Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.5.1
11.2.5.1 Toepasselijkheid en eindtoets: informatieverplichtingen, sancties op niet-nakoming en de vereiste dwang
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940690:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Volledigheidshalve noem ik ook art. 58 e.v. Inv., waarin de gelijkluidende verplichtingen in de sfeer van de invordering zijn opgenomen. In het vervolg concentreer ik mij op de algemene verplichtingen van art. 47 AWR. Waar ik in het bijzonder (mede) het oog heb op algemene verplichtingen uit hoofde van andere wetsartikelen, zal ik dat aangeven.
Zie omtrent de inhoud en reikwijdte van deze verplichtingen nader Douma e.a. 2017, hoofdstuk 4.
Deze voorgenomen wijziging van art. 67h AWR is opgenomen in het conceptwetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2025 (art. IX, onderdeel G), zie V-N 2023/42.3. Deze verplichting ziet op zuivere boetevragen (waarover nader in paragraaf 11.2.5.5).
Ook kan nog de verplichte eerstedagsmelding ex art. 28 lid 1 onderdeel f Wet LB worden genoemd. Vanwege het geringe toepassingsbereik van deze verplichting laat ik verdere behandeling achterwege.
Deze actieve inlichtingenverplichting geldt voor een vijftal specifieke fiscale regelingen, die via een delegatiebepaling zijn aangewezen: de suppletieaangifte omzetbelasting (art. 15 UBOB), de verklaring geen privégebruik auto en de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto (art. 12bis UBIB 2001 en art. 8 en 9 UBLB), de zogeheten Edelweiss-route in de schenk- en erfbelasting (art. 10c UB Successiewet 1956) en het terughalen van vermogen vanuit een vrijgestelde beleggingsinstelling of buitenlands beleggingslichaam naar box 3 (art. 11bis UBIB 2001). Zie daaromtrent nader paragraaf 5.1.1.4.2.
In het vervolg worden al deze verplichtingen ook wel kortweg met ‘informatieverplichtingen’ aangeduid.
Vgl. het opschrift van afdeling 2 van Hoofdstuk VIII van de AWR. In de literatuur bestond verdeeldheid over het antwoord op de vraag of de algemene informatieverplichtingen van art. 47 e.v. AWR niet evenzeer zouden gelden in de sfeer van de boete, zie Wijsman 2017, par. 14.4.3. Naar mijn smaak is die discussie achterhaald, reeds omdat de Hoge Raad in het kader van de cautieplicht heeft geoordeeld dat de verplichtingen van art. 47 e.v. AWR niet gelden voor (zuivere) boetevragen (HR 22 juni 2007, BNB 2007/292, V-N 2007/30.6, NTFR 2007/1129, r.o. 3.3). De wettelijke informatieverplichtingen gelden dus alleen in de sfeer van de heffing. In paragraaf 11.2.6 kom ik afzonderlijk terug op zuivere boetevragen en het zwijgrecht van art. 5:10a Awb.
Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor een strafrechtelijke vervolging, maar in verband met de reikwijdte van dit onderzoek beperk ik mij tot de fiscale, bestuurlijke boete. Zie omtrent de specifiek strafvorderlijke aspecten nader Wijsman 2017, hoofdstuk 18 en paragraaf 14.6.5.
EHRM 10 september 2002 (Allen), nr. 76574/01, FED 2003/589. Aldus ook de regering, Kamerstukken II 1996/97, 24 800, nr. 5, p. 15. Zie voorts EHRM 21 april 2009 (Marttinen), nr. 19235/03, FED 2009/69, par. 68 en de noot van Thomas bij dat arrest (punt 9), alsmede HR 21 oktober 1997 (strafkamer), NJ 1998, 173.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.3. Zie ook paragraaf 11.2.4.6.
Zie EHRM 21 juni 2005 (Sträg Datattjänster AB), nr. 50664/99 en Wijsman 2017, par. 16.1.
De Redactie Vakstudie-Nieuws acht het ‘zonder meer duidelijk dat fiscale informatieverplichtingen, zoals art. 47 en art. 10a AWR, op gespannen voet staan met dit beginsel’, zie de Aantekening bij EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16.
Zie paragraaf 11.2 (met name het arrest Saunders). Wijsman wijst er terecht op, dat het onderscheid tussen enerzijds de toepasselijkheid en anderzijds de schending van het nemo tenetur-beginsel in de literatuur niet altijd even scherp wordt gemaakt, zie Wijsman 2017, p. 93. Zie ook p. 95-96.
Vgl. (a contrario) HR 22 juni 2007, BNB 2007/292, V-N 2007/30.6, NTFR 2007/1129, r.o. 3.3.
Art. 68 en 69 AWR. De uitwerking van het nemo tenetur-beginsel met betrekking tot de strafvervolging op grond van deze bepalingen als zodanig laat ik vanwege van de reikwijdte van dit onderzoek (dat zich immers volledig richt op de fiscale bestuurlijke boete) achterwege. Zie omtrent die uitwerking nader Wijsman 2017, hoofdstuk 18 en paragraaf 14.5. Zie voor enkele voorbeelden van strafrechtelijke vervolging en veroordeling op grond van deze bepalingen Hof ’s-Hertogenbosch 10 juli 2018 (strafkamer), V-N 2018/48.13.9 en HR 13 november 2018 (strafkamer), NJ 2019/74. Zie voor een geval waarin het OM in het kader van een vervolging op grond van art. 69 lid 1 juncto art. 68 lid 1 AWR doorzoekingen uitvoerde terwijl de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk waren Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2020 (strafkamer), V-N 2020/53.23.
Rechtstreeks: art. 67a en 67b AWR. Indirect: art. 67d en 67e AWR. Gelet op de systematiek van de aangiftebelastingen kunnen tot die laatste categorie tevens de boetes van art. 67c en 67f AWR worden gerekend. Ten slotte geldt voor enkele minder vaak voorkomende gevallen nog de verzuimboete van art. 67ca AWR.
Zie voor enkele voorbeelden HR 18 september 2009 (civiele kamer), V-N 2009/48.6, BNB 2010/21 en HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101. Blijkens HR 24 februari 2017 (civiele kamer), V-N 2017/13.5 is een in omvang onbegrensde dwangsom denkbaar. Zie voorts art. 52a lid 4 AWR, waarin is geregeld dat het instrument van de informatiebeschikking onverlet laat dat de inspecteur (ook) een civielrechtelijke dwangsom kan vorderen. Deze bepaling is uitdrukkelijk geaccordeerd door de Hoge Raad (HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205, r.o. 3.5). Zie voor een voorbeeld ook Rb Limburg 16 januari 2019 (civiele voorzieningenrechter), V-N 2019/8.14.
Dát er (enige) dwang uitgaat van welke sanctiedreiging dan ook, behoeft op zichzelf geen betoog. In dezelfde zin: Wijsman 2017, p. 251 en p. 261.
Het betrof hier echter geen voor de beslissing kritische overweging, zie HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.3 (zie paragraaf 11.2.4.1). Vgl. – in een ander kader – Hof Den Haag 20 januari 2021, V-N 2021/17.24.9, r.o. 5.10: ‘Vooropgesteld wordt dat de fiscale aangifteplicht zich hierdoor kenmerkt dat de aangifteplichtige onder dreiging van een strafvervolging wordt gedwongen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud een verklaring af te leggen (…)’.
Volgens A-G Wattel is dat juist, omdat de sanctie van de omkering louter gericht is op de (vermoedelijke) belastingheffing, zie zijn Conclusie voor HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, par. 10.8. De dreiging van de strafrechtelijke sancties vormt volgens hem wél voldoende dwang (par. 11.1).
Zie HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.3 (en hetgeen ik daarover hiervoor in paragraaf 11.2.4.1 en paragraaf 11.2.4.2 opmerkte), alsmede HR 8 augustus 2014, V-N 2014/41.5, BNB 2014/206, NTFR 2014/2105, AB 2015/80. Zie ook reeds HR 11 december 1991, BNB 1992/243.
HR 8 augustus 2014, V-N 2014/41.5, BNB 2014/206, NTFR 2014/2105, AB 2015/80.
HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101.
In BNB 2002/27 was dat nog wel het geval, waarover in het vervolg van deze paragraaf meer. Zie ook paragraaf 11.2.4.2.
HR 8 augustus 2014, V-N 2014/41.5, BNB 2014/206, NTFR 2014/2105, AB 2015/80. Zie ook Muller 2014.
Zie bijvoorbeeld de noot van Van Eijsden bij het arrest in HR 8 augustus 2014, BNB 2014/206 en Muller 2014. De Bont en Sitsen hebben het opmerkelijk genoemd dat de Hoge Raad het aspect dwang (wel) hanteert bij de vraag of er een restrictie op toekomstig gebruik moet worden aangebracht, maar die dwang tegelijkertijd niet doorslaggevend vindt bij de vraag of het nemo tenetur-beginsel van toepassing is, zie De Bont & Sitsen 2015.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, V-N 2018/21.27.6, r.o. 4.10 (geen restrictie op toekomstig gebruik bij een informatiebeschikking) en Hof ’s-Hertogenbosch 8 september 2016, V-N 2017/6.3, r.o. 4.11. Zie ook de Hofuitspraak die aan het arrest HR 25 september 2020, V-N 2020/50.16.4 (art. 81 Wet RO) voorafging (Hof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2019, r.o. 4.5).
Zie daarover nader paragraaf 11.2.4.6.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.1.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2.
Ook A-G Ettema gaat hiervan uit in haar Conclusie voor het arrest (zie par. 3.33 en par. 3.8).
Iets vergelijkbaars heb ik eerder opgemerkt over het arrest BNB 2002/27, zie paragraaf 11.2.4.2 hiervoor.
Zie met name r.o. 4.4.1.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2 (zie het woord ‘dus’ in de laatste zin). De aard van het materiaal is in mijn opvatting echter niet bepalend voor de toepasselijkheid, maar voor de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel (zie paragraaf 11.2.5.2 hierna).
Zie daarover nader verderop in deze paragraaf.
Ook vanuit andere invalshoeken is het lastig om de vinger hier achter te krijgen. In HR 21 januari 2022, V-N 2022/6.14 oordeelde de Hoge Raad in het kader van de invorderingsrente tamelijk kort door de bocht dat het nemo tenetur-beginsel ‘voldoende was gewaarborgd door de mogelijkheid (…) ter zake van de boeten uitstel van betaling te vragen totdat de boetebeschikkingen onherroepelijk zouden worden’ (r.o. 3.2).
Ook het EHRM gaat daarvan uit (in de casus van Funke was bijvoorbeeld sprake van een opgelegde dwangsom). Vgl. omtrent de duiding als dwangmiddel voorts de Conclusie van Wattel bij HR 21 maart 2008, BNB 2008/159, V-N 2008/16.5, NTFR 2008/614, par. 4.15 en Asbreuk 2012, par. 6.
Hetzelfde geldt voor de bestuursrechtelijke last onder dwangsom, waarmee bestuursorganen in het niet-fiscale bestuursrecht (zie art. 1 lid 3 AWR) de medewerking aan een informatievordering voor toezichts- en handhavingsdoeleinden ex art. 5:16 e.v. Awb kunnen afdwingen. Zie voor een voorbeeld CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, m.n. r.o. 5.3.2 en 5.3.4.
Een sprekend voorbeeld is de casus uit HR 24 februari 2017 (civiele kamer), V-N 2017/13.5, waarin na aanhoudende weigering door de belastingplichtige uit HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205 (waarin hem reeds een op € 300.000 gemaximeerde dwangsom werd opgelegd, die niet het beoogde resultaat had gehad) opnieuw een (ditmaal onbegrensde) dwangsom werd opgelegd.
Dat laat onverlet dat de dwangsom als zodanig – evenals de omkering van de bewijslast – geen criminal charge is vanwege het ontbreken van een punitief karakter. Voor wat betreft de dwangsom overwoog de Hoge Raad dat uitdrukkelijk in HR 24 februari 2017 (civiele kamer), V-N 2017/13.5, r.o. 3.4.4. Zie voor wat betreft de bewijsrechtelijke sanctie van de omkering nader paragraaf 16.2.
Ook Wijsman onderkent dat een te hoge schatting kan neerkomen op bestraffing van het niet-meewerken. Vanwege het vereiste van de redelijke schatting, die door de rechter kan worden getoetst, acht hij de uiteindelijke dwang die van de omkering uitgaat evenwel gering, zie Wijsman 2017, p. 379-380. Vgl. voorts Rb Gelderland 1 oktober 2018, V-N 2019/8.15 (zie met name r.o. 21). In deze casus was de omkering al van toepassing omdat de vereiste aangifte niet was gedaan (categorie I-trigger). De rechtbank achtte het nemen van een informatiebeschikking onredelijk, (onder meer) omdat aannemelijk was dat de informatiebeschikking onder deze omstandigheid als drukmiddel was gebruikt. Daarbij was van belang dat de informatiebeschikking in de Handreiking wet-Dezentjé’ (met instructies en richtlijnen voor de Belastingdienst) in een dergelijk geval als verboden drukmiddel is aangemerkt (zie paragraaf 7.2 (Richtlijnen, Onderdeel 1.1 en 1.3) van de Handreiking, kenbaar uit V-N 2016/62.4). Overigens speelde de context van het nemo tenetur-beginsel bij dit alles geen rol.
CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.4. Zie hierover nader paragraaf 11.2.5.3 hierna.
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21.
Zie CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.4. De Redactie Vakstudie-Nieuws vond dat blijkens de Aantekening ‘niet verwonderlijk’.
Zie met name de arresten Saunders en O’Halloran en Francis, en recenter ook EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a.), nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09, NJB 2017/267, par. 267 (‘It is the existence of compulsion that gives rise to concerns as to whether the privilege against self-incrimination has been respected.’) en EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 74 (‘some form of coercion or compulsion’). Ook het HvJ EU lijkt op dit punt op de lijn van het EHRM te zitten, zie HvJ EU 2 februari 2021, nr. C-481/19, V-N 2021/9.18 (besproken in paragraaf 11.2.3.6). Vgl. in dit verband ook CBB 2 februari 2010, AB 2010/317, waarin het bestaan van een wettelijke verplichting om te verklaren een dermate grote druk opleverde, dat er materieel sprake was van een ‘verhoor’.
Aldus ook Feteris in zijn noot bij het arrest Saunders in BNB 1997/254 (punt 8) en De Bont 2009. Zie voorts Asbreuk 2008, par. 2, Muller 2014, Thomas in zijn noot bij EHRM 21 april 2009 (Marttinen), nr. 19235/03, FED 2009/69 (punt 16) en Wijsman 2017, par. 6.3. Vgl. ook Asbreuk 2012, die in noot 7 opmerkt dat naar zijn mening reeds van de sanctie van de omkering een voldoende ernstige dreiging uit gaat.
Wijsman merkt terecht op dat er overlap bestaat tussen deze beide invalshoeken, Wijsman 2017, p. 94.
Zie bijvoorbeeld De Haas & Vissers 2014, par. 3, Van de Wetering in zijn noot bij EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, EHRC 2016/21 en de redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7. Zie omtrent de sanctie van de omkering Wattel in zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 7.1 en zijn Conclusie bij HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, par. 10.8. Van Toor stelt dat sommige (vergaande) soorten van dwang, zoals gevangenisstraffen, reeds naar hun aard ongeoorloofde dwang opleveren, terwijl dat bij financiële sancties afhankelijk is van de mate van dwang, Van Toor 2016, p. 36.
Aldus ook: Wijsman 2017, p. 92.
Zie EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 74-75. De twee voorwaarden voor de toepasselijkheid zijn (1) enige vorm van dwang en (2) (potentieel) incriminerend gebruik. Wilsonafhankelijk materiaal valt vervolgens (toch) buiten de reikwijdte van de bescherming van het nemo tenetur-beginsel.
In dezelfde zin: Muller 2014, par. 4.
Zie daaromtrent nader paragraaf 11.2.5.3.
Aldus ook: Conclusie A-G Wattel voor HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, par. 10.2.
Zie Bijlage I voor de bespreking van het arrest Allan.
Zie paragraaf 11.2.3.4. In dezelfde zin: Asbreuk 2008, par.2, alsmede Van Toor 2016, p. 31 en 37 en Wijsman 2017, p. 93-94, par. 6.3, par. 7.3.4, par. 9.1 en p. 369.
Wijsman werkt deze drie criteria achtereenvolgens nader uit in Wijsman 2017, hoofdstuk 9, 10 en 11. De portee van zijn betoog is dat (heel) veel onduidelijk is, zowel wat betreft de precieze betekenis van elk van de criteria afzonderlijk als wat betreft hun onderlinge gewicht en wisselwerking bij de eindtoets. Als voorbeeld kan dienen EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a.), nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09, NJB 2017/267, par. 269, waarin het EHRM in het kader van de eindtoets in algemene zin aangeeft dat niet elke vorm van dwang ongeoorloofd is, maar dat in die context het (incriminerende) gebruik van het materiaal cruciaal is.
Het EHRM vond dat bijvoorbeeld opportuun in het arrest O’Halloran en Francis (besproken in Bijlage I), omdat alles overziende, en mede gelet op de beperkte aard van de gevraagde informatie, ondanks de uitgeoefende dwang niet kon worden gesproken van een inbreuk op het nemo tenetur-beginsel. Dat kan ook het geval zijn wanneer de betekenis van het onder dwang verkregen materiaal blijkens het latere gebruik in de straf- of boetezaak ondergeschikt is geweest. Wijsman 2017, par. 11.3.2, zet in dat verband de jurisprudentie van het EHRM op een rij.
Zie de eindtoets die het CBB uitvoerde in CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.9.
Zie HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, alsmede paragraaf 16.4.1. Zie voorts de noot van Van Eijsden bij HR 18 september 2009 (civiele kamer), BNB 2010/21, punt 7. In de literatuur was ook al (veel) eerder gesignaleerd dat de sanctie van de omkering in dit verband de vereiste dwang oplevert, zie bijvoorbeeld Schutte 1994.
Zie paragraaf 11.2.4.2.
Haas & Jansen 2013, par. 3.3. Zij zien de Allan-criteria als constitutieve voorwaarden (‘alleen dan’). Ik zie de Allan-criteria veeleer als uitzonderingscriteria (onder omstandigheden toch geen schending).
Noot bij HR 21 maart 2008, BNB 2008/159, punt 2.5. De gronden die de Hoge Raad heeft gegeven, zijn echter niet geheel de zijne (punt 2.1). Alberts opvatting lijkt vooral ingegeven door praktische overwegingen, waaronder de onvoorspelbaarheid van de casuïstische EHRM-jurisprudentie (punt 2.6).
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2.
EHRM 10 september 2002 (Allen), nr. 76574/01, FED 2003/589, par. 5-6. Een maximale boete van GBP 300, zoals in casu het geval was, verschilt ook nogal van de straf die Saunders kon krijgen (twee jaar gevangenisstraf). In EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness), nr. 34720/97, was voorts een strafdreiging van maximaal zes maanden gevangenisstraf voldoende ernstig, hetgeen ruim onder de maxima van art. 69 AWR ligt. Zie voor meer voorbeelden Van Toor 2016, p. 31-32.
In deze zin ook: Wijsman 2017, p. 369-371 (zie in het bijzonder voetnoot 177, laatste volzin). Voor de sanctie van de omkering van de bewijslast maakt Wijsman evenwel een voorbehoud, zie Wijsman 2017, p. 379-380 en noot 220 op p. 380.
Zie paragraaf 11.2.2.2.
De Redactie van Vakstudie-Nieuws merkt in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017, V-N 2018/11.4 op, dat (wilsafhankelijk) bewijs dat onder druk van een informatiebeschikking.is verstrekt, niet gebruikt mag worden voor de boeteoplegging. Dat past echter niet in de opvatting van de Hoge Raad, die immers meent dat een informatiebeschikking niet de vereiste dwang oplevert, zodat het nemo tenetur-beginsel helemaal niet van toepassing is.
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis), nr. 15809/02 en nr. 25624/02, NJ 2008/25, par. 58. In dezelfde zin: De Bont 2009 en Wijsman 2017, p. 219-220. Ook het CBB deelt deze opvatting in het kader van de hiervoor genoemde, vergelijkbare informatieverplichtingen uit het algemene bestuursrecht, zie CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.5 (‘niet naar reikwijdte beperkt tot vooraf voorzienbare, specifieke informatie’).
HR 10 februari 1988, BNB 1988/160.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.10.2.
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.4. Deze algemene overweging ging vooraf aan het oordeel over de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt (zie daaromtrent nader paragraaf 9.4.2).
De wettelijke informatieverplichtingen
De Nederlandse fiscale wetgeving bevat voornamelijk in art. 47 e.v. AWR1 diverse algemene meewerk- en informatieverplichtingen.2 Ook belichaamt de aangifteverplichting zelf een uitgebreide verplichte informatievoorziening van de zijde van de belastingplichtige.3 De wetgever is voorts voornemens om een expliciete wettelijke verplichting tot het verstrekken van belastende informatie ten behoeve van de boeteoplegging in te voeren.4 Ten slotte kent de Nederlandse belastingwet enkele bijzondere verplichtingen tot spontane informatieverstrekking:
de verplichting van de belastingplichtige om zelf te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte (art. 6 lid 3 AWR juncto art. 2 en 3 UR AWR);
de verplichting van de inhoudingsplichtige om bij geconstateerde onjuistheden of onvolledigheden in de loonaangifte (al dan niet op instructie van de inspecteur) een correctiebericht in te dienen (art. 28a Wet LB);5
de verplichting van de inhoudingsplichtige om eigener beweging alsnog de juiste en volledige gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de heffing van bronbelasting te verstrekken (art. 6.3 Wet bronbelasting 2021);
de verplichting van de belasting- of inhoudingsplichtige om eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen (art. 10a AWR).6
Al deze meewerk- en informatieverplichtingen7 staan ten dienste van de heffing.8 Ingeval er vervolgens een fiscale bestuurlijke boete wordt opgelegd,9 die (mede) wordt gebaseerd op gegevens die zijn verstrekt naar aanleiding van deze wettelijke informatieverplichtingen in de sfeer van de heffing, rijst de vraag of en in hoeverre dat in strijd komt met art. 6 EVRM.
Vooropgesteld moet worden, dat de informatieverplichtingen als zodanig niet in strijd zijn met het nemo tenetur-beginsel.10 Specifiek voor de suppletieverplichting van art. 10a AWR juncto art. 15 UBOB heeft de Hoge Raad bevestigd dat de verplichting zelf (en de boete wegens het niet nakomen ervan) niet in strijd komt met het nemo tenetur-beginsel.11 Dat is naar mijn mening juist: precies zoals dat ook in het arrest Allen het geval was, gaat het dan (slechts) om het bestaan van de verplichting als zodanig. Ook vallen de informatieverplichtingen, voor zover het om de reguliere belastingheffing gaat, niet onder de werking van art. 6 EVRM.12 Op zichzelf zijn de verplichtingen dan ook niet onverbindend. Zij kunnen onder omstandigheden echter in botsing komen met de waarborgen van dat artikel, zoals het nemo tenetur-beginsel.13
Sancties op niet-nakoming van de informatieverplichtingen
Ik breng in herinnering dat het bestaan van voldoende dwang één van de cumulatieve voorwaarden is, waaraan moet zijn voldaan voordat het nemo teneur beginsel überhaupt van toepassing kan zijn.14 Voor de vaststelling of de Nederlandse fiscale informatieverplichtingen de aldus vereiste dwang opleveren, zijn naar mijn mening de volgende aspecten van belang. Alle genoemde informatieverplichtingen hebben een wettelijke grondslag.15 Zowel het niet-nakomen van de verplichtingen van art. 47 AWR als het niet-nakomen van de aangifteverplichting wordt met strafrechtelijke sancties bedreigd.16 Daarnaast kan worden gewezen op de processuele sanctie van de omkering van de bewijslast.17 Voor wat betreft de aangifteverplichting komen daar nog eens bestuurlijke boetes bij.18 Ook het niet nakomen van de vier spontane informatieverplichtingen wordt met bestuurlijke boetes bedreigd.19 Ten slotte heeft de inspecteur de mogelijkheid om nakoming van de informatieverplichtingen af te dwingen door bij de civiele rechter een dwangsom te laten vaststellen.20
Waar het vervolgens om gaat, is of deze sancties de voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel vereiste dwangopleveren.21 In dit verband is van belang dat de Hoge Raad in BNB 2008/159 op basis van het arrest Jalloh heeft geoordeeld dat de enkele verwijzing naar de strafbepalingen van art. 68 en 69 AWR onvoldoende was om in dit verband van dwang te spreken.22 Volgens de Hoge Raad levert ook de enkele verwijzing naar de bewijsrechtelijke sanctie van de omkering van de bewijslast23 (in combinatie met de verwijzing naar strafrechtelijke sancties) nog niet per definitie de vereiste dwang op.24 In 2013 en 2014 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat een informatiebeschikking geen dwangmiddel is in deze zin,25 maar een civielrechtelijke dwangsom wel.26 Uit dit alles lijkt te volgen dat de Hoge Raad het ‘afdwingen’ in de zin van het nemo tenetur-beginsel tamelijk strikt uitlegt. Kennelijk is de enkele dreiging met sancties niet (meer27) voldoende. Uit het arrest over de informatiebeschikking wordt echter niet duidelijk waar het essentiële verschil met de civielrechtelijke dwangsom nu precies in schuilt.28
In de literatuur is met verbazing gereageerd op de opvattingen van de Hoge Raad.29 De feitenrechtspraak lijkt niettemin de interpretatie van de Hoge Raad te volgen.30
De verwarring over dit vraagstuk is verder versterkt door het arrest uit 2021 over de suppletieverplichting van art. 10a AWR.31 De Hoge Raad stelde daarin voorop dat het nemo-teneturbeginsel eraan in de weg staat dat wilsafhankelijke informatie die ‘ter nakoming van een wettelijke mededelingsplicht en onder bedreiging van een boete’ is verstrekt, wordt gebruikt voor het bewijs van het begaan van een beboetbaar of strafbaar feit.32 Voor wat betreft de suppletieverplichting oordeelde de Hoge Raad dat het nemo tenetur-beginsel ook inderdaad van toepassing is: nu er sprake is van wilsafhankelijke informatie, is later belastend gebruik ‘dus’ verboden.33 De boetedreiging van art. 10a AWR is kennelijk voldoende.34 Hieruit kan ik niet anders dan concluderen dan dat het enkele bestaan van een wettelijke informatieverplichting in combinatie met een boetedreiging (toch, of wellicht opnieuw) voldoende is voor de vereiste dwang.35
Het resultaat is dat er onduidelijkheid heerst. Wellicht heeft de Hoge Raad zijn eerdere opvatting – dat een verwijzing naar wettelijke sancties niet, maar een civielrechtelijke dwangsom wél de vereiste dwang oplevert – verlaten. In het arrest over de suppletieverplichting maakte de Hoge Raad daar echter geen woorden aan vuil, zodat dit scenario mij onwaarschijnlijk lijkt. Een andere mogelijkheid is dat de Hoge Raad specifiek voor (de boetedreiging bij) de suppletieverplichting een uitzondering heeft gemaakt. Ook dat ligt niet voor de hand, omdat zulks onverenigbaar lijkt met de (algemene) bewoordingen van het arrest.36 De enige plausibele verklaring die ik kan bedenken voor het oordeel in het arrest over de suppletieverplichting, is dat de Hoge Raad de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel uitsluitend heeft beoordeeld op basis van de wilsafhankelijkheid van het materiaal.37 In het verlengde daarvan is het denkbaar dat de Hoge Raad zijn oordeel over de vereiste dwang in BNB 2008/159 heeft gegeven in het kader van de eindtoets (in plaats van in het kader van de toepasselijkheid).38 De redenering is dan: zodra er een wettelijke verplichting bestaat om wilsafhankelijk materiaal te geven, is de dreiging met boetes of andere sancties voldoende voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel. Of dat beginsel ook daadwerkelijk is geschonden, hangt vervolgens onder meer af van de aard en omvang van de sancties op het niet nakomen van die verplichting. Ook uitgaande van deze redenering is het lastig om de oordelen uit de arresten vanaf BNB 2008/159 te verenigen met het oordeel uit het arrest over de suppletieverplichting. Het probleem verplaatst zich in wezen naar de beoordeling in het kader van de eindtoets. De precieze betekenis van de aard en omvang van de sancties blijft ongewis.39
Voor het geval de Hoge Raad zijn (vermoedelijke) opvatting over de toepasselijkheid uit de arresten vanaf BNB 2008/159 is blijven huldigen, merk ik op dat het onderscheid dat (kennelijk) aan die opvatting ten grondslag ligt, mij niet kan overtuigen. Op zichzelf is het weliswaar terecht dat een civielrechtelijke dwangsom de vereiste dwang in de zin van het nemo tenetur-beginsel oplevert,40 maar ook een dergelijke dwangsom kan de feitelijke medewerking niet bewerkstelligen.41 De betrokkene kan immers blijven weigeren; hij zal dan slechts de dwangsom verbeuren.42 Naar mijn mening dwingt een dwangsom in de kern dus niet meer of minder af dan bijvoorbeeld een informatiebeschikking. Een dwangsom zal voor de belastingplichtige in kwestie voelen als een boete op niet-meewerken.43 Hetzelfde geldt naar mijn smaak voor een onder omkering van de bewijslast opgelegde aanslag, die losjes gebaseerd mag worden op grove schattingen.44
Het CBB kiest op dit punt voor een andere koers dan de Hoge Raad.45 In het kader van de informatieverplichtingen uit Titel 5.2 van de Awb (die binnen het niet-fiscale bestuursrecht gelden46), overwoog het CBB namelijk dat er (wél) voldoende dwang uit gaat van de sancties die op het niet-voldoen aan die verplichtingen zijn gesteld. Het ging hierbij om de algemeen-bestuursrechtelijke informatieverplichtingen die vergelijkbaar zijn met de fiscale informatieverplichtingen,47 zoals het moeten geven van inlichtingen en het moeten geven van inzage.48 In de sfeer van de Wft wordt het niet-nakomen met verschillende sancties bedreigd: een last onder dwangsom, het opleggen van een bestuurlijke boete en strafrechtelijke vervolging. Het CBB maakte geen principieel onderscheid tussen deze sancties, maar beoordeelde ze als geheel en kwam, ‘gelet op de aard en zwaarte van deze in de wet voorziene maatregelen’, tot de conclusie dat de voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur beginsel vereiste dwang aanwezig was.49 Naar mijn mening zou een dergelijke, integrale beoordeling van het totale dreigingsbeeld zoals dat geldt bij het niet-nakomen van de fiscale informatieverplichtingen tot dezelfde conclusie (moeten) leiden. Weliswaar wordt het niet-nakomen van de informatieverplichtingen in fiscalibus als zodanig niet bedreigd met een bestuurlijke boete, maar daar staat de vergaande bewijsrechtelijke sanctie van de omkering van de bewijslast tegenover. Verder is, net als in het niet-fiscale bestuursrecht, een (civielrechtelijke) dwangsom mogelijk, evenals strafvervolging.
Uit de jurisprudentie van het EHRM leid ik een geheel ander uitgangspunt af dan het uitgangspunt van de Hoge Raad. Reeds het enkele bestaan van de wettelijke sancties levert volgens het EHRM voldoende grond op voor het aannemen van de vereiste dwang.50 Deze lezing van de jurisprudentie van het EHRM wordt breed gedragen in de literatuur.51 Voor alle duidelijkheid: dit betreft de vraag naar de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel. Het antwoord op de vraag of die dwang vervolgens ook leidt tot een schending van het nemo tenetur-beginsel, hangt voor het EHRM (wel) mede af van de (potentiële) omvang van de dwang.52
Opgemerkt dient te worden dat hier ook wel anders over wordt gedacht. Verschillende auteurs zien namelijk in zekere zin een lineair verband tussen de aard en mate van de feitelijk uitgeoefende dwang enerzijds en de grens voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel anderzijds.53 Naarmate de dwang toeneemt, zou die grens dan lager worden. Toch is deze opvatting naar mijn mening niet juist. Het EHRM maakt immers vooraf een principieel onderscheid, op basis van de achtergrond van het nemo tenetur-beginsel (de vrije keuze om er – in brede zin – het zwijgen toe te doen54). Het onderscheidend criterium dat het EHRM voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel aanlegt, is de wilsafhankelijkheid.55 De aard en omvang van de uitgeoefende dwang is voor deze beoordeling niet van belang;56 doorslaggevend is de aard en omvang van de medewerking van de verdachte die is vereist ter verkrijging van het materiaal door de vervolgende autoriteit.57 Alleen materiaal dat kan worden verkregen onder een plicht om slechts te dulden of te ondergaan, kwalificeert als Saunders-materiaal, waarvoor het nemo tenetur-beginsel niet geldt.58 Gaat de vereiste medewerking verder, dan is het nemo tenetur-beginsel van toepassing.
Wel past het EHRM achteraf nog een totaalbeoordeling in de vorm van een eindtoets toe, aan de hand van de Allan-criteria.59 Daarbij is de vraag: is het nemo tenetur-beginsel – en daarmee de notie van de fair hearing – in casu daadwerkelijk geschonden?60 Pas bij deze beoordeling speelt de aard en omvang van de strafdreiging een rol, in samenhang met het gebruik dat van het bewijs is gemaakt en het bestaan van de procedurele waarborgen.61 Deze eindtoets is naar mijn mening vooral van belang om een uitzondering op deze hoofdregel te kunnen maken, wanneer de omstandigheden van het geval daarom vragen.62 De hoofdregel blijft dat onder dwang verkregen wilsafhankelijke informatie niet incriminerend mag worden gebruikt.63 Ik geef onmiddellijk toe dat het EHRM met deze aanpak de duidelijkheid en voorspelbaarheid niet heeft bevorderd. Dat betekent nog niet dat mijn analyse van de jurisprudentie van het EHRM op dit punt onjuist is.
In BNB 2002/27 ging de Hoge Raad ten aanzien van de sanctie van de omkering van de bewijslast nog uit van de aanwezigheid van de vereiste dwang.64 Met de opvallende (maar niet toegelichte) koerswijziging in BNB 2008/159 heeft de Hoge Raad deze lijn verlaten: van de enkele verwijzing naar op te leggen wettelijke sancties ging sindsdien (kennelijk) geen of onvoldoende dwang (meer) uit.65 Ik sluit echter niet uit dat de Hoge Raad daarmee in wezen alleen een oordeel heeft gegeven in het kader van de eindtoets. Haas & Jansen66 en Albert67 hebben de Hoge Raad bijvoorbeeld gesteund in de opvatting dat het nemo tenetur-beginsel pas wordt geschonden als er sprake is van aanzienlijke dwang. Dat is evenwel iets anders dan de vraag of het nemo tenetur-beginsel vantoepassing is: daarvoor is het bestaan van de wettelijke informatieverplichtingen met bijbehorende sancties voldoende. Als de Hoge Raad zijn oordeel over de vereiste dwang in BNB 2008/159 inderdaad heeft gegeven in het kader van de eindtoets, zou dat kunnen verklaren waarom de Hoge Raad in het arrest over de suppletieverplichting uit 2021 weer terug lijkt te zijn bij zijn opvatting uit BNB 2002/27.68
Over de beoordeling in het kader van de eindtoets merk ik nog het volgende op. Uit de eindtoets van het EHRM vloeit voort, dat niet elke sanctiedreiging uiteindelijk ook ongeoorloofde dwang, en daarmee een schending van het nemo tenetur-beginsel oplevert.69 Gelet op de aanzienlijke potentiële omvang van de Nederlandse sancties, meen ik echter dat daarvan wel degelijk ook deze ongeoorloofde dwang uit gaat.70 Het EHRM acht in dit kader van belang dat er directe consequenties van enige omvang zijn verbonden aan het niet-meewerken.71 Naar mijn mening zijn de Nederlandse sancties inderdaad steeds rechtstreeks gekoppeld aan het niet-meewerken en is de potentiële omvang ervan bovendien voldoende groot. Relevant hierbij is ook dat de informatieverplichtingen van art. 47 AWR niet beperkt zijn tot een specifieke, op zichzelf nog niet incriminerende feitelijkheid, maar juist zeer algemeen zijn geformuleerd (‘voor de belastingheffing van belang kunnen zijn’72).73 Uit het arrest O’Halloran en Francis kan worden afgeleid, dat voor dergelijke algemene informatieverplichtingen geen uitzondering wordt gemaakt in het kader van de eindtoets.74
Bovendien zou een andersluidende opvatting haaks staan op de ernst van de met de informatieverplichtingen samenhangende dwang, zoals de Hoge Raad die buiten de context van het nemo tenetur-beginsel heeft erkend. Zo bepaalde de Hoge Raad in 1988 dat de inspecteur zijn bevoegdheden ex art. 47 e.v. AWR jegens de belastingplichtige niet langer mag uitoefenen om bewijs te vergaren nadat beroep is ingesteld.75 De kern van dat verbod is gelegen in het dwangmatige karakter van de ingrijpende informatiebevoegdheden van de inspecteur.76 Ook heeft de Hoge Raad in één van de zogeheten Credit Suisse-arresten uit 2017 uitdrukkelijk overwogen dat ‘de fiscale aangifteplicht zich hierdoor kenmerkt dat de aangifteplichtige onder dreiging van een strafvervolging wordt gedwongen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud een verklaring af te leggen (…).’77 Met name deze laatste formulering spreekt naar mijn smaak het oordeel uit BNB 2008/159, dat de enkele verwijzing naar de strafbepalingen van art. 68 en 69 AWR onvoldoende is, tegen.