Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.5.4
11.2.5.4 Verzuimboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940689:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wellicht moet HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 (over art. 10a AWR) in dit verband als een uitzondering worden gezien, nu het waarschijnlijk is dat naar aanleiding van een suppletie omzetbelasting alleen het opleggen van een verzuimboete mogelijk is. Zie daarover nader paragraaf 11.2.5.2.
Zie Bijlage I voor de bespreking van dit arrest.
Volgens Wijsman 2017, p. 219, bestaat er juist op dit punt een verschil met fiscale boetes, omdat belastingplichtigen er niet werkelijk voor kunnen kiezen om zich te onderwerpen aan enige belastingregime. Een bestuurder van een auto kan er daarentegen voor kiezen om niet aan het verkeer deel te nemen.
Zie bijvoorbeeld A-G Ettema in haar Conclusie voor HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, par. 3.34 en Wijsman 2017, p. 285-286 en par. 12.5.2. Wijsman houdt, als ik hem goed versta, op grond van het arrest Jussila ook de mogelijkheid open dat het nemo tenetur-beginsel in mindere mate geldt voor verzuimboetes (zie daarover nader paragraaf 9.3.2.2.1 en paragraaf 9.3.2.2.2). Van Toor leidt uit onder meer de arresten Jussila en Marttinen zelfs in algemene zin af dat het nemo tenetur-beginsel in het belastingrecht niet in volle omvang zou gelden (Van Toor 2016, p. 34). Vgl. in dit verband ook HR 29 oktober 1996 (strafkamer), NJ 1997, 232, r.o. 6.8, waarin de Hoge Raad de lijn uit O’Halloran en Francis (al voordat dat arrest was gewezen) lijkt te hebben geaccepteerd.
Haas & Jansen 2008.
Zie in dit verband ook de dissenting opinions bij EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis), nr. 15809/02 en nr. 25624/02, NJ 2008/25, in het bijzonder die van rechter Myjer.
Zie hieromtrent nader Wijsman 2017, par. 6.4.4.2 en p. 219-220.
In de hiervoor besproken, door de Hoge Raad berechte gevallen ging het telkens om vergrijpboetes.1 Omdat de waarborgen van art. 6 EVRM evenzeer gelden voor verzuimboetes, verwacht ik niet dat de toepassing van het nemo tenetur-beginsel voor die boetes tot een andere uitkomst zal leiden. Toch zou ik gelet op het uitzonderingsarrest O’Halloran en Francis2 een klein voorbehoud willen maken, aangezien het EHRM daarin de deur naar een meer praktisch-beleidsmatige invalshoek op een kier heeft gezet. Gelet op de relatieve massaliteit van de Nederlandse verzuimboetes, de eenvoudige formulering van het beboetbare feit en het ontbreken van een schuldverband in de delictsomschrijving is wellicht een parallel te trekken met de snelheidsovertredingen en de ‘informed consent’ (een verkeersdeelnemer gaat bij voorbaat akkoord met de spelregels3) uit dat arrest. Om die reden zou ik niet geheel willen uitsluiten dat een gedeeltelijke inperking van het nemo tenetur-beginsel bij verzuimboetes bij het EHRM genade zou kunnen vinden. In de literatuur is voor die opvatting zonder meer steun te vinden (en komen zelfs stevigere geluiden voor).4 Haas & Jansen menen daarentegen dat de reikwijdte van de gemaakte uitzondering in het arrest O’Halloran en Francis vooralsnog moet worden beperkt tot het specifieke domein van de verkeersovertredingen.5 Gelet op de uitvoerige overwegingen die daaraan gewijd zijn, is dat ook zeker voorstelbaar.6 Bovendien ging het daar wat betreft de informatieverplichting om een beperkte feitelijkheid (‘wie was de bestuurder?’), terwijl daarvan bij de Nederlandse verzuimboetes a priori geen sprake is.7