Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.4.1:5.4.1 Inleiding
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575232:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Steenbergen & Van der Woude 2004, p. 192.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf bespreek ik de institutionele verhouding tussen de nationale rechter en de Europese Commissie onder het regime van Verordening 1/2003. De nationale rechters staan sinds de invoering van Verordening 1/2003 op gelijke voet met de mededingingsautoriteiten. De institutionele verhouding tussen de nationale rechter en de Europese Commissie roept de nodige vragen op. Onder het regime van de huidige Verordening 1/2003 is de rol van de rechter voor wat betreft de toepassing van artikel 81 EG (en als gevolg daarvan ook de toepassing van artikel 6 Mw) daadwerkelijk veranderd. Zo hoeft de rechter niet meer te onderzoeken of het om een aanmeldingsplichtige overeenkomst gaat en of de overeenkomst daadwerkelijk is aangemeld bij de Europese Commissie.
De Commissie heeft de rol van de rechter en de nationale mededingingsautoriteiten krachtig gestimuleerd door de nationale rechter en nationale mededingingsautoriteiten aan te moedigen hun aandeel te nemen in de toepassing van het Europees mededingingsrecht.1 In de per 1 mei 2004 in werking getreden Verordening 1/2003 zet deze trend zich voort. De stimulering van de privaatrechtelijk handhaving van het mededingingsrecht is dan ook een van de doelen van de aanname van Verordening 1/2003 en de daarmee gepaard gaande modernisering en decentralisering van de handhaving van het mededingingsrecht. Het jarenlang streven van de Commissie naar een meer decentrale toepassing van het Europees mededingingsrecht, lijkt met de nieuwe verordening een voorlopig hoogtepunt te hebben bereikt. Verordening 1/2003 berust op drie pijlers:
afschaffing van het systeem van machtiging en aanmelding;
gedecentraliseerde toepassing van het mededingingsrecht;
versterking van de controle achteraf.
Verordening 1/2003 legt de procedures betreffende de toepassing van de artikelen 81 en 82 EG op communautair niveau vast en kadert de procedures voor de toepassing van deze artikelen op nationaal niveau in.2