Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.2
4.3.1.2 Teruggaaf van btw
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497828:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Over de vraag of de btw aanvankelijk daadwerkelijk is voldaan, kan discussie ontstaan. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan toepassing van de kleine ondernemersregeling. Op grond van art. 25 Wet OB 1968 komen aangewezen ondernemers die in een kalenderjaar per saldo minder dan 1.883 euro btw verschuldigd zijn geworden (dus na aftrek van voorbelasting) in aanmerking voor een vermindering van de btw, zodat per saldo geen of beperkt btw zal worden afgedragen. Betoogd kan worden dat in die gevallen geen recht op teruggaaf van btw ontstaat. Naar mijn mening mag de soep niet zo heet worden gegeten: ook bij toepassing van de kleine ondernemersregeling zou art. 29 Wet OB 1968 aan de orde moeten kunnen zijn (zie uitvoerig Bijl 1972). Daarbij speelt een rol dat eventuele op grond van art. 29 Wet OB 1968 teruggeven btw moet worden meegenomen in de berekening voor de kleine ondernemersregeling. Zie in dat verband ook het besluit nr. BLKB/2013/400M van de staatssecretaris van Financiën van 26 maart 2013, V-N 2013/18.12 en Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 7, p. 32 (NV). Anders dan Bijl 1972 meen ik dat het recht op teruggaaf niet aan de orde kan zijn bij kleine ondernemers die op verzoek zijn ontheven van administratieve verplichtingen (art. 25 lid 3 Wet OB 1968). Deze (zeer) kleine ondernemers hoeven immers nimmer (aanvankelijk) btw op aangifte te voldoen en mogen ook geen btw-facturen uitreiken (zie paragraaf 4.3.1.3).
Zie ook Bijl 1972, p. 477-478.
HR 29 augustus 1990, BNB 1990/296. R.o. 41. Ergo: als de btw wel reeds verschuldigd was geworden (art. 13 Wet OB 1968), maar nog niet op aangifte was voldaan, kon van een teruggaaf van btw geen sprake zijn. Het lijkt mij in die gevallen wel aannemelijk te veronderstellen dat de aanvankelijke verschuldigdheid kwam te vervallen.
Gelijk aan hetgeen ik in paragraaf 3.3.4 heb betoogd, zou ik derhalve menen dat het niet-verkrijgen van een recht op teruggaaf is beperkt tot gevallen waarin de initiële verschuldigdheid en de verlaging van de maatstaf van heffing samenvallen in hetzelfde belastingtijdvak.
Zie ook paragraaf 6.3.1.2.
Anders dan art. 90 lid 1 Btw-richtlijn spreekt de Wet OB 1968 (vanaf 2017) expliciet over het ‘recht op teruggaaf’ van btw. Uit de redactie van de bepaling kan worden opgemaakt dat het recht op teruggaaf een gevolg is van de verlaging van de maatstaf van heffing en dat het recht op teruggaaf slechts ontstaat indien en voor zover de btw reeds (naar achteraf blijkt) ‘ten onrechte’ aan de Belastingdienst is voldaan. Ook de memorie van toelichting lijkt dit tot uitgangspunt te nemen en merkt op dat daar ‘waar in de (...) genoemde gevallen de omzetbelasting reeds op aangifte door de ondernemer is voldaan, (...) de verlaging van de maatstaf van heffing [wordt; BH] gerealiseerd door een teruggaaf van de belasting aan die ondernemer’. Dit impliceert dat in gevallen waarin de btw niet reeds op aangifte is voldaan,1 er geen recht op teruggaaf van btw ontstaat. Daarmee lijkt aansluiting te worden gezocht bij het oude recht. Hoewel in de tekst van art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) niet uitdrukkelijk een eis van aanvankelijke voldoening was voorgeschreven,2 kan uit rechtspraak van de Hoge Raad worden opgemaakt dat een teruggaaf van btw alleen aan de orde was als de btw eerder door de belastingplichtige was voldaan.3
Ik waag echter te betwijfelen of dit een juist uitgangspunt is. Naar mijn idee zou het materiële recht namelijk leidend moeten zijn. Het komt mij voor dat een ondernemer die reeds btw op aangifte had moeten voldoen (en de btw verschuldigd is geworden, maar hier geen gevolg aan heeft gegeven) bij niet-betaling ook in aanmerking zou moeten komen voor een btw-teruggaaf (zulks onverlet latend de mogelijkheid van de Belastingdienst de initieel verschuldigde btw na te heffen).4 Deze lezing past bovendien bij het karakter van de herziening van het recht op teruggaaf, dat eveneens een opzichzelfstaand heffingsmoment behelst (paragraaf 4.3.3.1).5