiten, waartoe – het wordt eentonig – het Hof niet bevoegd is.
2.49
Opmerkelijkerwijs volgt het HvJ de EU-rechtelijk correcte evenredigheidsbenadering wél bij de premieheffing volksverzekeringen. In de zaak C-272/17, Zyla,48.keurde hij tijdsevenredige korting van het premiedeel van de heffingskorting door werkstaat Nederland goed, ook al had de betrokkene géén premieplichtig inkomen in haar woonstaat Polen, die haar persoonlijke omstandigheden dus niet in aanmerking kon nemen:
“45 Het primaire Unierecht kan een werknemer evenwel niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat [Nederland; PJW] dan zijn lidstaat van herkomst [Polen] op sociaal gebied neutraal is, aangezien een dergelijke verplaatsing, rekening houdend met de verschillen tussen de regelingen en wetgevingen van de lidstaten, naargelang van het geval, op dat gebied meer ofminder voordelig kan zijn voor de betrokken persoon (arrest van 18 juli 2017, Erzberger, C-566/15, EU:C:2017:562, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Unierecht waarborgt immers enkel dat voor werknemers die een activiteit uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst, dezelfde voorwaarden gelden als voor de
werknemers van die andere lidstaat.
(…).
50 In die omstandigheden moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor de vaststelling van het bedrag van de door een werknemer verschuldigde premie volksverzekeringen bepaalt dat het premiedeel van de heffingskorting waarop een werknemer recht heeft voor een kalenderjaar, evenredig is aan de periode waarin deze werknemer verzekerd is in het stelsel van volksverzekeringen van die lidstaat, en aldus van de jaarlijkse heffingskorting een gedeelte wordt uitgesloten dat evenredig is aan elke periode waarin deze
werknemer niet was verzekerd in dat stelsel en in een andere lidstaat woonde zonder daar een beroepsactiviteit uit te oefenen.”
U overwoog in uw eindarrest HR BNB 2019/6549.in deze zaak Zyla:
“… dat belanghebbende alleen aanspraak heeft op een gedeelte van het premiedeel van de algemene heffingskorting dat is bepaald in tijdsevenredigheid naar de periode van verzekering in Nederland. De klacht van belanghebbende dat de algemene heffingskorting aan haar moet worden toegekend zonder toepassing van de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van die heffingskorting faalt daarom.”
3. Literatuur over de betekenis van de Schumacker-rechtspraak
3.1
Vermeulen50.bespreekt ’s Hofs Schumacker-rechtspraak zeer kritisch, met name diens nalaten om nationale fiscale behandeling in de werkstaat te eisen en de gebrekkige onderbouwing van de stelling dat niet-inwoners niet vergelijkbaar zouden zijn met inwoners. Hij vreest51.dat ‘s Hofs correcte fractionele benadering in het Spaanse voetbalmakelaars-arrest niet geldt als de belastingplichtige in zijn woonland wél enig inkomen heeft en dat in die situatie helaas nog steeds de onjuiste De Groot-regel geldt:
“We believe that unfortunately, the X Case does not correct the erroneous
Schumacker doctrine. It does not say that the pro rata parte approach also obtains if
in absolute terms there is sufficient home state income to absorb the personal
deductions of the home state. It does not say that Mr. De Groot would now get 40%
of his home state deductions and the remaining 60% proportionally to taxing rights
assumptions in Germany, France and the UK. It only says that if there is no or
insufficient home state taxable income to absorb the home state deductions and
there are two or more source states in which income is earned (instead of one, as in
Schumacker), then both source states should take responsibility. We doubt,
therefore, that the X case fundamentally changes the erroneous Schumacker case
law.”
Hij concludeert dat EU-recht eist dat alle betrokken lidstaten, dus ook de woonstaat, nationale behandeling geven, dat wil zeggen binnenlands én buitenlands belastingplichtigen als inwoners belasten, dus naar hun wereldinkomen mét evenredige voorkoming van dubbele belasting zoals bij inwoners, waardoor automatisch alle draagkrachtfactoren ‘volledig en naar behoren’ in aanmerking worden genomen, in elke betrokken staat naar rato van de inkomensonderworpenheid in die staat (fractional taxation).
3.2
Schipper52.concludeert dat nog steeds (2019) geen duidelijkheid bestaat over de criteria die de bronstaat moet toepassen bij de heffing van niet-inwoners met inachtneming van hun persoonlijke en gezinssituatie:
“Er bestaat (…) nog altijd geen volledige duidelijkheid over de omstandighedenwaaronder een niet-inwoner met inachtneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie dient te worden belast. Desalniettemin kan naar mijn mening aan de jurisprudentie een tweetal Schumacker-criteria worden ontleend om de objectieve vergelijkbaarheid van niet-inwoners in dit kader vast te stellen: (i) het woonstaatcriterium en (ii) het inkomenscriterium. Om in de werkstaat in aanmerking te komen voor een inwonerbehandeling ten aanzien van de subjectgebonden belastingvoordelen is ten eerste vereist dat de lidstaat waarin een belastingplichtige woonachtig is geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, althans dat de hiermee verbonden belastingvoordelen niet volledig kunnen worden geëffectueerd. Dit wegens onvoldoende belastbare grondslag c.q. verschuldigde belasting in de woonstaat, terwijl de belastingvoordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige evenmin kunnen worden vergolden bij zijn partner (woonstaatcriterium). Ten tweede is vereist dat het inkomen geheel of gedeeltelijk aan de werkstaat ter heffing is toegewezen en aldaar wordt belast (inkomenscriterium). Een minimumgrens in de vorm van een percentage kan niet aan de jurisprudentie worden ontleend. Als aan het woonstaatcriterium wordt voldaan, geldt mijns inziens het volgende. Indien in één werkstaat belastbaar inkomen wordt genoten, dan is deze staat gehouden de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (volledig). Als het inkomen echter in meerdere werkstaten wordt verdiend, dan bestaat deze verplichting voor ieder van de werkstaten (voor zover dit lidstaten zijn), naar evenredigheid van het aldaar belastbare inkomen.”
Hij beschouwt de zaak C-283/15, X (Spaanse voetbalmakelaar; zie 2.39 e.v. hierboven) weliswaar als een nieuw standaardarrest,53.maar constateert ook dat de rechtspraak van het HvJ ten onrechte gebaseerd blijft op drie onjuiste uitgangspunten, waaronder - uiteraard - het onjuiste uitgangspunt dat niet-ingezetenen fiscaal niet vergelijkbaar zouden zijn met ingezetenen. Ook hij concludeert dat het vrije verkeer noopt tot fractionele belastingheffing in elke betrokken lidstaat (maar nog beter acht hij harmonisatie):54.
“Ten eerste is deze jurisprudentie gebaseerd op het incorrecte uitgangspunt dat inwoners en niet-inwoners, ten aanzien van belastingvoordelen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie, in beginsel geen objectief vergelijkbare gevallen zijn. Het feit dat een niet-inwoner slechts een gedeelte van zijn inkomen in een andere lidstaat verwerft, is mijns inziens, anders dan het Hof meent, geen reden om hem bepaalde belastingvoordelen volledig te onthouden. (…). Ten tweede miskent het Hof van Justitie de werking van de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud. Deze methode ter voorkoming van dubbele belastingheffing heeft slechts tot gevolg dat het inkomen dat is toegewezen aan de woonstaat effectief wordt belast tegen het toepasselijke progressieve tarief. Het vrijgestelde inkomen van de werkstaat echter niet, dat ‘ontsnapt’ daardoor wel degelijk aan de progressieregel. (…). Ten derde gaat het Hof van Justitie voorbij aan de samenhang tussen de (hoogte van de) tarieven en de (omvang van de) aftrekposten binnen een belastingstelsel. Het Hof verplicht de woonstaat om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie, terwijl de werkstaat dergelijke tegemoetkomingen aan niet-inwoners mag onthouden (behoudens Schumacker-situaties). De samenhang van een belastingstelsel dat heft naar draagkracht wordt echter verbroken indien deze componenten asymmetrisch over verschillende lidstaten worden gespreid. Lidstaten zouden faciliteiten die verbonden zijn aan de persoonlijke en gezinssituatie dan ook, in tegenstelling tot wat het Hof heeft beslist, in gelijke mate moeten verlenen aan zowel inwoners als niet-inwoners (op evenredige basis). Hierdoor zou een grensoverschrijdende werknemer in zowel de woonstaat als de werkstaat worden belast tegen het effectieve tarief dat aansluit bij zijn volledige draagkracht. De Schumacker-doctrine van het Hof van Justitie leidt hierdoor mijns inziens onvoldoende tot een gelijke behandeling van grensoverschrijdende werknemers. (…). Een meer gelijke fiscale behandeling van inwoners en niet-inwoners kan worden gerealiseerd door middel van een EU-richtlijn die voorziet in woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht.”
3.3
Ook Pötgens en Vergouwen55.leiden uit ‘s Hofs jurisprudentie af dat de fractionele benadering pas geldt als onvoldoende inkomen aan het woonland is toegewezen om de persoonlijke omstandigheden in aanmerking te nemen. Ook hun voorkeur gaat uit naar een algemeen systeem van fractionele belastingheffing:
“Based on this case law of the ECJ,56.the conclusion can be drawn that a two-step approach is to be followed in allocating personal deductions. In the first step it must be established whether the taxable base in the resident state is sufficient to take into account the personal and family circumstances of the individual. If the taxable base is not sufficient, the non-resident source states must grant the personal deductions pro rata. The Report57., published before the X case [Spaanse voetbalmakelaar; PJW], seeks to go one step further by suggesting the introduction of a directive entailing the implementation of a system of fractional taxation. Under such a system, the personal deductions are allocated on the bases of the income generated in the Member States, without taking into account the first step, i.e. the threshold in the residence state. The authors agree with such a solution, as it would be a viable solution to deal with the threshold obstacle in the resident state that continues to exist in the case law of the ECJ.58.In order to avoid obstacles relating to the way in which income is calculated over different Member States, the authors believe that the most viable way, from a procedural point of view, of ensuring that the individual would be able to claim his personal deductions would be ‘the more radical policy option’, namely a one-stop-shop.59.”
3.4
De Groot60.(niet te verwarren met C-385/00 De Groot) meent dat het een bronstaat niet verplicht behoort te worden om tegemoetkomingen te verlenen voor zover de woonstaat die heeft kunnen verlenen en er dáárdoor geen belastbaar inkomen (meer) is in de woonstaat:
6. (...) In my opinion, it follows from this case and previous case law that the decisive
criterion is whether it is impossible for the Member State of residence to take into
account the personal and family circumstances of a taxpayer due to the absence of
sufficient taxable income. However, if there is no taxable income in the Member State of
residence, because this State granted a certain personal or family allowance, the
Member State(s) of employment should not, in my opinion, have to grant a similar
personal or family allowance (insofar as the State of residence has already done so). After all, in this case the relevant allowance was already taken into account in the Member State of residence. It is debatable whether the CJEU acknowledges this.(…).
If the taxable income in the Member State of residence is not sufficient to take the
personal and family allowances into account and there is more than one State of
employment, the Member State(s) of employment should grant these allowances on
a pro rata basis. This pro rata approach is thus only accepted (and required) with
regard to the Member States of employment, not with regard to the Member State of
residence. This pro rata approach means that the Member States of employment
must grant personal and family tax benefits in proportion to the share of the
taxpayer’s worldwide income he/she receives in the territory of each of these
Member States. I assume that this concerns (both for the numerator and the
denominator) the income before the tax benefits related to the personal and family
situation are taken into account. In my view, Member States can determine the
aggregate income, the part that is taxable in their Member State and the tax benefits
on the basis of their own national systems (as long as this occurs in accordance with the rules applying to residents). I believe that any differences between the national systems constitute a disparity and any taxpayer disadvantage arising from this is not contrary to EU law.”
3.5
Meussen vindt de Schumacker-leer een black box:61.
“De jurisprudentie van het HvJ EU in het kader van de Schumacker-leer laat zien dat wanneer een hoogste rechterlijke instantie een bepaald leerstuk ontwikkelt, dit tot complexe praktische vraagstukken kan leiden. Een rechterlijk college is immers niet in staat om alle mogelijke praktijksituaties te onderkennen. Alsdan is ook de Schumacker-leer, ook meer dan 25 jaar na het oorspronkelijke arrest, een beetje een soort van black box geworden, waaraan de jurisprudentie anno 2021 nog steeds puzzelstukjes toevoegt. De algemene lijn die nu kan worden getrokken uit deze jurisprudentie is dat de fiscale voordelen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, in de visie van het hof altijd vergolden moeten worden. Hetzij in de woonstaat, als daar voldoende belastbaar inkomen aanwezig is, dan wel in de werkstaat (of meerdere werkstaten), dan wel deels in de woonstaat en deels in de werkstaat. Andere aspecten als het verschil in inkomstenbelastingtarieven tussen lidstaten en het verschil in fiscale aftrekposten tussen lidstaten is een dispariteit die buiten het bereik van het HvJ EU valt.”
3.6
Ook Fitz Verploegh62.meent dat de Schumacker-doctrine niet strookt met het recht op gelijke behandeling van niet-inwoners ten opzichte van inwoners en dat fractionele belastingheffing het geschikte en handhaafbare alternatief is:
“Doordat er voor het gedeelte van het inkomen dat niet in de betreffende staat is belast, een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegekend, worden alle elementen van de fiscale wet- en regelgeving van die staat, inclusief de persoonlijke tegemoetkomingen, pro rata parte, in verhouding tot het gedeelte van het inkomen dat is belast in de betreffende staat, toegepast op de betreffende belastingplichtige.”
3.7
Ook Douma (noot in BNB 2017/121 bij Spaanse Voetbalmakelaar) signaleert door de Schumacker-rechtspraak opgeroepen onbeantwoorde vragen.
“1. (…). Maar zoals dat zo vaak gaat met sympathieke rechtspraak en redelijkheidsoordelen: wat moet de rechter beslissen in naastgelegen gevallen? Het gevaar dreigt dat hij zijn eigen eerdere rechtspraak steeds verder zal moeten gaan interpreteren en toepassen, met als gevolg dat hij losgezongen raakt van de systematiek van de nationale belastingwet. Naar de maatstaf van welke lidstaat moet ‘persoonlijke draagkracht’ worden gemeten? Om wat voor soort posten gaat het? Welke plichten rusten op de woonstaat? Wat als er meer dan twee staten betrokken zijn? Het Hof van Justitie brengt in de onderhavige zaak welkome systematiek aan ten behoeve van de beantwoording van deze vragen, maar niet alle problemen zijn opgelost.(…).6. Het Hof van Justitie weigert de vraag te beantwoorden of het relevant is of Spanje in zijn nationale wetgeving al dan niet het concept negatief inkomen uit eigen woning kent en, zo ja, of dit negatieve inkomen voorwaarts verrekenbaar is. Het Hof van Justitie acht deze vraag, gelet op de feitelijke situatie van X, hypothetisch van aard (r.o. 54). De A-G is er wel deels op ingegaan: Nederland zou bevoegd zijn geweest een eventueel dubbel genoten voordeel weg te nemen, mits de draagkracht van de belastingplichtige maar naar behoren in aanmerking blijft genomen (punt 81 van de conclusie).(…).8. Ik heb mij nog afgevraagd hoe het onderhavige arrest zich verhoudt tot HvJ EU 18 juni 2015, C-9/14, BNB 2015/213c* (Kieback), In die zaak genoot de in Duitsland wonende belastingplichtige gedurende drie maanden inkomen in Nederland, waarna hij verhuisde naar de Verenigde Staten en zijn werkzaamheden in Nederland staakte. Het Hof van Justitie oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de woonstaat van de belastingplichtige in het desbetreffende belastingjaar geen rekening zou kunnen houden met de negatieve inkomsten uit de in Duitsland gelegen eigen woning, als gevolg waarvan de belastingplichtige geen recht had op aftrek in Nederland. Na lezing van het onderhavige arrest in de zaak X komt het mij voor dat het Hof van Justitie van mening is dat het aan de Verenigde Staten als woonstaat staat om al dan niet rekening te houden met deze negatieve inkomsten. Indien dit een juiste lezing is, heeft dit grote consequenties voor EU-lidstaten die zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van de Verenigde Staten in de zaak Kieback. (…).”
3.8
Ook Niesten63.ziet onbeantwoorde vragen en ook zij meent dat de Schumacker-doctrine vervangen moet worden door fractionele belastingheffing:
“41. After the X judgment, some questions continue to exist. It is an open question how the pro rata allocation of personal and family tax benefits between the various parties will proceed in practice. In this respect, it is for the person concerned to provide the competent national authorities all the data regarding its worldwide income on the basis of which the pro rata ratio allocations can be determined. (…). It is time to switch to a fractional tax treatment as an alternative for the Schumacker-doctrine.”
3.9
Van Renterghem-Vanderkerken64.becommentarieert het arrest BJ v. Belgische staat (zie 2.44 hierboven), waarin België als woonland alle tegemoetkomingen moest geven ondanks diens genieten van groter voordeel in de bronstaat Luxemburg dan het evenredige verlies van voordeel in de woonstaat België. Zij zet vraagtekens bij de verplichting van een staat om belastingvoordelen volledig toe te kennen terwijl een deel van dit inkomen in een andere staat wordt belast. Volgens haar moeten andere oplossingen worden onderzocht:
“The European Union is there to serve citizens and not the state. From a public
finance viewpoint (of the state of residence and its treasury, in particular), however,
one could question why a Member State is obliged to fully grant tax advantages to
individuals based on domestic legislation, without having a taxing power over income
derived from the taxpayer’s investments in immovable property in another country or
over foreign employment income, in particular in another EU Member State, where the
tax advantage partially influences the effective tax rate on resident state taxable
income.(…).The ECJ puts the responsibility for guaranteeing tax advantages for personal and family
reasons almost solely on the state of residence. One might argue, however, that in order
to achieve a system under which both the rights of taxpayers and the state are balanced, other solutions will have to be explored.”
4. Beleid
4.1
In een besluit van 3 december 201965.heeft de Staatssecretaris van Financiën zijn beleid aangepast aan het HvJ-arrest in de zaak van de Spaanse voetbalmakelaar (zie 2.39hierboven). Ik neem de tekst ervan volledigheidshalve op, ook om te laten zien voor welk uitvoeringsproblemen de Schumacker-rechtspraak van het HvJ de EU-lidstaten stelt:
“1.2 Achtergrond. (…). Uitgangspunt (…) is een belastingheffing van betrokken belastingplichtigen die in overeenstemming is met het EU-recht zonder dat deze hierbij in een betere positie worden gebracht dan binnenlandse belastingplichtigen en andere buitenlandse belastingplichtigen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. (…).
2.1
Vaststellen of de buitenlandse belastingplichtige onder reikwijdte arrest HvJ EU valt (stap 1, toegang)
In het arrest HvJ EU had belanghebbende, inwoner van Spanje, geen inkomen in
zijn woonstaat. De rechtsregel uit dit arrest is naar verwachting eveneens van
toepassing als een belastingplichtige slechts zeer beperkte inkomsten in zijn
woonstaat heeft. Naar analogie met de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wordt hierbij als criterium gehanteerd of de belastingplichtige zijn
gehele of nagenoeg gehele inkomen buiten de woonstaat verwerft. Voor de beoordeling of een buitenlandse belastingplichtige onder de reikwijdte van het arrest HvJ EU valt, wordt overigens zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 7.8, zesde en zevende lid, Wet IB 2001.Een buitenlandse belastingplichtige komt op basis hiervan voor toepassing van dit besluit in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. De buitenlandse belastingplichtige is als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden (de landenkring) in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat, of de BES eilanden betrokken;2. Het naar Nederlandse maatstaven bepaalde (wereld)inkomen van de belastingplichtige is geheel of nagenoeg geheel in twee of meer andere staten (waaronder Nederland) dan de woonstaat aan een loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen.
3. Het naar Nederlandse maatstaven bepaalde (wereld)inkomen van belastingplichtige is niet geheel of nagenoeg geheel in een andere bronstaat (dan Nederland) aan een loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen.
Verder geldt als voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van
de belastingautoriteit van de woonstaat verstrekt.66.Voor de bepaling of de belastingplichtige aan de tweede voorwaarde voldoet, wordt
uitgegaan van het op basis van artikel 7.8, zevende lid, eerste volzin, Wet IB 2001 –
dus naar Nederlandse maatstaven – bepaalde (wereld)verzamelinkomen. Dit
inkomen wordt gecorrigeerd met de in die eerste volzin genoemde verminderingen
en vermeerderingen. Vervolgens wordt, naar analogie van genoemd zevende lid,
tweede volzin, bepaald of dit inkomen geheel of nagenoeg geheel (dus voor meer
dan 90%) is onderworpen aan een loonbelasting of inkomstenbelasting in twee of
meer andere staten dan de woonstaat. Hierbij worden de buitenlandse belastingplicht in
die staten en de eventueel tussen die staten en de woonstaat gesloten
belastingverdragen in acht genomen.67.De vaststelling of de buitenlandse
belastingplichtige geen of slechts zeer geringe te belasten inkomsten in zijn woonstaat heeft (voorwaarde twee), geschiedt dus naar Nederlandse maatstaven en op basis van het verzamelinkomen over de drie boxen gezamenlijk. Een belastingplichtige komt dan ook niet in aanmerking voor toepassing van stap 2 als hij weliswaar zijn gehele inkomen uit werkzaamheden buiten de woonstaat (waaronder in Nederland) verdient, maar hij omvangrijke box 2 of box 3 inkomsten heeft die aan de woonstaat ter belastingheffing zijn toegewezen. Inkomen waarover Nederland op grond van het belastingverdrag maar een beperkt (bron)heffingsrecht heeft, wordt aangemerkt als niet in Nederland belast inkomen.
2.2
Bepaling Nederlands inkomen en de belasting over het Nederlands inkomen (stap 2, te betalen Nederlandse belasting)
Als een buitenlandse belastingplichtige onder de reikwijdte van het arrest HvJ EU valt (stap 1, toegang), wordt met inachtneming van dat arrest bij de bepaling van de in Nederland verschuldigde belasting pro rata rekening gehouden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Hierbij bestaat recht op aftrek naar de mate waarin het in Nederland te belasten inkomen deel uitmaakt van het wereldinkomen68.. Het gaat hierbij om de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de persoonsgebonden aftrek en het belastingdeel van de heffingskortingen. De in Nederland verschuldigde belasting, en dus ook de pro-rata-aftrek, worden hierbij voor het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1), het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) afzonderlijk berekend. Zowel de omvang van de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als het deel van het wereldinkomen dat in Nederland kan worden belast, wordt verder naar Nederlandse maatstaven vastgesteld. Waar de omvang van een aftrekpost afhankelijk is van het inkomen, wordt bij de bepaling van de hoogte van de aftrekpost uitgegaan van het wereldinkomen. Voor de toedeling van de persoonsgebonden aftrekposten aan de verschillende boxen wordt aangesloten bij de systematiek van artikel 6.2 Wet IB 2001.Als een buitenlandse belastingplichtige net als een inwoner van Nederland recht heeft op persoonsgebonden aftrekposten en tegemoetkomingen, is het
Nederlandse inkomen ook, net als bij een inwoner, belast naar het tarief passend bij het wereldinkomen (progressievoorbehoud). In lijn hiermee wordt de hoogte van het voordeel uit sparen en beleggen voor de buitenlandse belastingplichtige, bepaald op een forfaitair rendement passend bij de (wereldwijde) grondslag sparen en beleggen. Aldus wordt voorkomen dat een buitenlandse belastingplichtige in dit opzicht in een betere positie wordt gebracht dan een vergelijkbare binnenlandse belastingplichtige.
a. Pro-rata-aftrek (Stap 2.a, bepalen belastbaar inkomen per box)
Het voorgaande komt erop neer dat eerst per box de pro-rata-aftrek van de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen wordt berekend.
Voor het bepalen van de pro-rata-aftrek wordt het in Nederland te belasten inkomen van de betreffende box gerelateerd aan het wereldinkomen van die box. Hierbij worden de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen uit teller en noemer geëlimineerd. Voor de breuk van het inkomen uit werk en woning (box 1) zijn teller en noemer dan als volgt:
Teller = het inkomen uit werk en woning in Nederland ingevolge artikel 7.2, tweede lid, Wet IB 2001 voor zover dat aan Nederland ter heffing is toegewezen.
Noemer = het inkomen uit werk en woning, zoals bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, Wet
IB 2001, verminderd met de daarin begrepen negatieve belastbare inkomsten uit eigen
woning in de woon-staat, en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor
inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek.
De breuken voor het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het inkomen uit sparen
en beleggen (box 3) worden op overeenkomstige wijze vastgesteld op basis van
respectievelijk de artikelen 7.5 en 4.1 Wet IB 2001 en de artikelen 7.7 en 5.1 Wet IB
2001.
De persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen worden niet (pro rata) in aanmerking genomen bij de bepaling van de verschuldigde Nederlandse belasting voor zover deze bij de belastingheffing van de belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. De aftrekposten en tegemoetkomingen blijven daarnaast buiten aanmerking voor zover een andere (bron)staat een grotere aftrek verleent dan waartoe deze staat is gehouden op grond van het EU-recht. De door Nederland te verlenen pro-rata-aftrek wordt dan verminderd voor zover de andere (bron)staat een grotere aftrek heeft verleend.
b. Toepassen progressievoorbehoud (stap 2.b, tariefstoepassing)
Voor het progressievoorbehoud moet het tarief passend bij het wereldinkomen, voor box 1 het belastbare inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 3.1 Wet IB 2001, worden vastgesteld. Dit gebeurt door de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn over het wereldinkomen te delen door het wereldinkomen en de daaruit resulterende breuk te vermenigvuldigen met het in Nederland te belasten inkomen.
Het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen op basis van een rendement passend bij de wereldwijde grondslag sparen en beleggen gebeurt door het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001, te delen door de in dat lid genoemde grondslag sparen en beleggen en de daaruit resulterende breuk te vermenigvuldigen met de grondslag sparen en beleggen in Nederland.
De tarieven voor de boxen 2 en 3 zijn van toepassing (artikel 2.12 en 2.13 Wet IB 2001).
c. Vermindering met heffingskortingen (stap 2.c, heffingskortingen)
De aldus berekende Nederlandse inkomstenbelasting wordt vervolgens verminderd met het belasting-deel van de heffingskortingen waarvoor de buitenlandse belastingplichtige, gezien zijn individuele situatie, in aanmerking komt. Waar de omvang van de heffingskorting afhankelijk is van het inkomen, wordt hierbij – net als bij de bepaling van eventuele aftrekposten – uitgegaan van het wereldinkomen69..
De belastingdelen van de heffingskortingen worden eveneens pro rata in aanmerking genomen. Hierbij moet het bedrag, wanneer in meerdere boxen belasting verschuldigd is, eerst worden toegedeeld aan de inkomstenbelasting die in de diverse boxen is verschuldigd. Het belastingdeel van de heffingskortingen wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskortingen, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Vervolgens wordt het belastingdeel van de heffingskortingen pro rata – per box afzonderlijk – in aanmerking genomen. Voor de pro-rata-berekening wordt aangesloten bij de hiervoor onder a genoemde teller en noemer.”
5. Beschouwing
5.1
Zoals boven bleek en in onderdeel 1 al betoogd, is de Schumacker-rechtspraak onverenigbaar met primair en secundair EU-recht en is het moeilijk om buiten het HvJ iemand te vinden die er enthousiast over is. Volgens de literatuur leidt zij tot discriminatie, onduidelijkheden, ongerijmdheden, willekeurige resultaten en onuitvoerbaarheid.
5.2
Een willekeurig en onredelijk resultaat is bijvoorbeeld dat De Groot (zie 2.9 e.v. hierboven) slechts voor 40% van zijn inkomen de correcte koppeling tussen tarieven, aftrekposten en tegemoetkomingen krijgt en voor 60% óf te veel, óf te weinig belasting betaalt omdat bij die 60% van zijn inkomen elke koppeling tussen tarieven, aftrekposten en tegemoetkomingen ontbreekt: hij moet voor die 60% de tarieven van de bronlanden betalen zonder enige tegemoetkoming aldaar en krijgt in plaats daarvan de daarbij niet horende tegemoetkomingen (if any) van de woonstaat. Daat staat wel tegenover dat hij een salary split heeft, die hem in de werkstaten denkelijk tariefprogressie bespaart, hetgeen overigens bijdraagt aan de willekeur van het resultaat. Als de woonstaat er een flat rate op na houdt, krijgt hij niets, ook niet als de werksta(a)t(en) er zeer royale tegemoetkomingen op na houden tegen bijbehorende hoge progressieve tarieven. Waar niets is, gaat immers ook niets verloren door grensoverschrijding en met nihil zijn de tegemoetkomingen ‘volledig en naar behoren’ toegekend in de woonstaat, die immers niemand iets toekent.
5.3
Even willekeurig kan ook het omgekeerde onredelijke resultaat optreden. In strijd met zijn vaste rechtspraak70.dat de lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsel aan te passen aan de stelsels van andere lidstaten (uiteraard niet; dat zou verplichte harmonisatie zijn waartoe het HvJ niet bevoegd is, en bovendien zou onduidelijk zijn welke staat zich dan aan wiens wetgeving moet aanpassen en waarom), dwingt het HvJ onder meer in de zaken Imfeld en Garcet (zie 2.34 e.v. hierboven) en BJ v. België (zie 2.45 e.v. hierboven) de woonstaat om zijn inkomstenbelastingwetgeving ofwel unilateraal ofwel bilateraal aan te passen aan het nationale inkomstenbelastingrecht van de bronstaten als hij wil voorkomen dat zijn inwoners met buitenlands inkomen ongerechtvaardigd de tegemoetkomingen van zowel de werkstaat als de woonstaat krijgen. In BJ v. België achtte het HvJ expliciet niet van belang dat BJ in zijn werkstaat Luxemburg zelfs al méér belastingvoordeel genoot dan hij in België verloor (terecht verloor, gezien het evenredigheidsbeginsel). België werd gedwongen óók 100% van de Belgische tegemoetkomingen aan BJ toe te kennen, uitsluitend omdat het zijn nationale wetgeving of zijn belastingverdrag met Luxemburg niet had aangepast aan de Luxemburgse wetgeving. BJ werd aldus zowel in zijn werkstaat als in zijn woonstaat ongerechtvaardigd bevoordeeld boven zowel zijn Luxemburgse collega’s als zijn Belgische buren. Ik zie niet hoe de EU-verkeersvrijheden lidstaten zouden kunnen dwingen ofwel (i) grensoverschrijders dubbele tegemoetkomingen toe te kennen waar thuisblijvers nooit aanspraak op kunnen maken, ofwel (ii) hun wetgeving afhankelijk te maken van hetgeen de werkstaat al dan niet wenst te doen.
5.4
De oer-fout zit, zoals boven (1.3-1.5) bleek, in de ontkenning van de EU-rechtelijk principiële vergelijkbaarheid van niet-ingezeten en ingezeten werknemers en zelfstandigen. In de r.o. 37 en 38 van de overigens correct besliste pro rata zaak X (Spaanse voetbalmakelaar; zie 2.39 hierboven) houdt het HvJ vol, in strijd met de in 1.3 hierboven geciteerde verordeningen en met de ex art. 45 VwEU vereiste nationale behandeling van niet-inwoners, dat niet-ingezeten werknemers niet vergelijkbaar zouden zijn met ingezeten werknemers, behalve als die werknemers thuis niets verdienen (curs. PJW):
“37 Zo is, met betrekking tot dergelijke belastingvoordelen aan de hand waarvan, (…), de draagkracht van de betrokken belastingplichtige moet worden bepaald (…), de enkele omstandigheid dat een niet-ingezetene op het grondgebied van de werklidstaat inkomen heeft ontvangen in min of meer gelijke omstandigheden als ingezetenen van die staat, ontoereikend om zijn situatie objectief vergelijkbaar met die van laatstgenoemden te maken.
38 Om een dergelijke objectieve vergelijkbaarheid te kunnen vaststellen is tevens vereist dat de woonlidstaat, vanwege het feit dat deze niet-ingezetene het belangrijkste deel van zijn inkomen elders dan op het grondgebied van die staat heeft verworven, niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen waarop aanspraak ontstaat wanneer zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking worden genomen (zie naar analogie arrest van 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, EU:C:2015:406, punt 28).”
5.5
De geciteerde r.o. 37 is een klompenbreker: die zegt dat een niet-inwoner die onder dezelfde omstandigheden hetzelfde inkomen verwerft als een inwoner (de toevoeging ‘min of meer’ is slechts verhullend) vrij-verkeersrechtelijk niet vergelijkbaar zou zijn met die inwoner. Een glasharde en mijns inziens evident onhoudbare ontkenning van de meest basale regel van de interne markt en van de geciteerde Verordeningen. Eén van de bizarre gevolgen daarvan is dat als de woonstaat ervoor kiest dubbele belasting niet te voorkomen, waardoor buitenlands inkomen van zijn inwoners vol dubbel wordt belast maar wel alle woonstaat-tegemoetkomingen kunnen worden benut, die inwoners daardoor in de werkstaat geen enkele tegemoetkoming krijgen, terwijl als de woonstaat wél dubbele belasting voorkomt - waartoe hij volgens vaste EU-rechtspraak niet verplicht is71.- en hij een geheel elders verdiend inkomen van zijn inwoner dus niet belast, diezelfde inwoner opeens in de werkstaat wél recht krijgt op alle daar vigerende tegemoetkomingen.
5.6
Het HvJ heeft (dan) ook nooit kunnen uitleggen hoe het kan dat het EU-recht de woonstaat wél zou verplichten om De Groot 100% van de woonstaat-tegemoetkomingen te verlenen hoewel die staat maar 40% van diens inkomsten belast, maar tegelijk de woonstaat niet verplicht tot vermijding van dubbele heffing over de buitenlandse 60% die in het buitenland al is belast. Als het EU-recht überhaupt niet verplicht tot voorkoming van dubbele belasting, hoe zou het dan wél een volstrekt redelijke evenredigheidsbreuk bij die niet-verplichte voorkoming van dubbele belasting kunnen verbieden? De mogelijke tegenwerping dat als de woonstaat dubbele belasting voorkomt, hij dat nondiscriminatoir moet doen, snijdt geen hout, nu voor inwoners zonder buitenlands inkomen immers überhaupt geen voorkoming van dubbele belasting aan de orde kan zijn, zodat de bij inwoners mét buitenlands inkomen bestaande voorkoming ook niet vergeleken kan worden met die niet-bestaande voorkoming bij inwoners zonder buitenlands inkomen. De discriminatie zit niet in de woonstaat, die volgens het Hof het buitenlandse inkomen van zijn inwoners volledig mag belasten zonder voorkoming van dubbele belasting,72.maar in de bronstaat, die door het EU-recht wordt verplicht om nationale behandeling te geven aan niet-ingezeten personen.
5.7
Ondertussen moeten nationale belastingrechters verder met die onjuiste en onwerkbare rechtspraak van het HvJ.
5.8
In de drie zaken waarbij deze bijlage gaat, is het probleem dat de woonstaat wel degelijk tegemoetkomingen verleent, maar die niet tot hun volle bedrag benut kunnen worden omdat het woonstaatinkomen, hoewel (in twee zaken) significant, toch niet hoog genoeg is om de hoge woonstaatbelastingvrije-som c.q. de woonstaat-woonbonus volledig te verzilveren. Zou het omgekeerd zijn (in de werkstaat worden significant tegemoetkomingen benut), dan zou uit Imfeld & Garcet en BJ v. België (zie 2.33 e.v. en 2.44 e.v. hierboven) volgen dat de woonstaat desondanks toch zijn volledige tegemoetkomingen moet geven, met willekeurige bevoordeling van de grensoverschrijder tot gevolg. In onze gevallen is echter, omgekeerd, de positie in de werkstaat (bronstaat) aan de orde in een geval waarin in de woonstaat (in twee van de drie gevallen) een zeer groot deel, maar niet de volledige tegemoetkomingen kunnen worden benut. Voor dat geval heerst nog steeds, 28 jaar na Schumacker, onduidelijkheid over wat de werkstaat moet doen. U zie de uiteenzetting in onderdeel 1.13 hierboven.
5.9
Het Hof Den Bosch gaat ervan uit dat (i) alleen als alle woonstaattegemoetkomingen aldaar benut hebben kunnen worden, de werkstaat niets hoeft te doen, en (ii) als dat niet het geval is omdat het in de woonstaat onderworpen inkomen (bepaald naar woonstaatmaatstaven) te laag is om volledige benutting mogelijk te maken, de werkstaat moet bijspringen, maar dan wel naar zijn eigen recht. Dan dienen zich twee mogelijkheden aan, zoals uit de uiteenzetting in 1.13 hierboven bleek: men kan uitrekenen welk percentage van de woonstaattegemoetkomingen onbenut is gebleven en dat percentage van de werkstaattegemoetkomingen toekennen in de werkstaat. Dat heeft het Hof Den Bosch niet gedaan. Hij heeft uitgerekend welk breukdeel van het totale inkomen in de werkstaat wordt onderworpen en dat breukdeel van de werkstaattegemoetkomingen toegekend aan de belastingplichtige, maar met een bovengrens, nl. maximaal het bedrag aan tegemoet-komingen dat een vergelijkbare ingezetene met vergelijkbaar inkomen deelachtig zou zijn geworden. Het EU-recht verplicht immers niet tot begunstiging van niet-ingezetenen. Zoals boven bleek, heeft het HvJ een dergelijke bovengrens in de omgekeerde situatie in de zaken Imfeld & Garcet en BJ v. België juist niet toegestaan aan de woonstaat, tenzij die woonstaat zijn wetgeving aanpast aan de wetgeving van de werksta(a)t(en).
5.10
Zoals uit het bovenstaande, met name onderdeel 1, volgt, eist mijns inziens zowel het primaire als het secundaire EU-recht dat de werkstaat steeds, dus niet alleen als de woonstaat zijn tegemoetkomingen niet (volledig) kan verstrekken, verplicht is tot nationale behandeling. In de drie zaken waarbij deze bijlage gaat, moet Nederland mijns inziens dus de belastingplichtigen belasten alsof de oude keuzeregeling nog geldt en alsof de belastingplichtigen hebben gekozen voor inwonerbehandeling. Dat is overigens ook wat zij willen. De stappen 1 t/m 3 in de ‘Schumacker-bijlage’ van het Hof Den Bosch moeten mijns inziens dus overgeslagen worden; alleen stap 4 (nationale behandeling) is relevant en vereist. Nederland is verplicht tot evenredige inwonerbehandeling ongeacht het percentage van het (gezins)inkomen van de belanghebbenden dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan de woonstaat toegewezen deel van het (gezins)inkomen de woonstaattegemoetkomingen al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in de fiscale positie van de belanghebbenden in hun woonstaat. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 hierboven). De inkomensbreukbenadering die het HvJ (alleen) voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
5.11
Het HvJ kan daar geen bezwaar tegen hebben, nu het EU-recht de lidstaten niet verbiedt om niet-ingezetenen beter te behandelen dan het HvJ doet.
5.12
Nationale rechters zullen het, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, echter lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ. Het HvJ is in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) de correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als aan de woonstaat nog inkomen van enige betekenis is toegewezen. Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de evenredigheidsbreuk die hij in die zaak terecht toepaste op de twee betrokken werkstaten, nu ook zal toepassen op de woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch verder op die correcte evenredigheidsweg te helpen met prejudiciële vragen in onze drie bronstaatcasussen, mede omdat onduidelijk is (zie onderdeel 1.13 hierboven) waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals in twee van onze drie zaken, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar het woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen volledig te absorberen. Ik formuleer daartoe in de drie afzonderlijke zaken enige mogelijke prejudiciële vragen.
5.13
Overigens meen ik dat Nederland in Brussel op harmonisatie moet aandringen. Al zijn er dringender dingen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1574, FutD 2022-1567, NLF 2022/1145 met noot Swaving Dijkstra, V-N 2022/29.3 en NTFR 2022/3307 met noot Fijen; Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571, FutD 2022-1674, NLF 2022/1244 met noot Van Poppel, VFP 2022/94, V-N 2022/35.1.1; en Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1569, FutD 2022-1676, NLF 2022/1168 waarin wordt verwijzen naar NLF 2022/1145 met noot Swaving Dijkstra, V-N 2022/41.1.3, Vp-bulletin 2022/46 met noot Rebbens en Tobben.
HvJ 14 februari 1995, C-279/93, Schumacker,ECLI:EU:C:1995:31, na conclusie Léger, BNB 1995/187 met noot Daniëls.
HvJ 12 december 2002, C-385/00, De Groot, ECLI:NL:XX:2002:BU3038, na conclusie Léger, BNB 2003/182 met noot Meussen.
Vo. (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, Publicatieblad Nr. L 141 van 27/05/2011, blz. 1-12.
Fiscaal en al heel oud voorbeeld: het avoir fiscal-arrest HvJ 28 januari 1986, Zaak 270/83, Commissie/Frankrijk,ECLI:EU:C:1986:37, na conclusie Mancini, FED 1990/3 met noot Brouwer.
Zeer expliciet bijvoorbeeld in de zaak Terhoeve: HvJ 26 januari 1999, zaak C-18/95, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, ECLI:EU:C:1999:22:“44. Wat de eerste rechtvaardigingsgrond betreft, moet worden opgemerkt dat de lidstaten in beginsel vrij blijven de wijze van heffing van belastingen en socialezekerheidspremies te regelen en dat zij stellig mogen streven naar vereenvoudiging en coördinatie van die regels. Hoe wenselijk dit laatste echter ook moge zijn, het kan niet rechtvaardigen dat de rechten die particulieren ontlenen aan de bepalingen van het Verdrag waarin hun fundamentele vrijheden zijn verankerd, worden aangetast.45. Hetzelfde geldt voor de tweede rechtvaardigingsgrond waarop de verwijzende rechter doelt. Overwegingen van administratieve aard kunnen immers een afwijking door een lidstaat van de regels van gemeenschapsrecht niet rechtvaardigen. Dit beginsel geldt temeer, wanneer de betrokken afwijking erop neerkomt, dat de uitoefening van een der fundamentele vrijheden van het gemeenschapsrecht wordt verhinderd (arrest van 4 december 1986, Commissie/Duitsland, 205/84, Jurispr. blz. 3755, punt 54).”
Het HvJ is daar in 1995 al op gewezen. Zie Peter J. Wattel, ‘Taxing Non-resident Employees; Coping with Schumacker’, in ‘The Schumacker Legacy’, special issue, 35 European Taxation 11/12 (Nov./Dec. 1995), p. 350.
HvJ 14 februari 1995, C-279/93, Schumacker,ECLI:EU:C:1995:31, na conclusie Léger, BNB 1995/187 met noot Daniëls.
Het HvJ duidt het splittingsstelsel als volgt in r.o. 7: “Zij houdt in, dat het totale inkomen van beide echtgenoten wordtsamengeteld, waarna het fictief aan elk van hen voor de helft wordt toegerekend en vervolgens belast. Heeft de ene echtgenoot een hoog en de ander een laag inkomen, dan wordt de belastinggrondslag door de ,,splitting'' genivelleerd en de progressie van de inkomstenbelasting afgezwakt.”
HvJ 28 januari 1986, Zaak 270/83, Commissie/Frankrijk,ECLI:EU:C:1986:37, na conclusie Mancini, FED 1990/3 met noot Brouwer
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 - 12
Zie thans het gelijkluidende art. 7 van Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
HvJ 14 september 1999, C-391/97, Gschwind,ECLI:EU:C:1999:409, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, BNB 2001/78 met noot Burgers.
HvJ 12 december 2002, Zaak C-385/00, De Groot,, na conclusie Léger, ECLI:NL:XX:2002:BU3038, BNB 2003/182 met noot Meussen.
Toevoeging PJW: Instemmen? Moeten lidstaten instemmen met hun EU-rechtelijke plicht om af te zien van discriminatie van niet-ingezetenen?
Toevoeging PJW: deze overweging beantwoordt duidelijk niet aan het argument van de Belgische regering.
Toevoeging PJW: Ook de drie werkstaten konden progressie effectueren als zij dat zouden willen.
Toevoeging PJW: ook de relevantie hiervan ontgaat mij en het mist mijns inziens dat de effectieve progressie wél aangetast wordt als dubbele belasting wél evenredig wordt voorkomen maar alle aftrekposten en tegemoetkomingen onevenredig, nl. voor 100% moeten worden toegekend.
Toevoeging PJW: dát behoefde juist te worden onderzocht!
Zie daarover nader Hein Vermeulen, ‘Individual Income Taxation’, Ch. 13 in Terra/Wattel, European Tax Law, Wolters-Kluwer, 8th ed. 2022, para. 13.4.5 (The De Groot Case: a Chance Missed).
HvJ 1 juli 2004, C-169/03, Wallentin,ECLI:EU:C:2004:403, na conclusie Léger, V-N 2004/35.15.
HvJ 5 juli 2005, C-376/03, D,ECLI:EU:C:2005:424, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, V-N 2005/35.12.
HvJ 25 januari 2007, C-329/05, Meindl,ECLI:EU:C:2007:57, na conclusie Kokott, V-N 2007/12.10.
HvJ 18 juli 2007, C-182/06, Lakebrink,ECLI:EU:C:2007:452, na conclusie Mengozzi, BNB 2008/3 met noot Meussen.
HvJ 12 juni 2003, C-234/01, Gerritse,ECLI:EU:C:2003:340, na conclusie Léger, BNB 2003/284 met noot Meussen
HvJ 15 februari 2007, C-345/04, Centro Equestre da Lezíria Grande Lda,ECLI:EU:C:2007:96, na conclusie Léger, V-N 2007/12.16
Paragraaf 21 van de bijlage bij de uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch.
HvJ 16 oktober 2008, C-527/06, Renneberg,ECLI:EU:C:2008:566, na conclusie Mengozzi, BNB 2009/50 met noot Burgers.
Aldus oordeelde u terecht in HR 8 oktober 2021, na conclusie Niessen, ECLI:NL:HR:2021:1472, BNB 2022/19, m.nt. J.P. Boer, NTFR 2021/338, m.nt. Korving.
Zie onder meer HvJ 12 juli 2005, C-403/03, Schempp, ECLI:EU:C:2005:446, na conclusie Geelhoed, BNB 2005/342 met noot Meussen, en HvJ 15 juli 2004, C-365/02, Lindfors, ECLI:EU:C:2004:449, na conclusie Stikx-Hackl, V-N 2004/50.18.
HvJ 15 mei 2008, C-414/06, Lidl Belgium,ECLI:EU:C:2008:278, na conclusie Sharpston, BNB 2009/85, noot Wattel.
HvJ 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt,ECLI:EU:C:2008:588, zonder conclusie, V-N 2008/55.14.
HvJ 17 december 2015, C-388/14, Timac Agro,ECLI:EU:C:2015:829, conclusie Wathelet, BNB 2016/92 noot Egelie.
HvJ 13 december 2005, C-446/03, Marks & Spencer II, ECLI:EU:C:2005:763, na conclusie Poiares Maduro, BNB 2006/72 met noot Wattel.
E. Kemmeren, ‘Renneberg Endangers the Double Tax Convention System or Can a Second Round Bring Recovery?’, 18 EC Tax Review 1 (2009).
HvJ 10 mei 2012, C-39/10, Commissie tegen Estland, ECLI:EU:C:2012:282, na conclusie Jääskinen,
De Estse wet op de inkomstenbelasting bepaalde:‘Een natuurlijke persoon die ingezetene is van een andere lidstaat van de EU kan de in dit hoofdstuk bedoelde aftrekken eveneens in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen in Estland, voor zover hij minstens 75 % van zijn belastbaar inkomen in een belastingtijdvak in Estland verwerft en een aangifte inkomstenbelasting als ingezeten natuurlijke persoon indient. Onder belastbaar inkomen wordt verstaan het inkomen vóór de aftrek van verminderingen overeenkomstig de wetgeving van de betrokken staat.’
Toevoeging PJW: in de woonstaat-zaken BJ v. België (zie 2.44 hieronder) en Imfeld & Garcet (zie 2.33 hieronder) acht het HvJ ongerechtvaardigde cumulatie van voordelen echter juist expliciet niet relevant.
HvJ 12 december 2013, C-303/12, Imfeld en Garcet,ECLI:EU:C:2013:822, na conclusie Cruz Villalón, V-N 2014/2.21.3, punten 70 en 77,
HvJ 12 december 2013, C-303/12, Imfeld en Garcet,ECLI:EU:C:2013:822, na conclusie Cruz Villalón,V-N 2014/2.21.3.
HvJ 18 juni 2015, C-9/14, Kieback,ECLI:EU:C:2015:406, na conclusie Sharpston, BNB 2015/213 met noot Meussen.
HvJ 9 februari 2017, C-283/15, X (Spaanse voetbalmakelaar),ECLI:EU:C:2017:102, na conclusie Wathelet, BNB 2017/121 met noot Douma.
Zie onder meer HvJ 6 december 2007, C-298/05, Columbus Container Services, ECLI:EU:C:2007:754, na conclusie Mengozzi, FED 2008/35 met noot Daniëls, HvJ 28 februari 2008, C-293/06, Deutsche Shell,ECLI:EU:C:2008:129, na conclusie Sharpston, BNB 2009/84 met noot Wattel, en HvJ 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt, ECLI:EU:C:2008:588, zonder conclusie, BNB 2009/86 met noot Wattel.
HvJ 15 juli 2021, C-241/20, BJ tegen Belgische Staat, zonder conclusie, ECLI:EU:C:2021:605, V-N 2021/36.5.
Art. 155, eerste alinea, Wetboek van de inkomstenbelasting 1992: “Inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar deze wordt verminderd naar de verhouding tussen de inkomsten die zijn vrijgesteld en het geheel van de inkomsten.”
Zie onder meer HvJ 6 december 2007, C-298/05, Columbus Container Services, ECLI:EU:C:2007:754, na conclusie Mengozzi, FED 2008/35 met noot Daniëls, HvJ 28 februari 2008, C-293/06, Deutsche Shell,ECLI:EU:C:2008:129, na conclusie Sharpston, BNB 2009/84 met noot Wattel, en HvJ 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt, ECLI:EU:C:2008:588, zonder conclusie, BNB 2009/86 met noot Wattel.
HvJ 23 januari 2019, C-272/17, Zyla,ECLI:EU:C:2019:49, na conclusie Campos Sánchez-Bordona, BNB 2019/65 met noot Kavelaars.
HvJ 23 januari 2019, C-272/17, Zyla,ECLI:EU:C:2019:49, na conclusie Campos Sánchez-Bordona, BNB 2019/65 met noot Kavelaars.
Hein Vermeulen, ‘Individual Income Taxation,’ Ch. 13 van Terra/Wattel, European Tax Law (Vol. I) (2022), Deventer: Wolters Kluwer 2022, paragraaf 13.4..
H. Vermeulen t.a.p., p. 354.
N.P. Schipper, De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers (Fiscale Monografieën nr. 158) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 304.
N.P. Schipper, t.a.p., p. 94.
N.P. Schipper, t.a.p., p. 308 en 309.
F. Pötgens en M. Vergouwen, The Report Ways to Tackle Cross-Border Obstacles Facing Individuals Within the EU, EC Tax Review 2017/5.
Voetnoot in origineel: ECJ 14 Feb. 1995, C-279/93, ECLI:EU:C1995:31 (Schumacker); ECJ 10 May 2012, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282 (Commission v. Estonia) and ECJ 9 Feb. 2017, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102 (X).
Toevoeging PJW: In 2015 publiceerde de Expert Group van de Europese Commissie een rapport over de fiscale obstakels waarmee individuen worden geconfronteerd wanneer zij grensoverschrijdend actief zijn: Report of expert group, Ways to Tackle Cross-Border Tax Obstacles Facing Individuals Within the EU (Nov. 2015).
Voetnoot in origineel: This threshold entails that the pro rata division of the personal deductions is only applicable after it has been established that there is not enough taxable income in the resident state.
Voetnoot in origineel: Report, at 29. See also the solution presented for obstacles I and II of the Report.
I. de Groot, Case X (C-283/15) and the Myth of ‘Schumacker’s 90% Rule’, Intertax 2017/45.
A. Fitz Verploegh, De effectuering van fiscale persoonlijke tegemoetkomingen van buitenlandse belastingplichtigen (NOB/LOF-serie), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 80.
H. Niesten, Case X v. Staatssecretaris van Financiën: Fractional Allocation of Personal and Family Tax Benefits for EU Resident Individuals with Multi-State Income, EC Tax Review 2017/4.
C. van Renterghem-Vanderkerken, Belgium - Loss of Personal Income Tax Advantages in Cross-Border Situations Infringes EU Fundamental Freedoms, European Taxation 2022/8.
Besluit van 3 december 2019, nr. 2019-184103, Stcrt. 2019, 66192.
Voetnoot in origineel: “Evenals de inkomensverklaring voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, moet deze inkomensverklaring worden ingevuld naar Nederlandse fiscale maatstaven.”
Voetnoot in origineel: “Aan de in het arrest HvJ EU gebruikte term ‘ontvangen’ wordt geen afwijkende betekenis gegeven dan aan de in de in artikel 7.8, zesde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 en dit besluit gebruikte term ‘onderworpen’.”
Voetnoot in origineel: “Zoals aangegeven in het onderschrift bij Hof Den Haag 5 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3582 is enkel relevant of de belastingplichtige in het andere bronland inkomen heeft ontvangen waartegen hij een overeenkomstig recht op aftrek te gelde zou kunnen maken (ongeacht of de andere bronstaat een dergelijke aftrekmogelijkheid kent). Nederland verleent dus niet meer dan een pro-rata-aftrek.”
Voetnoot in origineel: “Evenals in artikel 7.8, vijfde lid, Wet IB 2001 voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.”
Zie bijvoorbeeld HvJ 6 december 2007, C-298/05, Columbus Container Services, ECLI:EU:C:2007:754, na conclusie Mengozzi, FED 2008/35 met noot Daniëls, HvJ 28 februari 2008, C-293/06, Deutsche Shell,ECLI:EU:C:2008:129, na conclusie Sharpston, BNB 2009/84 met noot Wattel, en HvJ 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wannsee-Seniorenheimstatt, ECLI:EU:C:2008:588, zonder conclusie, BNB 2009/86 met noot Wattel.
Zie onder meer HvJ 14 november 2006, C-513/04, Kerckhaert-Morres,ECLI:EU:C:2006:713, na conclusie Geelhoed, BNB 2007/73 met noot Marres en HvJ 12 februari 2009, C-67/08, Block, zonder conclusie, ECLI:EU:C:2009:92, V-N 2009/21.22.
Zie de arresten in de vorige voetnoot.
Conclusie 31‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:442 Inwoner van Frankrijk met Nederlands pensioen waarover Frankrijk deels het heffingsrecht heeft: (i) kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) UBIB 2001? (ii) EU-Schumacker-doctrine; (pro rata) aftrek hypotheekrenteaftrek? De belanghebbende en zijn echtgenote wonen in Frankrijk. Zij genoten in 2015 vier pensioenen ter zake waarvan het heffingsrecht voor één aan Nederland is toegewezen en voor de andere drie aan Frankrijk. Het echtpaar was in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd omdat het aan Frankrijk toegewezen inkomen beneden de daar geldende belastingvrije som bleef. Behalve door middel van die belastingvrije som heeft Frankrijk dus geen rekening kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie, met name niet met hypotheekrente voor de Franse eigen woning. In geschil is of de belanghebbende in Nederland aanspraak heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning, hetzij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) UBIB 2001, hetzij op grond van EU-recht (vrijheid van personenverkeer). Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant valt de belanghebbende niet onder van art. 21bis UBIB, nu die regeling niet geldt als een belastingvrije som in het woonland er de oorzaak van is dat aldaar weinig of geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Wat het EU-recht betreft, heeft de belanghebbende volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij in Frankrijk een te gering inkomen geniet, nu hij geen inzicht heeft gegeven in zijn Franse belastingaanslag 2015. Hof ‘s-Hertogenbosch meent met de Rechtbank dat art. 21bis UBIB niet van toepassing is. Wat het EU-recht betreft heeft het Hof in een bij de uitspraak gevoegde bijlage een stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU zijns inziens moet worden begrepen: “1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen. 2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. 3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. 4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.” Dit stappenplan leidt er in casu toe dat de belanghebbende deels renteaftrek wordt verleend, namelijk voor het breukdeel ‘belast gezinsinkomen in Nederland / wereldinkomen’ (naar Nederlandse maatstaven bepaald) met als bovengrens de renteaftrek die hij genoten zou hebben als het gehele gezinsinkomen in Nederland was onderworpen. In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat art. 7.8 Wet IB 2001 noch het EU-recht Nederland verplicht om rekening te houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. Die verplichting rust op de woonstaat. Alleen als de belastinggrondslag daar ontoereikend is en de belastingplichtige daar niet in de heffing wordt betrokken waardoor daar geen rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, doet zich de uitzondering voor dat de bronstaat er rekening mee moet houden. Het wereldinkomen stijgt ruim uit boven de Franse belastingvrije som, zodat Nederland als bronstaat zijns inziens niet ook nog eens rekening hoeft te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende. A-G Wattel meent met het Hof ‘s-Hertogenbosch dat de belanghebbende niet kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8 Wet IB 2001 en dat daarom beoordeeld moet worden waartoe het EU-recht noopt. Bij zijn conclusie gaat een bijlage waarin de Schumacker-rechtspraak van het HvJ wordt uiteengezet en becommentarieerd. Volgens de A-G is die jurisprudentie onverenigbaar met EU-recht doordat zij in strijd is met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Volgens hem is Nederland verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van het inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van het inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Dat betekent dat ’s Hofs stappen 1 t/m 3 overgeslagen moeten worden en dat alleen stap 4 relevant en vereist is: Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn en hen dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc. (fractionele heffing). Het HvJ is in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) die correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als er enig inkomen in de woonstaat onderworpen is. Nationale rechters zullen het, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging het HvJ verder op deze goede weg te helpen door hem prejudicieel vragen voor te leggen van de volgende strekking: Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/68 en art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 60% van het echtelijke inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) als het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden? Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02356
Datum 31 maart 2023
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting 2015
Nr. Gerechtshof 21/00740
Nr. Rechtbank BRE 20/4815
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
De Staatssecretaris van Financiën
tegen
[X]
1. Overzicht
1.1
Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaken 22/02359 en 22/02362 waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die gemeenschappelijke bijlage ga ik in op de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het hof van Justitie van de EU (HvJ) en op de gevolgen daarvan voor de inkomstenbelastingstelsels van de EU-lidstaten, met name Nederland.
1.2
In 2015 woonden [X] (de belanghebbende) en zijn echtgenote in Frankrijk. Hij genoot een AOW-uitkering ad € 9.801 en een ABP-pensioen ad € 13.054. Nederland is op grond van het belastingverdrag met Frankrijk bevoegd te heffen over het ABP-pensioen en Frankrijk is heffingsbevoegd voor de AOW-uitkering. Over het inkomen van zijn echtgenote (AOW-uitkering ad € 9.605 en een pensioen ad € 2.985) heeft Frankrijk het heffingsrecht. Aldus is 22.391 / 35.445 of ruim 60% van het gezinsinkomen toegewezen aan de woonstaat Frankrijk.
1.3
Over 2015 heeft de belanghebbende in Frankrijk geen inkomstenbelasting betaald omdat zijn AOW-uitkering beneden de daar vigerende belastingvrije som bleef en kennelijk ook het aan Frankrijk toegewezen gezinsinkomen beneden de Franse belastingvrije som voor couples mariés bleef (€ 27.240). Buiten de toekenning van een groot deel van die - kennelijk niet evenredig (op basis van een inkomensbreuk) beperkte - belastingvrije som, heeft Frankrijk dus geen rekening kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, met name niet met de hypotheekrente voor de eigen woning in Frankrijk.
1.4
In geschil is of hij daarom in Nederland aanspraak heeft op aftrek - van zijn ABP-pensioen - van negatieve inkomsten uit eigen woning, hetzij omdat hij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001), hetzij op grond van EU-recht (vrijheid van personenverkeer). De Inspecteur meent dat Nederland hem geen renteaftrek hoeft te verlenen; de belanghebbende meent van wel.
1.5
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant1.heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard omdat hij volgens de Rechtbank in het licht van de toelichting bij art. 21bis UBIB geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, nu die regeling niet geldt als een belastingvrije som in het woonland er de oorzaak van is dat aldaar weinig of geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Wat het EU-recht betreft, heeft de belanghebbende volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij in Frankrijk een te gering inkomen geniet, nu hij geen inzicht heeft gegeven in zijn Franse belastingaanslag 2015.
1.6
Op belanghebbendes hogere beroep oordeelde ook het Hof ’s-Hertogenbosch2.dat art. 21bis UBIB niet van toepassing is op zijn geval. Wat het EU-recht betreft heeft het Hof in een bij diens uitspraak gevoegde bijlage met stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ zijns inziens moet worden begrepen en dat plan vervolgens toegepast op belanghebbendes geval. Die stappen zijn de volgende:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
1.7
Deze stappen leiden er in belanghebbendes geval toe dat hem deels renteaftrek wordt verleend, nl. voor het breukdeel ‘belast gezinsinkomen in Nederland / wereldinkomen’ (naar Nederlandse maatstaven bepaald) met als bovengrens de renteaftrek die hij genoten zou hebben als het gehele gezinsinkomen in Nederland was onerworpen.
1.8
In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat art. 7.8 Wet IB 2001 noch het EU-recht Nederland verplicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende. De verplichting om die in aanmerking te nemen rust op de woonstaat. Alleen als de belastinggrondslag daar ontoereikend is en de belastingplichtige daar niet in de heffing wordt betrokken waardoor daar geen rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, doet zich de uitzondering voor dat de bronstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. In belanghebbendes geval stijgt het gezinsinkomen ruim uit boven de Franse belastingvrije som, zodat Nederland als bronstaat zijns inziens niet ook nog eens rekening hoeft te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende.
1.9
Dat de belanghebbende niet kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige onder art. 7.8 Wet IB 2001 volgt niet rechtstreeks uit de tekst van die bepaling, maar wel uit de toelichting op art. 21bis UBIB 2001. Die toelichting, die de term “inkomen” in de zinsnede “wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd” uitlegt als ‘wereldinkomen’ en niet als ‘aan het woonland toegewezen inkomen’, is geenszins onverenigbaar met die tekst, zodat ik geen aanleiding zie om aan die toelichting voorbij te gaan. Naar nationaal recht heeft de belanghebbende dan geen aanspraak op Nederlandse tegemoetkomingen zoals hypotheekrenteaftrek voor zijn eigen woning in Frankrijk. Het UBIB kan echter het EU-recht niet opzij zetten, zodat beoordeeld moet worden of EU-recht Nederland noopt tot tegemoetkoming van de belanghebbende op het punt van renteaftrek.
1.10
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak van het HvJ onverenigbaar met het EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
1.11
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van het (gezins)inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van het (gezins)inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat Frankrijk. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage bij deze conclusie). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
1.12
Omdat pro rata binnenlandse belastingplicht niet-ingezetenen beter behandelt dan de onjuiste Schumacker-rechtspraak doet, heeft het op zichzelf geen zin om het HvJ prejudiciële vragen te stellen. Het staat een lidstaat immers EU-rechtelijk vrij om niet-ingezetenen beter te behandelen dan het HvJ doet.
1.13
Nationale rechters zullen het echter, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ. Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de correcte inkomensbreukbenadering die hij in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) toepaste op de twee betrokken werkstaten, thans ook - in afwijking van zijn Schumacker-rechtspraak - zal toepassen op de woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch die kant op te begeleiden door hem prejudiciële vragen voor te leggen in onze bronstaatcasus, gegeven dat het hoe dan ook onduidelijk is waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals de belanghebbende, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaat(gezins)inkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen volledig te absorberen (zie onderdeel 1.13 van de bijlage).
1.14
Ik geef u daarom in overweging het HvJ prejudicieel vragen voor te leggen van de volgende strekking:
Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/683. en art. 7(2) Vo. 492/20114. inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 60% van het echtelijke inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) als het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden?
Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
2.1
De belanghebbende is gepensioneerd en woont met zijn echtgenote in Frankrijk. In 2015 heeft hij een AOW-uitkering van € 9.801 genoten en een ABP-pensioen van € 13.054. Het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk wijst het heffingsrecht voor de AOW-uitkering toe aan Frankrijk en het heffingsrecht voor het ABP-pensioen aan Nederland.5.Zijn echtgenote heeft in 2015 een AOW-uitkering ad € 9.605 en een pensioen ad € 2.985 genoten. Over haar inkomsten heeft Frankrijk het heffingsrecht.
2.2
In zijn Nederlandse aangifte inkomstenbelasting (IB)/premies volksverzekeringen (PH) 2015 heeft de belanghebbende € 5.338 in aftrek gebracht als negatieve inkomsten uit de eigen woning in Frankrijk. Dit is het saldo van het eigenwoningforfait van € 1.050 en de door hem betaalde hypotheekrente ad € 6.388. In eerste instantie is die aftrek verleend. Later heeft de Inspecteur die aftrek bij navorderingsaanslag teruggenomen omdat de belanghebbende volgens hem geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige is in de zin van art. 7.8 Wet IB 2001. De navorderingsaanslag stelt het belastbare inkomen uit werk en woning vast op € 13.054 (het ABP-pensioen). De premieheffing volksverzekeringen is op nihil gesteld omdat de belanghebbende niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen.
2.3
Over 2015 heeft de belanghebbende in Frankrijk geen inkomstenbelasting betaald omdat zijn aan Frankrijk toegewezen AOW-uitkering lager was dan de Franse belastingvrije som ad € 27.240. Over eventuele inkomsten uit de eigen woning naar Frans belastingrecht vermeldt het dossier niets, evenmin als over de vraag of aldaar hypotheekrente aftrekbaar is. Andere inkomsten dan het AOW-pensioen, het ABP-pensioen en (negatieve) inkomsten uit de eigen woning zijn er kennelijk niet.
2.4
In geschil is of Nederland de belanghebbende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, met name hypotheekrenteaftrek, moet verlenen, hetzij omdat hij moet worden gekwalificeerd als buitenlands belastingplichtige in de zin van art. 7.8(8) Wet IB 2001 jo. art. 21bis(1) UBIB 2001, hetzij op grond van het Unierecht, met name het vrije verkeer van personen en kapitaal. De belanghebbende meent van wel; de Inspecteur van niet. Niet in geschil is dat de belanghebbende niet op grond van de hoofdregel van art. 7.8(6) Wet IB 2001 kwalificeert als de daar bedoelde buitenlands belastingplichtige omdat hij niet voldoet aan de eis dat 90% of meer van het gezinsinkomen in Nederland wordt verdiend.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant6.
2.5
De Rechtbank heeft belanghebbendes situatie getoetst aan art. 21bis(1) UBIB 2001, dat de reikwijdte van art. 7.8 Wet IB 2001 (kwalificerende buitenlandse belastingplichtige) vergroot en als volgt luidt:
“1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet;b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; enc. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.”
Niet in geschil is dat de belanghebbende voldoet aan voorwaarden a en b, maar wel of hij voldoet aan voorwaarde c. De rechtbank heeft de artikelsgewijze toelichting7.bij de invoering van art. 21bis UBIB 2001 geciteerd, die als volgt luidt (onderstreping door de Rechtbank):
“2.8. (…) Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.”
Gelet op deze toelichting voldoet de belanghebbende volgens de Rechtbank niet aan voorwaarde c: zijn inkomen is niet ‘gering’ in de zin van die bepaling. Dat hij in Frankrijk geen belasting is verschuldigd, is een gevolg van de regels tot voorkoming van dubbele belasting. Het gezinskomen van € 35.4458.overstijgt ruim de Franse belastingvrije som van € 27.240.
2.6
Op het beroep op het Unierecht heeft de Rechtbank overwogen dat als een belastingplichtige een zodanig gering woonstaatinkomen heeft dat zijn persoonlijke situatie niet volledig in de woonstaat in aanmerking kan worden genomen, Nederland als bronstaat op grond van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ gehouden kan zijn de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te verlenen. De Rechtbank achtte echter niet aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende in Frankrijk een te gering inkomen had, nu hij geen inzicht heeft gegeven in zijn Franse belastingaanslag 2015, die hij niet heeft overlegd. Gelet op de betwisting door de Inspecteur kan de rechtbank dan niet vaststellen of het Franse inkomen zodanig laag was dat het drempelbedrag (seuil d’imposition; belastingvrijse som) niet volledig is benut. Het beroep op het Unierecht is daarom afgewezen.
2.7
Art. 25 (non-discriminatie) van het belastingverdrag baatte de belanghebbende volgens de Rechtbank evenmin. Die bepaling luidt als volgt:
“Onderdanen van een van de Stalen, ongeacht of zij inwoner zijn van die Staat of niet, worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.”
Dat het Frankrijk (de andere Staat) is verboden om de belanghebbende als onderdaan van Nederland anders of zwaarder te belasten dan een Frans onderdaan helpt de belanghebbende niet in de Staat waarvan hij (wel) onderdaan is.
2.8
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch9.
2.9
Wat betreft art. 21bis UBIB is het Hof tot dezelfde conclusie gekomen als de Rechtbank, op grond van dezelfde artikelsgewijze toelichting (geciteerd in 2.5 hierboven). Dat in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd is, komt niet door een gering inkomen, maar door de voorkoming van dubbele belasting, zodat voorwaarde (c) in art. 21bis(1) UBIB niet is vervuld.
2.10
Het Hof heeft vervolgens art. 7.8 Wet IB 2001 jo. art. 21bis UBIB getoetst aan het Unierecht en uit de Schumacker-rechtspraak van het HvJ afgeleid dat negatieve inkomsten uit eigen woning geacht moeten worden een aftrekpost te zijn die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. In een gemeenschappelijke bijlage bij onder meer10.belanghebbendes zaak heeft het Hof op basis van die rechtspraak uitgewerkt hoe het vrije verkeer van personen en kapitaal zijns inziens moet worden toegepast in gevallen zoals dat van de belanghebbende, uitmondend in een stappenplan op basis van vier vragen:
“Samenvattend
29. Al het voorgaande leidt tot de volgende te nemen stappen:
1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie?
Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
Ik neem aan dat de 90%-inkomensgrens (stap 1), die niet in art. 7.8(6)(b) Wet IB staat (zie 4.3 hieronder) en die evenmin in de oordelen van het HvJ voorkomt, ‘s Hofs Nederlands-fiscaalrechtelijke vertaling is van de wél in art. 7.8(6)(b) Wet IB en in de oordelen van het HvJ voorkomende term ‘nagenoeg geheel.’
2.11
In belanghebbendes geval leiden deze stappen tot het volgende:
“4.9. Belanghebbende voldoet niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het hof stelt tevens vast dat belanghebbende en zijn echtgenote in Frankrijk geen belasting zijn verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast gezinsinkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. In het onderhavige geval kan deze breuk worden bepaald op € 13.054 / € 35.445 x 100% = 36,8%. De aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning zou dan voor 36,8% x € 5.338 = € 1.965 in aanmerking moeten worden genomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan € 11.089, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 35811., wat resulteert in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting van € 56712.(derde stap). De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Daarbij moet gekeken worden naar de heffing van zowel belanghebbende als zijn echtgenote indien zij in Nederland binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn. Voor belanghebbende zou moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.801 + € 13.054 -/- € 5.338 = € 17.517. De daarover verschuldigde belasting zou zijn € 490.13.Voor belanghebbendes echtgenote zou het belastbaar inkomen uit werk en woning € 9.605 + € 2.985 = € 12.590 bedragen. De daarover verschuldigde belasting zou zijn € 79.14.In totaal is dat meer dan de hiervoor berekende € 567, namelijk € 569. Aangezien de verschuldigde inkomstenbelasting in de navorderingsaanslag IB 2015 is vastgesteld op € 1.090, dient deze verminderd te worden tot € 569.”
2.12
Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom gegrond verklaard en de navorderingsaanslag overeenkomstig die berekening verminderd.
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van repliek.
3.2
De Staatssecretaris acht art. 7.8 Wet IB 2001 juncto art. 21bis(1)(c) UBIB 2001 en het EU-recht en/of art. 8:77 Awb geschonden door ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende voor 2015 recht heeft op een vermindering van de naar intern recht verschuldigde inkomstenbelasting. Hij is het eens met het Hof dat de belanghebbende geen beroep heeft op art. 21bis(1)(c) UBIB, maar niet met ’s Hofs uitleg van EU-recht. Nederland hoeft zijns inziens geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende, nu het gezinsinkomen ruim uitstijgt boven de Franse belastingvrije som. De verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen rust dan volgens hem alleen op de woonstaat:
“De verplichting rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie verschuift niet naar de werkstaat indien de belastinggrondslag in de woonstaat toereikend is om het mogelijk te maken dat deze overeenkomstig zijn wettelijke regeling rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
(…).
Niet in geschil is dat het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is verdiend. In geschil is of Frankrijk beschikt over voldoende belastbaar inkomen zodat belanghebbende aldaar in de belastingheffing wordt betrokken en rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hiervan is geen sprake indien het inkomen in Frankrijk in absolute zin zo gering zou zijn ('geen inkomsten van betekenis') dat (in het geheel) geen rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie in de woonstaat. Vgl. X, C283/15, punt 33. In de voorliggende situatie is de belastinggrondslag in Frankrijk toereikend om belanghebbende in de belastingheffing te betrekken, zodat Frankrijk, als woonstaat, kan voldoen aan zijn plicht om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Als ik het Hof goed begrijp, dan acht het Hof het bij de toepassing van de Schumacker-leer voorts relevant in welke mate de woonstaat een persoonlijke aftrekpost of tegemoetkoming verleent.15.Ik kan het Hof hierin niet volgen.
(…).
Het Hof is van oordeel dat Nederland als bronstaat (deels) rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Aan dit oordeel ligt onder meer ten grondslag 's Hofs vaststelling dat 1) belanghebbende en zijn echtgenote in Frankrijk geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd en 2) het in Frankrijk in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. (…). De eerste vaststelling is gebaseerd op het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2015 geen inkomstenbelasting in Frankrijk heeft betaald. (…). Mijns inziens is dit feit zo algemeen gesteld niet van doorslaggevend belang. Het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in Frankrijk kan (mede) veroorzaakt zijn door verleende aftrekposten en tegemoetkomingen die betrekking hebben op de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en zijn echtgenote. In dat geval is geen sprake van een verboden discriminatie.16.Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt dat het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in de woonstaat het gevolg dient te zijn van de aard (zie Wallentin, C-169/03) of de geringe omvang (zie Commissie v. Estland, C-39/10) van het inkomen, waardoor de belastingplichtige in zijn woonstaat niet in de belastingheffing wordt betrokken. Het Hof heeft ten onrechte niet onderzocht welke omstandigheden redengevend zijn geweest voor het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2015 in Frankrijk geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd.
De tweede vaststelling van het Hof berust op de onjuiste opvatting dat in een situatie waarin de woonstaat over voldoende belastbaar inkomen beschikt, vervolgens dient te worden onderzocht of ingevolge de nationale wetgeving van die woonstaat deze volledig of in voldoende mate rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Indien en voor zover dit laatste niet het geval is, verschuift naar het oordeel van het Hof de verplichting om met de persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden alsnog naar de bronstaat. Ik meen dat niet juist is 's Hofs opvatting dat gekeken moet worden naar de mate van tegemoetkoming in de woonstaat. Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat als voorwaarde heeft te gelden dat het belastbaar inkomen in de woonstaat voldoende hoog dient te zijn zodat de woonstaat ingevolge zijn belastingregels daadwerkelijk - cijfermatig - in voldoende mate (volledig en naar behoren) rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Onjuist is mijns inziens ook het uitgangspunt van het Hof dat in dit kader beoordeeld dient te worden welke fiscale faciliteiten in de woonstaat verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie (waarbij voor het begrip faciliteit die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie een ruime uitleg zou gelden). Naar mijn mening is niet van belang of en in welke mate de woonstaat bij de belastingheffing daadwerkelijk rekening houdt met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen.
(…).
Ik leid uit de rechtspraak van het HvJ af dat slechts indien in de woonstaat de belastinggrondslag niet toereikend is, zodat een belastingplichtige niet in de heffing wordt betrokken en de woonstaat geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, zich de uitzonderingssituatie voordoet dat de bronstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. (…).”
3.3
Het Hof is volgens de Staatssecretaris ten onrechte dispariteiten aan het oplossen. Nederland en Frankrijk hebben verschillende persoonlijke aftrekposten en tegemoet-komingen. Dat is niet in strijd met EU-recht. De Staatssecretaris verwijst daartoe naar HR BNB 2016/13117.en HR BNB 2021/1918.. Het Hof Den Bosch gaat er zijns inziens ten onrechte van uit dat emigratie van een belastingplichtige naar een andere EU-lidstaat te allen tijde fiscaal neutraal zou moeten uitwerken. Het EU-recht biedt de burger die garantie echter niet, zoals volgt uit de HvJ-arresten Lindfors19.en Schempp.20.
3.4
De Staatssecretaris concludeert:
“Belanghebbendes inkomen is niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting en dus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Nu het inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, dwingt het EU-recht Nederland niet om de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van Frankrijk over te nemen. Het belastbaar inkomen in Frankrijk is zodanig hoog dat aldaar rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dit betekent dat het EU-recht er niet toe dwingt dat Nederland daarmee (ook) rekening houdt bij de belastingheffing van belanghebbende.”
3.5
Bij verweer zet de belanghebbende uiteen waarom er volgens hem in Frankrijk geen mogelijkheid is om rekening te houden met de kosten voor de eigen woning. Hij wijst op de Franse regeling van de belastingvrije som die geldt tot een bepaald inkomen (le seuil d’imposition). Dat hij in Frankrijk geen belasting betaalt, komt door de belastingvrije som die voor alle inwoners van Frankrijk geldt, niet door aftrekposten vanwege zijn persoonlijke of gezinssituatie zoals hypotheekrenteaftrek. Hij merkt op dat hij sinds 2002 in Frankrijk woont en tot 2015 zonder problemen gebruik kon maken van de mogelijkheid om te kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige. Zijn financiële, persoonlijke en gezinssituatie is hetzelfde gebleven, maar zijn fiscale behandeling in Nederland is sinds 2015 wel veranderd. De belanghebbende meent dat de Inspecteur het recht op vrije vestiging ex art. 45 VwEU niet correct uitlegt, nu hij anders wordt behandeld dan een Nederlands ingezetene, onder meer bij fiscaal partnerschap, het inkomstenbestanddeel van de heffingskortingen en persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
4. Nationaal recht - art. 7.8 Wet IB 2001
4.1
Volgens de rechtspraak van het HvJ moet een EU-lidstaat onder omstandigheden een niet-inwoner fiscaal als inwoner behandelen. Een overzicht van die rechtspraak is opgenomen in de bijlage bij deze conclusie. Met art. 7.8 Wet IB 2001 (de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige), op 1 januari 2015 ingevoerd naar aanleiding van het onjuiste Gielen-arrest21.van het HvJ, beoogt Nederland aan die rechtspraak gevolg te geven. Vóór 2015 konden niet-inwoners naar het hen beter uitkwam kiezen tussen buitenlandse belastingplicht en behandeling als binnenlands belastingplichtige, maar in het genoemde Gielen-arrest heeft het HvJ dat keuzeregime, dat niet-ingezetenen bevoordeelde boven ingezetenen door hen een keuze te geven, ten onrechte als discriminatoir jegens die niet-ingezetenen aangemerkt. In zijn latere Hirvonen-arrest22.heeft hij die fout kennelijk ingezien en heeft hij een vergelijkbaar Zweeds keuzeregime wél aanvaard, daarbij verwoed – mijns inziens vergeefs – pogende om Hirvonen te onderscheiden van Gielen.23.Doordat Nederland door het Gielen-arrest ten onrechte werd gedwongen het interne-marktvriendelijke keuzeregime af te schaffen, worden niet-ingezetenen zoals de belanghebbende, voor wie behandeling als ingezetene voordelig was in verband met zijn hypotheekrente, thans geconfronteerd met een hogere heffing dan onder het door het HvJ onhoudbaar gemaakte keuzeregime. De belanghebbende wijst daar ook expliciet op (zie 3.6 hierboven).
4.2
Art. 7.8 Wet IB 2001 (zie 4.3 hieronder) biedt als gevolg van Gielen dus geen keuze meer. Een buitenlandse belastingplichtige die aan de criteria van die bepaling voldoet, wordt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. Volgens de hoofdregel van lid 6 gaat het om niet-ingezetenen die wonen in een andere EU-lidstaat en wier inkomen (nagenoeg) geheel in Nederland is onderworpen aan de loon- of inkomstenbelasting. Lid 8 in combinatie met art. 21bis UBIB 2001 breidt die kring uit voor gepensioneerden. Pensionados die in een andere EU-lidstaat wonen, kwalificeren ook als minder dan 90% van hun wereldinkomen in Nederland wordt belast als zij aannemelijk maken dat zij in hun woonland zo weinig inkomen genieten dat zij daar geen belasting betalen. Deze uitbreiding van de kring van kwalificerenden is een gevolg van het HvJ-arrest Commissie/Estland (zie onderdeel 2.30 e.v. van de bijlage bij deze conclusie).
4.3
De belanghebbende meent dat hij kwalificerend buitenlandse belastingplichtige is op grond art. 7.8(8) Wet IB 2001 juncto art. 21bis(1) UBIB 2001 Deze bepalingen luiden als volgt:
Art. 7.8 Wet IB 2001:
“1. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:1°.de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en
2°.de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6.
2. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap bepaald overeenkomstig afdeling 7.3, waarbij de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6 in aanmerking worden genomen.
3. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland bepaald overeenkomstig afdeling 7.4, waarbij:
a.de persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6 in aanmerking worden genomen, en
b.artikel 5.3, derde lid, eerste volzin, onderdeel f, en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing is.
(…).
6. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en:
a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of
b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting,
onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.
(…).
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het zesde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op vergelijkbare buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. De aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan ook betrekking hebben op een deel van het jaar.”
Art. 21bis UBIB 2001:
“1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet [bedoeld is kennelijk: (i) EU/EER-inwonerschap en (ii) inkomensverklaring woonland; PJW]; en
c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
2. Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet, en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3. Voor de inkomensverklaring, bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de wet, wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring.”
4.4
De partijen zijn het eens dat de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden (a) en (b) in art. 21bis(1) UBIB. In geschil is of ook aan voorwaarde (c) wordt voldaan. Op basis van alleen de tekst van die bepaling zou de belanghebbende daaraan kunnen voldoen: zijn wereldinkomen (€ 22.855) – dus zeker zijn aan Frankrijk toegewezen inkomen – blijft in zijn woonland Frankrijk beneden de daar geldende belastingvrije som. Ook het deel van het gezinsinkomen waarvan het heffingsrecht aan Frankrijk is toegewezen (€ 22.39124.) blijft beneden de Franse belastingvrije som ad € 27.240. Alleen het wereldgezinsinkomen vóór verdragstoepassing gaat boven die belastingvrije som uit.
4.5
De artikelsgewijze toelichting25.bij art. 21bis UBIB 2001 vermeldt (zie 2.5 hierboven) dat met wegens gering inkomen geen belasting verschuldigd zijn in het woonland wordt bedoeld dat “het wereldwijde inkomen (…) dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die (…) een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing (…) laten.” Dat doet zich volgens die toelichting niet voor in “de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.” Het gaat volgens de toelichting dus om het wereldinkomen vóór verdragstoepassing.
4.6
Het wereldgezinskomen ad € 35.44526.is hoger dan de Franse belastingvrije som ad € 27.240, maar de tekst van art. 21bis(1) UBIB dwingt op zichzelf niet tot uitleg van de term ‘inkomen in zijn woonland’ in de zinsnede “wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd” als ‘wereld(gezins)inkomen’. Dat de belanghebbende niet kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige volgt dus niet rechtstreeks uit de tekst van die bepaling, maar wel uit de boven (2.5) geciteerde toelichting bij art. 21bis UBIB 2001. Die toelichting, die de term “inkomen” in die zinsnede uitlegt als ‘wereldinkomen’ en niet als ‘aan het woonland toegewezen inkomen’, is geenszins onverenigbaar met die tekst, zodat ik geen aanleiding zie om aan die toelichting voorbij te gaan. Naar nationaal recht heeft de belanghebbende dan geen aanspraak op Nederlandse tegemoetkomingen zoals hypotheekrenteaftrek voor zijn eigen woning in Frankrijk.
4.7
Het UBIB kan echter het EU-recht niet opzij zetten, zodat beoordeeld moet worden of EU-recht Nederland noopt tot tegemoetkoming van de belanghebbende op het punt van renteaftrek.
5. Het vrije verkeer van personen - de Schumacker-rechtspraak en art. 7(2) Vo. 492/2011
5.1
Het Hof ’s-Hertogenbosch legt de Schumacker-rechtspraak van het HvJ aldus uit dat als 90% of meer van het wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonstaat, in één werkstaat wordt belast, die werkstaat de volle fiscale waarde van zijn persoonlijke tegemoetkomingen aan de belastingplichtige moet geven. Als er meer werkstaten zijn, of als niet wordt voldaan aan dit 90%-criterium, maar desondanks het in de woonstaat belaste deel van het inkomen te laag is om de daar vigerende fiscale tegemoetkomingen (volledig) te benutten, moet(en) de werksta(a)t(en) de daar vigerende persoonlijke fiscale tegemoet-komingen verlenen voor een breukdeel dat resulteert als het in de werkstaat belaste deel van het inkomen wordt gedeeld door het wereldinkomen, maar met een plafond: de niet-ingezetene hoeft niet gunstiger belast te worden dan een ingezetene met hetzelfde belaste inkomen in vergelijkbare omstandigheden.
5.2
Zoals in de bijlage bij deze conclusie is uiteengezet, is de Schumacker-rechtspraak van het HvJ onverenigbaar met het EU-recht doordat zij de principiële vergelijkbaarheid van ingezetenen en niet-ingezetenen ontkent en de woonstaat ten onrechte verantwoordelijk maakt voor de discriminatie door de werkstaat die ten onrechte nationale behandeling weigert (zie onderdeel 2.3. e.v. van de bijlage). Rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen in de werkstaat door hen elke nationale fiscale tegemoetkoming te weigeren die ingezetenen wél krijgen, is onverenigbaar met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling), (ii) de letterlijke teksten van art. 7(2) Vo. 1612/6827.en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/201128.inzake het vrije verkeer van werknemers (zie onderdelen 1.3 en 1.8 van de bijlage), en met ’s Hofs andere dan Schumacker-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden (zie onderdeel 2 van de bijlage).
5.3
Het EU-recht eist onmiskenbaar nationale fiscale behandeling van niet-ingezetenen door de bronstaat, nl. toekenning van “dezelfde (…) fiscale voordelen” als ingezetenen, aldus de genoemde EU-Verordeningen. Dat betekent dat Nederland als bronstaat de belanghebbende niet alleen pro rata hypotheekrenteaftrek moet geven, maar EU-rechtelijk verplicht is niet-ingezetenen pro rata (naar de mate waarin Nederland hun wereldinkomen belast) als inwoner te belasten voor alle bestanddelen van het inkomen en alle fiscale inwonersfaciliteiten. Nederland moet niet-ingezetenen net als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen vervolgens dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook het evenredige deel van de Nederlandse persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc.
5.4
De evenredigheidsmethode is per definitie in overeenstemming met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Weigering van de door art. 45 VwEU en art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 geëiste nationale behandeling (dus als inwoner) is per definitie in strijd met het EU-rechtelijke discriminatieverbod en het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Er bestaat geen enkele mandatory requirement of public interest die een dergelijke discriminatie zou kunnen rechtvaardigen: van misbruik is geen sprake, evenredige belasting is per definitie coherent en de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid is verzekerd. En reeds in het Bachmann-arrest29.van 1992 oordeelde het HvJ dat administratieve problemen bij het vergaren van gegevens uit andere lidstaten geen excuus voor discriminatie kunnen zijn omdat de lidstaten gebruik kunnen maken van de EU-richtlijnen inzake fiscale gegevensuitwisseling. Sindsdien heeft de automatische en digitale gegevensuitwisseling een enorme vlucht genomen, waardoor dat niet-geldige administratieve excuus alleen maar aan kracht heeft verloren.
5.5
Mijns inziens moeten ’s Hofs stappen 1 t/m 3 dus worden overgeslagen en is alleen stap 4 relevant én vereist. Nederland is verplicht tot nationale behandeling – evenredige inwonerbehandeling - ongeacht het percentage van zijn (gezins)inkomen dat aan Nederland is toegewezen en ongeacht of het aan Frankrijk toegewezen deel van zijn (gezins)inkomen de Franse belastingvrije som al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in belanghebbendes fiscale positie in zijn woonstaat Frankrijk. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ die verklaart dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 van de bijlage). De inkomensbreukbenadering die het HvJ voor de werkstaten toepaste in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak X – wél enig woonstaatinkomen van betekenis is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
5.6
Omdat pro rata binnenlandse belastingplicht niet-ingezetenen beter behandelt dan de onjuiste Schumacker-rechtspraak doet, heeft het op zichzelf geen zin om het HvJ prejudiciële vragen te stellen. Het staat een lidstaat immers EU-rechtelijk vrij om niet-ingezetenen beter te behandelen dan het HvJ doet.
5.7
Nationale rechters zullen het echter, mede gegeven de art. 93, 94 en 120 Grondwet, lastig vinden om discriminerend nationaal recht als onverenigbaar met EU-recht buiten toepassing te laten zonder rugdekking door rechtspraak van het HvJ, dus zolang het HvJ niet stilzwijgend (hij doet dat nooit transparant) omgaat, ook als, zoals in casu, het niet-volgen van die onjuiste rechtspraak geen schending van EU-recht kan produceren. Pro rata toekenning van werkstaattegemoetkomingen leidt evenmin tot – omgekeerd - discriminatie van ingezetenen, nu zij immers juist gelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen inhoudt, zodat ook geen probleem met het Twaalfde Protocol EVRM (algemeen discriminatieverbod) kan ontstaan. Evenmin ontstaat spanning met art. 104 Grondwet (fiscaal legaliteitsbeginsel), nu het niet om heffing, maar om op rechtstreeks werkend EU-recht gebaseerde reductie van de volgens de nationale wet verschuldigde belasting gaat.
5.8
Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de correcte inkomensbreukbenadering die hij in de zaak X (C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) toepaste op de twee betrokken werkstaten, thans ook - in afwijking van zijn Schumacker-rechtspraak - zal toepassen op de woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch die kant op te begeleiden door hem prejudiciële vragen voor te leggen in onze bronstaatcasus, gegeven dat het hoe dan ook onduidelijk is waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals onze belanghebbende, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaat(gezins)inkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen volledig te absorberen (zie onderdeel 1.13 van de bijlage bij deze conclusie).
5.9
Ik geef u daarom in overweging het HvJ prejudicieel vragen voor te leggen van de volgende strekking:
Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/6830. en art. 7(2) Vo. 492/201131. inzake het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als het in de woonstaat belaste inkomen weliswaar significant is (in casu wordt 60% van het echtelijke inkomen bij belastingverdrag toegewezen aan de woonstaat) maar het woonstaatinkomen desondanks beneden de belastingvrije som in de woonstaat blijft, waardoor die belastingvrije som niet volledig benut kan worden?
Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige – zoals in casu – een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar zijn woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen – zoals in casu de Franse belastingvrije som – volledig te absorberen?
6. Conclusie
Ik geef u in overweging prejudiciële vragen aan het HvJ voor te leggen en de zaak aan te houden totdat antwoorden verkregen zullen zijn.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 april 2021, nummer BRE 20/4815.
Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1574, FutD 2022-1567, NLF 2022/1145 met noot Swaving Dijkstra, V-N 2022/29.3 en NTFR 2022/3307 met noot Fijen.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Zie art. 18 (pensioenen) en art. 19(1) (overheidsfuncties) van het belastingverdrag tussen Nederland enFrankrijk (Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de FranseRepubliek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting metbetrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Trb. 2004, 150.)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 april 2021, nummer BRE 20/4815.
Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2014, 579, p. 19.
De AOW-uitkeringen ad € 9.801 en € 9.605 en de overige pensioenen ad € 13.054 en € 2.985 leiden tot een totaal gezinsinkomen ad € 35.445.
Hof ’s-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1574, FutD 2022-1567, NLF 2022/1145 met noot Swaving Dijkstra, V-N 2022/29.3 en NTFR 2022/3307 met noot Fijen.
Bij het Hof waren meer zaken aanhangig waarin de betekenis van de Schumacker-rechtspraak van het HvJ aan de orde is. Het Hof heeft daarom in een gemeenschappelijke bijlage bij al die zaken de lijn uitgezet die hij volgt bij de toepassing van het EU-recht in gevallen vergelijkbaar met die van de belanghebbende.
Voetnoot in origineel: Algemene heffingskorting 8,35/36,5 x € 2.203 = € 504. Ouderenkorting 8,35/18,6 x € 1.042 = € 468. In totaal € 972. Een evenredig deel daarvan bedraagt 36,8% x € 972 = € 358.
Voetnoot in origineel: 8,35% x € 11.089 = € 925 -/- € 358 = € 567.
Voetnoot in origineel: 8,35% x € 17.517 = € 1.462 minus € 972 = € 490.
Voetnoot in origineel: 8,35% x € 12.590 = € 1.051 minus € 972 = € 79.
Voetnoot in origineel: “Zie onderdeel b van de Bijlage over de Schumacker-rechtspraak van het HvJ.”
Voetnoot in origineel: “Zie Rechtbank Zeeland-West Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107.”
HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:696.
HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1472.
HvJ 15 juli 2004, C-365/02, Landfors,ECLI:EU:C:2004:449, na conclusie Stix-Hackl, V-N 2004/50.18.
HvJ 12 juli 2005, C-403/03, Schempp,ECLI:EU:C:2005:446, na conclusie Geelhoed, BNB 2005/342 met noot Meussen.
HvJ 18 maart 2010, C-440/08, Gielen, ECLI:EU:C:2010:148, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, BNB 2010/179 met noot Kavelaars.
HvJ 19 november 2015, C-632/13, Hirvonen, ECLI:EU:C:2015:765, zonder conclusie, V-N 2004/50.18.
Zie daarover nader Hein Vermeulen, ‘Individual Income Taxation’, Ch. 13 in Terra/Wattel, European Tax Law, Wolters-Kluwer, 8th ed. 2022, para. 13.5 (Option to be Taxed as a Resident).
De AOW-uitkering van € 9.801 van belanghebbende en van diens echtgenote de AOW-uitkering van € 9.605 en een pensioenuitkering van € 2.985. Dit is in totaal van € 22.391.
Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2014, 579, p. 19.
De AOW-uitkeringen ad € 9.801 en € 9.605 en de overige pensioenen ad € 13.054 en € 2.985 leiden tot een totaal gezinsinkomen ad € 35.445.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
HvJ 28 januari 1992, C-204/90, Bachmann,ECLI:EU:C:1992:35, na conclusie Mischo, FED 1992/286, met noot Wattel.
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, Publicatieblad Nr. L 257 van 19/10/1968, blz. 2 – 12.
Vo. (EU) Nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.