Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/4.2.1.1
4.2.1.1 Productieve arbeidsprestatie
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583433:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer: De Wolff, ArbeidsRecht 2012/16; Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 58.
HR 29 oktober 1982, NJ 1983, 230, m.nt. P.A. Stein (Hesseling/Ombudsman), r.o. 3.
De toets uit het arrest Hesseling/Ombudsman is nadien meermaals toegepast in zaken betreffende de kwalificatie van een stage- of leerwerkovereenkomst betrof, zie in dit verband onder meer: HR 10 juni 1983, NJ 1984, 60; HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2118, tevens NJ 1996, 711 (Verhoef/Van Zuijlen); Rb. Maastricht (vzr.) 14 mei 2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AO0171, tevens JAR 2003/156; Rb. Utrecht 3 mei 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4351, tevens JAR 2007/181; Rb. Noord-Nederland 5 november 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:6642; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex), tevens NJ 2016, 276 en TRA 2016/5 m.nt. J.J.M. de Laat, ‘Stageplekken: acrobatiek in een vierpartijenovereenkomst?’; Rb. Midden-Nederland 6 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:15; Rb. Midden-Nederland 15 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:553 en Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:404 (Logidex), tevens JAR 2018/78 m.nt. S. Said.
HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722, tevens JAR 2006/119 en NJ 2007, 447 m.nt. Verhulp (UvA/Beurspromovendi).
Zie tevens: hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365, tevens JAR 2013/157, m.nt. A.M. Helstone, waarin het ging om de vraag of promovendi aan de Rijksuniversiteit Groningen aldaar in dienst waren. Hoewel weliswaar (ook) werd geoordeeld dat sprake was van arbeid in de zin van art. 7:610 BW, werd vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding niettemin geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.
HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex), tevens NJ 2016, 276 en TRA 2016/5 m.nt. J.J.M. de Laat, ‘Stageplekken: acrobatiek in een vierpartijenovereenkomst?’.
Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:404 (Logidex), tevens JAR 2018/78 m.nt. S. Said.
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:1746 (X/Gemeente Amsterdam). Zie verder: paragraaf 5.2.
Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers.
Hof Amsterdam 16 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1327, r.o. 3.5-3.6. Zie hierover kritisch: A. Eleveld, JAR 2019/216.
Zie over de wetssystematische verhouding tussen art. 7:610 BW en art. 10a Participatiewet uitgebreid: Laagland & Said, ArA 2021/2, onder 3.1.
Interessant is dat dit cassatiemiddel volgens A-G De Bock wel diende te slagen, nu het hof volgens haar ten onrechte in het midden heeft gelaten of betrokkene wel of niet dezelfde werkzaamheden heeft verricht als de bij de gemeente werkzame uitzendkrachten. Daardoor is ten onrechte niet beoordeeld of voldaan is aan het vereiste dat het moet gaan om additionele werkzaamheden en dat geen sprake mag zijn van verdringing, aldus de A-G. Zie: ECLI:NL:PHR:2020:698 onder 12.51.
De kwalificatievraag speelt niet alleen bij het onderscheid tussen zelfstandige en onzelfstandige arbeid, maar ook bij het onderscheid tussen wel en niet productieve arbeid.1 De vraag of sprake is van productieve arbeid doet zich onder meer voor in het kader van de kwalificatie van leerwerk- en stageverhoudingen, die tot stand komen zodat de leerling of stagiair in de praktijk kennis en ervaring kan opbouwen, om uiteindelijk als ‘volwaardig’ werknemer aan het werk te kunnen. Het feit dat deze verhoudingen een leerelement kennen, sluit niet uit dat vanaf enig moment sprake is van arbeid die (ook) van economische waarde is voor het bedrijf. Het is de vraag of vanaf dat moment kan worden gesproken van productieve arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. De Hoge Raad heeft in het arrest Hesseling/Ombudsman overwogen dat in dat scenario moet worden onderzocht of de werkzaamheden gericht zijn op het uitbreiden van de eigen kennis en ervaring, mede met het oog op de voltooiing van de betreffende opleiding.2 Bepalend is dus met welk doel de rechtsverhouding tot stand is gekomen. Het enkele feit dat een leerling of stagiair (vanaf enig moment) arbeid verricht die voor het bedrijf van economische waarde is, brengt dus niet zonder meer mee dat ook sprake is van productieve arbeid in de zin van artikel 7:610 BW.3
Andersom brengt het feit dat de arbeid een educatief element heeft ook niet zonder meer mee dat geen sprake kan zijn van arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. Zo oordeelde de Hoge Raad in het arrest UvA/Beurspromovendi dat de onderzoek- en onderwijswerkzaamheden van de betreffende promovendi als arbeid in de zin van artikel 7:610 BW konden worden aangemerkt, ondanks het opleidingskarakter van deze arbeid. Daarbij werd onder meer van belang geacht dat de promotieonderzoeken bijdroegen aan het bereiken van de maatschappelijke doelstelling van de universiteit, en dat de universiteit bovendien een financieel belang had bij het realiseren van promoties.4 De werkzaamheden van de promovendi waren daarmee niet primair gericht op het vergroten van de eigen kennis en het opdoen van werkervaring, maar op het leveren van een bijdrage aan de maatschappelijke doelstellingen van de universiteit.5
De vraag of sprake was van productieve arbeid in het kader van een leerwerkverhouding kwam eveneens aan bod in het arrest Logidex uit 2015.6 Logidex is een bemiddelaar in de logistieke sector die in opdracht van onderwijsinstellingen leerlingen bij bedrijven plaatst, zodat deze leerlingen de in het kader van hun opleiding verplichte werkervaring kunnen opdoen. Het ging in dit geschil om de vraag of Logidex als uitzendbureau optrad, en (dus) gehouden was de (destijds algemeen verbindend verklaarde) cao binnen de uitzendbranche na te leven. Voor de beantwoording van die vraag is onder meer van belang of de leerlingen die Logidex plaatste al dan niet werkzaam waren op basis van arbeidsovereenkomsten. Het hof Den Haag oordeelde dat dit het geval was, nu volgens het hof sprake was van productieve arbeid. Het arrest van het hof werd vernietigd vanwege motiveringsgebreken, waarna de zaak werd doorverwezen naar het hof Amsterdam. Anders dan het hof Den Haag, kwam het hof Amsterdam tot het oordeel dat de leerlingen geen productieve arbeid verrichtten. Voor dit oordeel was onder meer van belang dat de leerlingen in het kader van de opleiding opdrachten en toetsen binnen het leerbedrijf moesten maken, en dat de plaatsing van de leerlingen enkel voortduurde zolang er voor de leerlingen nog wat te leren viel. Bij tussentijdse beëindiging of voltooiing van de beroepspraktijkvorming eindigde de overeenkomst van rechtswege, zodat er een sterke koppeling tussen arbeid en opleiding bestond. Ten aanzien van de productieve waarde van de arbeid overwoog het hof dat ‘het ten minste kwestieus is of en in welke mate de leerling voor het leerbedrijf in zodanige mate productieve arbeid verricht, dat deze arbeid ook voor het leerbedrijf rendabel is.’7 Het hof leek hiermee de lat voor wat betreft de productiviteit van de arbeid vrij hoog te leggen: niet alleen moet de arbeid productieve waarde hebben, maar het leerbedrijf moet hier – ook na aftrek van de met de begeleiding gemoeide kosten – daadwerkelijk profijt van hebben, wil sprake zijn van productieve arbeid ex artikel 7:610 BW.
Het element arbeid kwam eveneens aan bod in het arrest X/Gemeente Amsterdam uit 2020.8 Het betrof in deze kwestie een IOAW-gerechtigde die werkzaamheden verrichtte behorend bij de functie van Medewerker Servicedesk bij de gemeente Amsterdam, in het kader van een re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet.9 Ingevolge dat artikel dient het daarbij te gaan om ‘onbeloonde additionele werkzaamheden’, in de wet omschreven als primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden, die onder verantwoordelijkheid van de gemeente worden verricht, naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het hof onvoldoende aandacht zou hebben besteed aan de stelling van de IOAW-gerechtigde dat sprake was van reguliere in plaats van additionele werkzaamheden. Het hof leek ervan uit te gaan dat sprake was van productieve arbeid, maar kwam desalniettemin tot het oordeel dat geen sprake was van arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. Hoewel in dit verband belangrijke betekenis toekwam aan de achtergrond van de Participatiewet, liet het hof in het arrest onbesproken of al dan niet sprake was van additionele arbeid.10 Hierdoor valt uit het arrest van het hof niet op te maken of het oordeel omtrent het element arbeid samenhing met het additionele karakter van de arbeid, of dat om andere redenen niet van arbeid in de zin van artikel 7:610 BW kon worden gesproken.11 De klachten die zich tegen dit onderdeel van het arrest richtten konden niet tot cassatie leiden.12 Opvallend is dat de Hoge Raad in het arrest in het geheel niet stilstaat bij de begrippen additionele en productieve arbeid, en de wijze waarop deze begrippen zich tot elkaar verhouden. Daarmee heeft de Hoge Raad de onduidelijkheid in het arrest van het hof – spijtig genoeg – in stand gelaten.