Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.5.6
11.2.5.6 Vruchtenleer
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940555:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook de (belastingkamer van de) Hoge Raad heeft zich nog niet over deze kwestie uitgesproken. Aldus ook: Wijsman 2017, p. 347. De strafkamer van de Hoge Raad heeft in het kader van de onrechtmatigheid wegens vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv de vruchtenleer aanvaard, zie HR 16 september 2014 (strafkamer), NJ 2014/462, r.o. 2.5.1.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2015, NTFR 2015/2532, FutD 2015-2049 (het beroep in cassatie van de belastingplichtige werd onder verwijzing naar art. 81 Wet RO ongegrond verklaard, HR 17 juni 2016, NTFR 2016/1636). Zie voor een voorbeeld in het kader van (het voortborduren op) onrechtmatig verkregen bewijs Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2020, V-N 2021/12.15, r.o. 4.1.15.
Het Hof leek aldus toe te staan dat er wel enige betekenis wordt toegekend aan de eigen verklaring, wellicht als steunbewijs. Het Hof verwees hierbij naar een gelijkluidend oordeel van de Hoge Raad uit het in paragraaf 11.2.4.5 besproken arrest HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53 (zie r.o. 2.3.5). Naar mijn mening berust dat echter op een onjuiste lezing van de betreffende rechtsoverweging. De Hoge Raad overwoog in die zaak dat de verklaringen ‘geen zelfstandige betekenis’ hadden gehad voor de beslissing over de boetes, omdat het Hof ter onderbouwing van zijn beslissing alleen andere bewijsmiddelen had genoemd en zich dus helemaal niet op de verklaringen had gebaseerd.
Zie over de eindtoets nader paragraaf 11.2.3.4 en paragraaf 11.2.5.1 hiervoor.
Vgl. EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 80-81, waarover nader in paragraaf 11.2.3.5.
Zie in het bijzonder het in paragraaf 11.2.4.1 behandelde arrest HR 16 september 2005, BNB 2006/111.
Ik merk wel op dat deze redenering beter past bij de leer van het EHRM (waarin de wijze van verkrijging doorslaggevend is) dan de leer van de Hoge Raad (waarin de aard van het materiaal doorslaggevend is).
Zie r.o. 3.1 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108.
In paragraaf 11.2.3.5 heb ik aangegeven dat het EHRM zich nog niet expliciet heeft uitgelaten over de vraag of vervolginformatie, die is verkregen op basis of naar aanleiding van ontoelaatbaar bewijs, gebruikt mag worden, of dat dergelijk bewijs evenzeer als besmet moet worden aangemerkt. Het enige mij uit de nationaalrechtelijke jurisprudentie bekende beroep dat in het kader van het nemo tenetur-beginsel op deze leer van de ‘fruits of the poisonous tree’ is gedaan,1 is aan de orde gekomen in een KBLux-uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch uit 2015.2 De redenering van de belastingplichtige was dat hij onder dreiging van een dwangsom eerst een wilsafhankelijke eigen verklaring had afgelegd, inhoudende de bekentenis van het houderschap van een KBLux-rekening, op grond waarvan hij vervolgens de bankafschriften van die rekening had overgelegd. Het Hof verwierp dit betoog omdat aan de bekennende verklaring in het kader van het bewijs van de boetes geen zelfstandige betekenis toekwam.3
Deze benadering van het Hof zou tegen de achtergrond van de eindtoets van het EHRM houdbaar kunnen zijn. Om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is geweest van een schending van het nemo tenetur-beginsel, kijkt het EHRM immers onder meer naar het feitelijke incriminerende gebruik van het bewijs.4 Besmette vervolginformatie die uiteindelijk geen (grote) rol speelt in de bewijsconstructie zou, vanwege die eindtoets van het EHRM, wellicht door de beugel kunnen.5 Daar staat tegenover dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat onder dwang verkregen wilsafhankelijke verklaringen geen enkele rol mogen spelen bij de bewijsvoering voor de boete.6 Daarop voortbordurend zouden ook de bankafschriften die na de bekennende verklaring over het houderschap van de KBLux-rekening waren overgelegd (zelfs in de opvatting van de Hoge Raad over Saunders-materiaal), als besmette vervolginformatie moeten worden uitgesloten. De beschikbaarheid van die bankafschriften vond immers haar grond in de eerder afgelegde, wilsafhankelijke verklaring, waardoor ook die verklaring wel degelijk een rol heeft gespeeld in de bewijsconstructie. Zonder die onder dwang afgelegde verklaring zou de inspecteur de betreffende bewijsmiddelen (de bankafschriften) niet tot zijn beschikking hebben gehad.7
Een beroep op de leer van de ‘fruits of the poisonous tree’ is in het kader van een informatiebeschikking al wel eens gehonoreerd. De inspecteur had de beschikking gekregen over een ordner met vertrouwelijke correspondentie tussen de belastingplichtige en zijn advocaat, maar daarbij was het verschoningsrecht geschonden. De inspecteur stelde vervolgens op basis van die (onrechtmatig verkregen) informatie vragen aan de belastingplichtige. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat die vragen niet hadden mogen worden gesteld.8