Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.6.2.3
5.6.2.3 De functie van de paritas creditorum bij een faillissementsakkoord
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686236:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 18 december 2018, JOR 2019/112.
Vgl. voor een akkoord waarbij met een vast bedrag wordt gewerkt het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015, JOR 2015/317 (Spyker) onder 3.4.4: “Het hof constateert met LKB voorts dat met het aangeboden akkoord de gelijkheid van de concurrente crediteuren niet in elk opzicht in acht is genomen: de kleine crediteuren (vorderingen tot € 12.000, -) krijgen hun vordering volledig betaald, de grote schuldeisers (vorderingen vanaf € 12.000, -) krijgen € 12.000, - vermeerderd 10 % van het meerdere van hun vordering en enkele crediteuren - onder wie niet LKB - krijgen hun volledige vordering omgezet in (risicodragend) aandelenkapitaal in de nieuwe onderneming Spyker, waarmee zij een soort kanscontract hebben ontvangen (de conversie-schuldeisers).”
Vgl. Rb. Rotterdam 18 december 2018, JOR 2019/112: “Daarmee komt de rechtbank toe aan beoordeling van de vraag of …… de doorbreking van de paritas creditorum anderszins aan homologatie in de weg staat (artikel 272 lid 3 Fw).” Artikel 272 lid 3 Fw geldt in het geval van een surseance-akkoord, maar is identiek aan artikel 153 lid 3 Fw.
Zie nader hierover paragraaf 5.3.2.
Vgl. Soedira 2011, p. 104.
Een sluipakkoord is aan de orde wanneer bepaalde schuldeisers buiten het akkoord om bijzondere voordelen worden geboden, met als doel de schuldeisers te bewegen voor het akkoord te stemmen. In artikel 345 Sr. wordt het aangaan van een sluipakkoord strafbaar gesteld.
Rb. Utrecht 9 augustus 1989, NJ 1990/399 (Breevast).
Met Tollenaar ben ik van mening dat de rechtvaardiging ten onrechte in sommige uitspraken wordt gezocht in het kunnen verkrijgen van voldoende stemmen. “Het valt aan te nemen dat, zoals vaker voorkomt, ook in dit geval de reden voor het onderscheid tussen grote en kleine crediteuren louter is geweest om zich van de vereiste meerderheid in aantal te verzekeren (beïnvloeding van de stemuitslag). Een legitieme reden voor een ongelijke behandeling van gelijkgerechtigde schuldeisers lijkt mij dit niet.” Zie randnummer 8 van zijn annotatie bij het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5413, JOR 2015/317 (Spyker II).
In het kader van de hiervoor besproken jurisprudentie zijn telkens door de schuldenaar en de schuldeisers verdelingsafspraken gemaakt die afwijken van de verdelingsregel van de paritas creditorum. Zo heeft de rechtbank Rotterdam1 – ondanks tegenspraak van diverse concurrente schuldeisers –een akkoord gehomologeerd waarbij de concurrente schuldeisers volgens de volgende staffel betaald worden:
aan alle schuldeisers wordt van de eerste EUR 1000, 70 procent betaald;
aan alle schuldeisers wordt van de schuld tussen EUR 1.000,01 en EUR 2.500, 50 procent betaald;
aan alle schuldeisers wordt van de schuld tussen EUR 2.500,01 en EUR 5.000, 20 procent betaald;
aan alle schuldeisers wordt van de schuld tussen EUR 5.000,01 en EUR 7.500, 10 procent betaald;
aan alle schuldeisers wordt van de schuld tussen EUR 7.500,01 en EUR 50.000, 1,25 procent betaald;
aan alle schuldeisers wordt van de schuld tussen EUR 50.000,01 en EUR 500.000, 1 procent betaald;
van het restant vanaf het bedrag van EUR 500.000,01 wordt 0,75 procent van de openstaande facturen voldaan.”2
Bij dit akkoord worden de concurrente schuldeisers dus in zeven verschillende categorieën onderverdeeld, waarbij voor iedere categorie een ander uitkeringspercentage geldt. Als in deze situatie de paritas creditorum zou zijn toegepast, was er slechts sprake van één klasse (te weten de klasse van alle concurrente schuldeisers tezamen) waarbij binnen deze klasse iedere schuldeiser exact hetzelfde uitkeringspercentage zou ontvangen. De in het akkoord gemaakte afspraken zijn dan ook in strijd met de verdelingsregel van de paritas creditorum. Vergelijkbare afspraken in strijd met de paritas creditorum komen veelvuldig voor in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie. Indien een dergelijke afspraak is overeengekomen, moet vervolgens bij de homologatie aan de hand van artikel 153 lid 3 Fw (“Zij kan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren”) worden onderzocht of deze doorbreking van de paritas creditorum aan de homologatie in de weg staat.3
In de rechtspraak wordt niet geëxpliciteerd welke functie de paritas creditorum in dit kader van de homologatie precies heeft. Naar mijn mening moet de rechtspraak als volgt worden begrepen. De paritas creditorum wordt in het kader van de toetsing op de voet van artikel 153 Fw naar analogie toegepast, zij het uitsluitend als modelnorm waarvan tot op zekere hoogte kan worden afgeweken. Naar analogie, want zoals hiervoor toegelicht is de paritas creditorum niet rechtstreeks van toepassing. Het gaat hier dus om een toepassing van de regel zoals die ook plaatsvindt in het kader van de verdeling van de baten bij de opheffing van een faillissement vanwege de toestand van de boedel.4 Voorts wordt de paritas creditorum gebruikt als modelnorm, want enerzijds is de paritas creditorum het uitgangspunt, terwijl anderzijds er mogelijkheden zijn om hiervan af te wijken. Er vindt een vergelijking plaats tussen de situatie dat de paritas creditorum wel zouden worden toegepast en de situatie die voorligt in het concept-akkoord. De paritas creditorum is hierbij geen dwingende regel, nu hiervan onder omstandigheden kan worden afgeweken. Aldus is de paritas creditorum een modelnorm waarvan tot op zekere hoogte kan worden afgeweken. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder van deze modelnorm kan worden afgeweken, geldt naar mijn mening het volgende.
Als de schuldeisers integraal instemmen met een akkoord waarbij de paritas creditorum wordt geschonden, dient de rechter niet te weigeren het akkoord te homologeren op de enkele grond dat de paritas creditorum niet in acht is genomen.5 De ratio hierachter is dat – als sprake is geweest van een eerlijke procedure waarbij er buiten de procedure om geen onoirbare zaken hebben plaatsgevonden (zoals het aangaan van een sluipakkoord6) – het democratisch proces en de uitkomst waarbij zowel de schuldenaar als de gezamenlijke schuldeisers instemmen, de homologatie legitimeren.
Als schuldeisers met een relatief kleine vordering volledig worden betaald, terwijl het totale bedrag dat met deze betalingen is gemoeid – gelet op het totaal te verdelen bedrag – relatief gering is, dient de doorbreking te worden toegestaan. In de Breevast-zaak werd in een dergelijke situatie overwogen: “Evenmin is een beletsel te achten, dat aan een enkele kleine schuldeiser om het akkoord haalbaar te doen zijn een hoger percentage wordt geboden dan aan de overige schuldeisers nu daarmede niet meer dan 0,003% van het aanwezig vermogen is gemoeid.”7 De ratio achter deze, wat ik zou noemen bagatelregel (het bedrag wat gemoeid is met de afkoop van de kleine schuldeisers is verwaarloosbaar gelet op het totaal te verdelen bedrag), is de bevordering van een efficiënte afwikkeling. De kosten verbonden aan het aanschrijven van en onderhandelen met schuldeisers wegen niet op tegen het uit te keren bedrag. Daar ligt naar mijn mening de rechtvaardiging van de doorbreking van de paritas creditorum.8
Als de bagatelregel zich niet voordoet, terwijl de doorbreking van de paritas creditorum voor een belangrijk deel de schuldeisers die tegenstemmen benadeelt (in vergelijking met het uitkeringspercentage dat schuldeisers die voor stemmen ontvangen), acht ik de doorbreking van de paritas creditorum in beginsel niet gegrond.
De conclusie is dat – anders dan in de uitdelingsprocedure na een verificatievergadering – in het kader van een akkoord de gerealiseerde baten van de boedel niet hoeven te worden verdeeld aan de hand van de paritas creditorum als heteronome verdelingsregel. De paritas creditorum als verdelingsregel wordt bij de homologatie in het kader van de toetsing op de voet van artikel 153 Fw naar analogie toegepast, zij het uitsluitend als modelnorm waarvan tot op zekere hoogte kan worden afgeweken.