Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.1.4
13.3.5.1.4 De uitnodiging en de aanmaning
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940215:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 13.3.2.
Of hetzelfde geldt voor de verzuimvariant, hangt af van het antwoord op de vraag of het arrest Lucky Dev meebrengt dat het bewijs mag worden geleverd naar de lichte gradatie (zie paragraaf 13.3.1 en paragraaf 13.3.2).
In deze zin ook Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 3 februari 2023, V-N 2023/9.18.
Zie paragraaf 9.3.3.2.1.
Zie over de rol van vermoedens bij het bewijs van de centrale stellingen nader paragraaf 13.3.5.3.1 hierna.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2022, V-N 2022/26.15.
HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.7.2, HR 17 juni 2022, V-N 2022/27.15, BNB 2022/119, r.o. 2.5.1, HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, BNB 2023/73, r.o. 3.4.2. De Hoge Raad hanteerde uitdrukkelijk de gradatie ‘buiten redelijke twijfel’ respectievelijk ‘overtuigend aantonen’. Het ging in deze arresten om de specifieke context van de – inmiddels gewijzigde – beoordeling van ontvankelijkheidsvraagstukken in de boetesfeer (waarover nader in paragraaf 15.4.3.3).
HR 30 september 2022, V-N 2022/42.17. De Hoge Raad koppelt daar de (cumulatieve) vereisten van de uitnodiging en de aanmaning nadrukkelijk aan het bestanddeel van het ‘niet doen van de aangifte’ uit de delictsomschrijving van art. 67d lid 1 AWR (zie r.o. 2.1 en 2.2). Uit het arrest van 8 april 2022 volgt dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
Een alternatieve bewijsconstructie is de volgende. De eerste stap is dat de inspecteur de verzending van de uitnodiging en de aanmaning ‘beyond reasonable doubt’ bewijst. Als dat lukt, is de tweede stap – daarop voortbordurend – het vermoeden van ontvangst (dat gerechtvaardigd is vanwege het bewijs van de verzending). Als dat vermoeden vervolgens niet wordt ontzenuwd, wordt ook die ontvangst (in het verlengde van de verzending) geacht buiten redelijke twijfel te zijn bewezen. Of deze bewijsconstructie houdbaar is, betwijfel ik: het vermoeden is als bewijsmiddel immers naar zijn aard minder geschikt om bewijs te leveren dat aan de zware gradatie voldoet (zie daarover nader paragraaf 10.2.2).
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 14 juni 2022, V-N 2022/37.18.36, r.o. 3.9 (verzuimboete) en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 20 april 2023, V-N 2023/38.19 (verzuimboete, aanmaning).
Zie HR 13 juni 2014, V-N 2014/35.1.3, waarin het cassatieberoep onder verwijzing naar art. 81 Wet RO werd afgewezen. Het Hof had geoordeeld dat de inspecteur niet overtuigend hoefde te bewijzen dat de aanmaning was verzonden, maar dat hij dit slechts aannemelijk hoefde te maken. Hierbij moet worden aangetekend dat dit arrest is gewezen ruim vóór het arrest van 8 april 2022 (zodat niet zeker is of de Hoge Raad nu nog hetzelfde zou oordelen). Dat laatste geldt ook voor het arrest HR 15 december 2006, V-N 2006/65.5, BNB 2007/112, NTFR 2006/1781, waarin de Hoge Raad in r.o. 3.2.2 oordeelde: ‘In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt.’ (zie ook r.o. 3.2.3 waarin deze gradatie terugkomt).
Voor sommige boetes geldt dat deze pas kunnen worden opgelegd nadat is vastgesteld dat de boeteling correct is uitgenodigd en is aangemaand.1 Eerder merkte ik op dat die vereisten weliswaar niet met zoveel woorden in de delictsomschrijving staan, maar wel constitutieve vereisten zijn voor het opleggen van de boete.2 De (ontvangst van een) uitnodiging en de (ontvangst van een) aanmaning moeten naar mijn mening daarom als centrale stellingen worden aangemerkt. Het bewijs moet dan dus ‘beyond reasonable doubt’ worden geleverd (in ieder geval voor wat betreft de vergrijpvariant3).4 Uit de jurisprudentie volgt dat wanneer de inspecteur slaagt in het bewijs van de verzending van de uitnodiging en de aanmaning, dat op zichzelf een vermoeden van ontvangst door de boeteling rechtvaardigt.5 Dat vermoeden kan vervolgens door de boeteling worden ontzenuwd.6
Naar mijn mening brengt het arrest van 8 april 2022 mee dat de inspecteur in ieder geval de verzending van de uitnodiging en de aanmaning ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.7 In enkele arresten over de bewijslast ter zake van de verzending van besluiten door de inspecteur kan steun worden gevonden voor dat uitgangspunt.8 Datzelfde geldt voor het arrest waarin de Hoge Raad de aanmaningseis voor de vergrijpboete van art. 67d AWR bevestigde.9 Ik acht het mogelijk dat de inspecteur (ook) de ontvangst ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen, aangezien vanwege de onschuldpresumptie elke twijfel in het voordeel van de boeteling moet worden uitgelegd.10
Intussen is ook in de feitenrechtspraak en in de literatuur steun te vinden voor de opvatting dat de inspecteur ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen dat de boeteling is uitgenodigd en aangemaand.11 Het is echter niet geheel uit te sluiten dat de Hoge Raad genoegen neemt met het aannemelijk maken daarvan.12 Voor wat betreft de vergrijpvariant zou dat naar mijn opvatting in strijd komen met de onschuldpresumptie.