Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.5.2
11.2.5.2 Reikwijdte: categorieën wils(on)afhankelijke informatie en temporele aspecten
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940277:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Albert in zijn noot bij HR 21 maart 2008, BNB 2008/159 (punt 2.2 en 2.6), die verwijst naar de mogelijke verklaring die A-G Knigge daarvoor heeft gegeven. Ook Wijsman 2017, p. 228, geeft enkele verklaringen voor dit fenomeen. In dezelfde zin: A-G Wattel in zijn Conclusie bij HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, par. 4.13, Asbreuk 2008, Haas & Jansen 2013, De Haas & Vissers 2014, par. 3 en Van Toor 2016. Pechler heeft er voorts terecht op gewezen, dat ook binnen het EHRM doorgaans verschil van mening bestaat, hetgeen kenbaar is uit de dissenting (of concurring) opinions, zie Pechler 2012-I.
Ook Wijsman 2017, p. 118, leidt uit de EHRM-jurisprudentie deze driedeling af. A-G Wattel stelt ‘real evidence’ daarentegen gelijk aan Saunders-materiaal, zie zijn Conclusie voor HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, par. 6.12.
Naar mijn opvatting zien gegevens op vragen van het type wie/wat/waar/wanneer, terwijl inlichtingen zien op vragen van het type waarom en hoe. Vgl. ook HR 6 juni 2008, V-N 2008/27.4, BNB 2009/47, r.o. 3.5.2.
EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 75.
Dit lijkt althans de communis opinio te zijn, zie Wijsman 2017, p. 100-101. Ook het CBB gaat hier van uit, zie CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.4 en 5.3.8, hetgeen volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening ook terecht is. Zie voorts Haas & Jansen 2008 en Feteris 2002, p. 283. Zie ook HR 19 september 2006 (strafkamer), NJ 2007, 39 (r.o. 6.5.1), waaruit duidelijk blijkt dat de Hoge Raad uit art. 29 Sv afleidt dat het zwijgrecht ook geldt voor schriftelijke verklaringen. De precieze uitwerking voor schriftelijke verklaringen (gesteld tegenover mondelinge verklaringen) is echter niet altijd onomstreden geweest, zie de verwijzingen in noot 412 bij Feteris 2002, p. 283.
Vgl. HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, in het bijzonder waar het de verklaring omtrent het kantoormeubilair betreft.
Aldus ook: Wijsman 2017, par. 17.4.3.2.1.
Zie paragraaf 11.2.2, paragraaf 11.2.4.1 en paragraaf 11.2.4.5.
Volgens de Hoge Raad mag de inspecteur het bestaan daarvan aannemen, zodat die bescheiden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige bestaan, zie HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53, r.o. 2.3.3 (slot).
Het is derhalve van groot belang om steeds bijvoorbeeld de precieze grond voor de omkering van de bewijslast te identificeren: betreft het een (verkapt) verzoek om inlichtingen of om overlegging van (bestaande) bescheiden? De Hoge Raad toetst de betreffende kwalificatie van de feitenrechter slechts marginaal (HR 6 juni 2008, V-N 2008/27.4, BNB 2009/47, in het bijzonder r.o. 3.5.2 en 3.5.4).
In dezelfde zin: Wijsman 2017, p. 368. Zie ook paragraaf 11.2.3.3.
Aldus ook: Wijsman 2017, p. 101. Vgl. in dit verband het (nog onder een ander gesternte) gewezen arrest HR 8 juli 1998, BNB 1998/326.
HR 16 september 2005, BNB 2006/111.
Aldus ook Haas & Jansen 2008, par. 4. Vgl. ook de aldaar aangehaalde jurisprudentie. In de KBLux-zaak die leidde tot het arrest HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, ging het (voor het Hof) om (1) een verklaring welke buitenlandse rekeningen de belastingplichtige had aangehouden, (2) het geven van een opgaaf van die buitenlandse rekeningen en (3) het geven van een mondelinge toelichting op de betreffende gegevens (zie r.o. 3.4 van de Hofuitspraak).
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 283.
Aldus ook HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, r.o. 4.3.3. Vgl. voorts HR 24 januari 2014 (civiele kamer), NJ 2014, 70, waarin het ging om het dwangmiddel van de faillissementsgijzeling.
De Hoge Raad had voordat het EHRM het arrest Allen wees (zie Bijlage I), reeds overeenkomstig het ‘pending or anticipated’-aspect uit dat arrest geoordeeld, zie HR 11 december 1991, BNB 1992/243. Zie voor een voorbeeld waarin de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt wordt toegepast voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017, V-N 2018/11.4 (r.o. 4.11 en 4.30).
Aldus ook Feteris in zijn noot bij het arrest Saunders in BNB 1997/254 (punt 19).
Zie reeds het vóór het arrest Funke gewezen HR 11 december 1991, BNB 1992/243. Zie voorts de bespreking van verschillende nadien gewezen arresten bij Wijsman 2017, par. 16.4.2.
HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, r.o. 3.3.4, HR 16 september 2005, BNB 2006/111, HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, r.o. 3.8, HR 8 augustus 2014, V-N 2014/41.5, BNB 2014/206, NTFR 2014/2105, AB 2015/80, r.o. 2.6, HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, r.o. 3.6.6, HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, r.o. 4.3.6, HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108, r.o. 4.3.4. Zie ook de Hofuitspraken die aanleiding gaven tot HR 11 december 2020, V-N 2020/65.26.3 (art. 81 Wet RO) en HR 11 december 2020, V-N 2020/65.26.4 (art. 81 Wet RO). Zie ten aanzien van vergelijkbare inlichtingverplichtingen in de sfeer van het socialeverzekeringsrecht in dezelfde zin: CRvB 21 november 2012, NTFR 2012/2855 en CRvB 3 april 2013, JB 2013/118.
Aldus ook (in het kader van een informatiebeschikking) Hof Den Haag 25 maart 2020, V-N 2020/28.1.7, r.o. 5.5 (zie voor de afloop HR 11 december 2020, V-N 2020/65.26.4).
Zie paragraaf 11.2.3.5.
Wijsman 2017, p. 315.
Zie hieromtrent nader paragraaf 11.2.5.5.
Wijsman 2017, p. 315 e.v.. Voor wat betreft de sfeer van de heffing kan de belastingplichtige geen beroep doen op het nemo tenetur-beginsel. Eventuele spanningen moeten worden opgelost in de boetesfeer.
Daarmee in lijn is de opvatting dat in een procedure tegen een informatiebeschikking per definitie geen beroep kan worden gedaan op een schending van het nemo tenetur-beginsel, aldus Rb Zeeland-West-Brabant 14 december 2017, V-N 2018/10.5, r.o. 4.9.
Vgl. HR 29 oktober 1996 (strafkamer), NJ 1997, 232, r.o. 6.6.
Eenvoudigweg omdat pas op dat moment de bescherming van art. 6 EVRM geldt. Aldus ook (stellig): Van de Wetering in zijn noot bij EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, EHRC 2016/21. Vgl. ook EHRM 19 september 2000 (I.J.L., G.M.R. en A.K.P.), nrs. 29522/95, 30056/96 en 30574/96, EHRC 2000/81.
Zie paragraaf 11.2.3.4. In dezelfde zin: Wijsman 2017, par. 16.4.3.2 en p. 329. Wijsman houdt niettemin de mogelijkheid open dat bewijsuitsluiting in de latere sanctiezaak de aanvankelijke inbreuk op het zwijgrecht kan compenseren, zodat uiteindelijk geen strijd (meer) zou bestaan met art. 6 EVRM, zie par. 16.5.
Zie A-G Wattel in zijn Conclusie bij HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, par. 5.9, alsmede Feteris 2002, p. 292 (zie ook de verwijzingen in noot 452 aldaar).
Zie art. 5:53 Awb juncto art. 67pa AWR. Vgl. Thomas in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, FED 2012/77, die ook de aankondiging in een controlerapport noemt (punt 3.I).
Zie de noot van Feteris bij EHRM 25 februari 1993 (Funke), nr. 82/1991/334/407, FED 1993/628, punt 2. Vgl. voorts de Conclusie van A-G Wattel bij HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, par. 4. In laatstgenoemde zaak had het Hof geoordeeld dat er tijdens het reguliere controle-onderzoek nog geen sprake was geweest van een criminal charge. De Hoge Raad casseerde niet in verband met de feitelijke aard van dat oordeel.
Zie in dit verband het oordeel over deze kwesties van Wattel in zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225 (par. 7.15), welke ik van harte onderschrijf. In dezelfde zin: Steenman 2005, par. 5.
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2015, Stcrt. 2015, 17 271, V-N 2015/34.3 (voorheen de ATV-Richtlijnen en de Richtlijnen AAFD, zie V-N 2011/36.9).
Zie hiervoor in paragraaf 11.2.5.1.
Uit HR 18 januari 2008, V-N 2008/6.4, BNB 2008/165, NTFR 2008/157 kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de aangifte vermoedelijk niet aanmerkt als een verzameling eigen verklaringen, zie paragraaf 16.5.1.2. Interessant is dat de Hoge Raad (zij het in een ander verband, waarover nader in paragraaf 9.4.2) heeft overwogen dat ‘de fiscale aangifteplicht zich hierdoor kenmerkt dat de aangifteplichtige onder dreiging van een strafvervolging wordt gedwongen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud een verklaring af te leggen die de inspecteur in staat stelt de hoogte van de verschuldigde belasting vast te stellen.’, zie HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.4 [cursivering van mij].
Ook Haas & Jansen 2008, par. 3, kwalificeren het voldoen aan dergelijke verplichtingen als het afleggen van een verklaring, inhoudende dat te weinig belasting is voldaan of afgedragen.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2. Naar mijn mening is dit arrest ook een bevestiging van mijn opvatting dat de ‘gegevens en inlichtingen’ uit art. 47 lid 1 onder a AWR per definitie wilsafhankelijk zijn (ook in art. 10a AWR gaat het immers om ‘gegevens en inlichtingen’). Dat kunnen ook gegevens en inlichtingen zijn die niet in het format van de suppletie zijn verstrekt. Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2021, V-N 2022/18.14, r.o. 4.9. De Staatssecretaris van Financiën denkt daar hetzelfde over blijkens zijn toelichting op de intrekking van het cassatieberoep in V-N 2022/21.22.
Op dit punt week de Hoge Raad af van A-G Ettema, die in haar conclusie voor het arrest had betoogd dat de suppletie geen wilsafhankelijk karakter heeft als de OB-schuld al uit de (fiscale) jaarstukken blijkt (par. 4.2).
HR 25 februari 2022, V-N 2022/12.10, r.o. 3.3.2 (het arrest betrof de herzieningsregeling in de Wet OB).
Zie Bijlage I voor de bespreking van dit arrest.
In dit verband zijn de verzuimboetes wegens aangifteverzuimen als zodanig dan ook zonder meer toegestaan (art. 67a en art. 67b AWR). Hetzelfde geldt voor de vergrijpboete die de belastingplichtige wegens schending van de aangifteverplichting kan belopen (art. 67d) en de boetes wegens schending van de spontane informatieverplichtingen (art. 67ca lid 1 onder a AWR en – mogelijk – art. 67e AWR), art. 28b Wet LB en art. 10a lid 3 AWR). Ook de bewijsrechtelijke sanctie van de omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte is op zichzelf toegestaan (althans voor wat betreft de heffing). Het voorgaande zou ook kunnen gelden voor de vergrijpboete bij navordering, hoewel de omschrijving van het kale, beboetbare feit al wat verder verwijderd is van de aangifte (zie art. 67e AWR). De boetes bij aangiftebelastingen (art. 67c en art. 67f AWR) knopen aan bij de betaling, zodat het verband met de uit de aangifte verkregen informatie daar in ieder geval zwak is.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.3. Zie ook paragraaf 11.2.4.6.
In de jurisprudentie wordt dit beeld overigens bevestigd. Vgl. bijvoorbeeld het in paragraaf 9.3.2.2.4 en paragraaf 16.6.3.2 e.v. besproken EHRM-arrest Passet. Naar Nederlandse maatstaven was er in de betreffende casus sprake van het ‘niet doen van de vereiste aangifte’. Het nemo tenetur-beginsel verhinderde niet de doorwerking van de (effectief) omgekeerde bewijslast naar de boetesfeer (zie over de doorwerking nader paragraaf 16.4).
Vgl. het door de belanghebbende ingenomen standpunt in het cassatieberoepschrift voor HR 8 juli 1998, BNB 1998/326.
Aldus ook: Haas & Jansen 2013, par. 6.2.
Aldus ook: Steenman 2005, par. 5.4.
Vgl. de suppletie omzetbelasting, besproken in paragraaf 11.2.4.6.
Deze conclusies worden gedeeld door Haas & Jansen 2008, par. 3, zij het dat zij het mogelijke bestaan van een zwijgrecht koppelen aan de oplegging van een correctieverplichting door de inspecteur ex art. 28a lid 2 Wet LB. Naar mijn mening is er voor die ogenschijnlijke beperking geen aanleiding: waar het om gaat is of er – op grond van de autonome betekenis van dat begrip – sprake is van pending or anticipated criminal proceedings.
Haas & Jansen 2013, par. 6.2, maken een onderscheid tussen de daaronder vallende ‘toekomstgerichte’ verplichtingen inzake de (bestel)auto van de zaak (art. 12bis UBIB 2001, art. 8 en 9 UBLB) enerzijds, en de beide destijds bestaande andere verplichtingen, waaronder de suppletieaangifte omzetbelasting (art. 15 UBOB), anderzijds. Op zichzelf is het juist dat een tijdig nagekomen ‘toekomstgerichte’ verplichting geen beboetbaar feit kan opleveren, althans niet reeds ten tijde van de melding. Dat laat onverlet dat die melding niet tijdig kan zijn gedaan, waardoor de ontdekking van dat verzuim een ander licht werpt op al eerder ingediende aangiften.
Art. 15 UBOB.
Art. 67c of art. 67f AWR (respectievelijk art. 69 AWR). Naar mijn mening is het niet geheel zeker of een ingediende suppletie per definitie als vrijwillige verbetering kwalificeert, hoewel dat wel het uitgangspunt van de wetgever is geweest, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3, p. 60 (en p. 59) en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 29, p. 9. Zo leek de beleidgever een andere mening toegedaan dan de wetgever, aangezien hij de mogelijkheid van twee afzonderlijke boetes nadrukkelijk open heeft gehouden (zie par. 28a BBBB). Verder sprak par. 24a lid 1 (oud) BBBB van een suppletie ‘die is aan te merken als een vrijwillige verbetering’, waaruit volgt dat de beleidgever kennelijk ook rekening hield met het bestaan van suppleties die niet als vrijwillige verbetering kwalificeren. Als er sprake was van een wél als zodanig kwalificerende suppletie, sloot dat het opleggen van de vergrijpboete van art. 67f AWR uit, maar was een verzuimboete nog wel mogelijk (par. 24a lid 3 (oud) BBBB). Sinds de wijziging van het BBBB naar aanleiding van het arrest HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 (zie daarover nader paragraaf 11.2.4.6), staat elke ingediende suppletie (net als elk ingediend correctiebericht en elk verbeterbericht als bedoeld in art. 6.3 Wet bronbelasting 2021) echter aan de oplegging van een verzuimboete (art. 67c AWR) of vergrijpboete (art. 67f AWR) in de weg. De verzuimboete wordt zelfs bij aangiftebelastingen die een dergelijke spontane informatie- of mededelingsplicht helemaal niet kennen, niet meer opgelegd (zie de toelichting in Stcrt. 2023, 15037). De vraag of de suppletie als vrijwillige verbetering heeft te gelden, is daarmee tot een academische discussie verworden. In dat kader merk ik op dat de Hoge Raad (wel) rekening houdt met beboeting of bestraffing naar aanleiding van de suppletie, zie HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.3 en 4.4.1. In de daaraan voorafgaande uitspraak had het Hof nog stellig overwogen dat het voldoen aan de suppletieplicht ‘op geen enkele wijze’ tot beboeting of bestraffing leidt (Hof Den Haag 15 februari 2019, V-N 2020/33.26, r.o. 5.2). Daarbij speelde wellicht een rol dat de inspecteur onweersproken had gesteld dat het voldoen aan de verplichting juist beboeting of bestraffing voorkomt. Vermoedelijk is het Hof ervan uit gegaan dat (1) het indienen van een suppletie per definitie een vrijwillige verbetering oplevert, en (2) dat die vrijwillige verbetering ook tot algehele straffeloosheid leidt. Dat is naar mijn mening dus iets te kort door de bocht.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, waarover nader in paragraaf 11.2.4.6. Aldus ook reeds: Haas & Jansen 2013, par. 6.2. Zij gaan uit van een meewerkplicht met bewijsuitsluiting, zonder van een eventueel zwijgrecht te reppen. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2021, V-N 2022/18.14 en de bijbehorende toelichting van de Staatssecretaris van Financiën in V-N 2022/21.22, alsmede Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15.
Zie voor een nog verder gaande opvatting Hof ’s-Hertogenbosch 10 juli 2018 (strafkamer), V-N 2018/48.13.11. Het Hof overwoog dat het nemo tenetur-beginsel zijn betekenis zou verliezen ‘als zou worden aanvaard dat vóórdat bij de overheid een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan iemand bij wet kan worden verplicht uit eigener beweging te melden dat een feit is begaan, dat aanleiding geeft tot het bij de overheid ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld, waaruit een ‘criminal charge’ kan voortvloeien’. Dat betekent dat het Hof de regeling van art. 10a AWR intrinsiek (en dus bij voorbaat) in strijd acht met het nemo tenetur beginsel (om welke reden de regeling buiten toepassing moet worden gelaten). Naar mijn mening is die opvatting echter niet in lijn het met de jurisprudentie van het EHRM (pas bescherming vanaf ten minste pending or anticipated criminal proceedings) en de belastingkamer van de Hoge Raad (de latere sanctierechter beslist over het incriminerende gebruik van het bewijsmateriaal).
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29.
Zie de toelichting in Stcrt. 2023, 15037.
De specifiek in de sfeer van financiële zaken geldende uitzondering voor documenten behandel ik hierna onder 3.
Zie daarover nader paragraaf 11.2.5.3.
Dit is een gebruikelijk kenmerk van het strafrechtsysteem, zie Wijsman 2017, p. 271 en de verwijzing aldaar.
Wijsman 2017, p. 136, onderscheidt echter de huiszoeking van de (vordering tot) inbeslagneming, omdat voor laatstgenoemde verkrijging (wel) enige actieve medewerking van de verdachte noodzakelijk is.
Voor een voorbeeld zie HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, waarin in een kluis een machtiging van belanghebbende aan zijn echtgenote betreffende een Zwitserse bankrekening was aangetroffen. Zie voorts de uitleg die A-G Wattel aan de EHRM-jurisprudentie heeft gegeven in zijn Conclusie voor HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101.
Zie EHRM 10 september 2002 (Allen), nr. 76574/01, FED 2003/589.
Aldus ook: CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.2.
In dezelfde zin: Asbreuk 2008, par. 2.
Aldus ook: De Haas & Vissers 2014, par. 5. Voorzichtiger (destijds), maar wel aldus concluderend: Feteris in zijn noot bij het arrest Saunders in BNB 1997/254 (punt 20).
Vgl. in dit verband ook hetgeen Wattel opmerkte in zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 7.12.
Zie paragraaf 11.2.5.3 hierna.
A-G Bleichrodt merkte in zijn Conclusie voor HR 9 februari 2021 (strafkamer), NJ 2021/120, op dat in de jurisprudentie van het EHRM ook de verkrijging onder dwang van ‘real evidence’ een zekere bescherming geniet, maar dat die bescherming in de rechtspraak van de Hoge Raad op de achtergrond is gebleven (par. 46). Ten dele is deze problematiek terug te voeren op het feit dat het EHRM nimmer een sluitende definitie heeft gegeven van de begrippen ‘(eigen) verklaring’ en ‘materiaal’, aldus ook Wijsman 2017, p. 117.
Zie in dit verband ook Thomas in zijn noot bij EHRM 21 april 2009 (Marttinen), nr. 19235/03, FED 2009/69 (punt 16).
In algemene zin is de verplichting tot het voeren van een administratie geregeld in art. 52 AWR. Niettemin kennen de heffingswetten soms ook bijzondere administratieve voorschriften, bijvoorbeeld ten aanzien van de loonadministratie (art. 28 lid 1 onder c Wet LB) en op het terrein van de omzetbelasting (art. 34 e.v. Wet OB). Ik behandel deze administratieve verplichtingen hier niet afzonderlijk.
Aldus ook Albert 2005, p. 268. Vgl. voorts de noot van Feteris bij het arrest Saunders in BNB 1997/254 (punt 20) en de Conclusie van A-G Wattel voor HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, par. 4.22 (inzake de bankafschriften uit het arrest Funke).
EHRM 3 mei 2001 (J.B. versus Zwitserland), nr. 31827/96, V-N 2002/4.4, BNB 2002/26, par. 68.
Zie Hendriks in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, NTFR 2012/1225.
In dezelfde zin: Van Toor 2016, p. 30 en Wijsman 2017, p. 122.
In dezelfde zin: Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2022 (strafkamer), V-N 2022/14.19 (N.B. tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld). Volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat het nemo tenetur-beginsel ook van toepassing is op real evidence (waaronder documenten kunnen vallen). Zie in dit verband ook Koops 2012, p. 137. Hij wijst er terecht op dat veelal wordt verzuimd om het uitgangspunt van het EHRM vast te houden, dat de overheid op eigen kracht bewijs moet verzamelen. Ook Van Toor is van mening dat de verkrijging (onder dwang) het aanknopingspunt is voor de bescherming van het nemo tenetur-beginsel, Van Toor 2016, p. 33. Zie voor meer literatuurverwijzingen voorts Wijsman 2017, par. 7.3.4.2.
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.2.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh), nr. 54810/00, NJ 2007/226, par. 113.
Muller 2014, par. 6 (die net als ik veel belang hecht aan het arrest Jalloh in dit verband en voorts de wetgever tot actie aanspoort), De Haas & Vissers 2014, par. 5, Haas & Jansen 2013, par. 3.3, Wattel 2012, (uitgesproken, maar wel met begrip) Pechler 2012-I (die suggereert dat de wetgever aan zet is, aangezien hij geen koerswijziging van de Hoge Raad verwacht), Thomas in zijn noot bij EHRM 21 april 2009 (Marttinen), nr. 19235/03, FED 2009/69 (punt 21 en 22, die eveneens wetswijziging adviseert), Hendriks (voorzichtig) in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, NTFR 2012/1225, de Redactie Vakstudie-Nieuws (ook voorzichtig) in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2022 (strafkamer), V-N 2022/14.19, Van Eijsden in zijn noot bij HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, par. 5 (die de mate van dwang relevant acht bij het maken van het onderscheid) en Thomas in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, in FED 2012/77, alsmede de verwijzingen te vinden in Wijsman 2017, p. 358 (noot 117). Zie voorts reeds (op grond van J.B. versus Zwitserland) de Conclusie van A-G Wattel voor HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 7.9 (de overheid kan de belastingplichtige niet dwingen om mogelijk belastende documenten te overleggen) en Asbreuk 2008, par. 3 (voorzichtig-kritisch), alsmede de Conclusie van A-G Wattel voor HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, par. 4.17 e.v..
Zie Conclusie A-G Wattel voor HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101 (zie m.n. par. 6.7), Conclusie A-G Wattel voor HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, Conclusie A-G Wattel voor HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265 (zie m.n. par. 6.2) en Conclusie A-G Niessen voor HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53.
Dat de semantiek van de aanduiding ‘wils(on)afhankelijk’ voor veel verwarring kan zorgen, heeft Van Eijsden treffend laten zien in zijn noot bij BNB 2016/21, par. 3 en par. 5.
Volgens Wijsman passen deze opvattingen in de (door hem zo genoemde) ‘ruime lezing’ van de jurisprudentie van het EHRM, Wijsman 2017, p. 369 en par. 7.3.4. In die ruime lezing is de verkrijgingswijze (meer precies: de mate van dwang die bij de verkrijging wordt uitgeoefend) doorslaggevend. Zie omtrent deze aspecten verderop onder ‘Nadere analyse: means based versus material based’.
Zie de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5 (slot). Ook Haas & Jansen menen dat – mits de mate van uitgeoefende dwang voldoende groot is – het afdwingen van stukken waarover de autoriteiten niet zonder de medewerking van de boeteling kunnen beschikken, een schending van art. 6 EVRM oplevert, zie Haas & Jansen 2015.
Zie zijn noot bij HR 24 april 2015 (civiele kamer) in NJ 2015/265 (dit betreft het ook in V-N 2015/41.5 gepubliceerde arrest). In dezelfde zin: Van Eijsden in zijn noot bij HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, par. 4.
Zie omtrent deze benadering nader paragraaf 11.2.4.5.
Wijsman 2017, p. 365-366. Dat in de opvatting van het EHRM de beschikbaarheid voor de autoriteiten bepalend is, onderschrijf ik. Naar mijn mening maakt de vereiste actieve medewerking om aan een op zichzelf gerechtvaardigd informatieverzoek te voldoen, het materiaal echter juist om die reden wilsafhankelijk. Zie daaromtrent nader paragraaf 11.2.5.3 hierna. Vgl. ook hetgeen Wijsman opmerkt over ‘wilsafhankelijke documenten’ (zie Wijsman 2017, p. 360 en 362), waarover nader in paragraaf 11.2.4.5 hiervoor. Dat een Babylonische spraakverwarring in dit verband op de loer ligt, moge ook blijken uit Van Toor 2016, p. 35, die opmerkt dat real evidence volgens hem overeenkomt met bewijs dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat. Hij meent overigens, met de Hoge Raad, dat het juiste perspectief voor de kwalificatie wils(on)afhankelijk het fysieke bestaan van het materiaal is, zie p. 37.
Zie paragraaf 11.2.3.3.
Zie daarover nader paragraaf 11.2.4.5.
Wijsman deelt deze opvatting van de Hoge Raad, zie Wijsman 2017, p. 128.
Zie paragraaf 11.2.4.5.
Ik merk op dat het EHRM in het arrest De Legé geen integraal oordeel heeft gegeven over de argumenten die de Hoge Raad aan zijn beslissing ten grondslag had gelegd.
In dezelfde zin (ook ten aanzien van het belang van het arrest Jalloh in dit verband): Muller 2014, par. 6.
Wijsman noemt deze interpretatie (die hij zelf afwijst) de ‘ruime lezing’ van de Straatsburgse rechtspraak, zie Wijsman 2017, par. 7.3.4.3 en p. 366 (noot 152). Volgens Wijsman is het arrest Jalloh een uitzonderlijk geval omdat daar in de eerste plaats een schending van art. 3 EVRM aan de orde was. Naar mijn mening doet die omstandigheid aan de betekenis van dat arrest voor het nemo tenetur-beginsel niets af, nu het EHRM (los van de schending van art. 3 EVRM) ook rechtstreeks een schending van art. 6 EVRM aannam.
Te denken valt aan feitelijke informatie die geen rechtstreekse bekentenis van (elementen van) het beboetbare feit inhoudt, maar wel licht werpt op ander (direct) bewijs of op de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid daarvan.
Zie Wijsman 2017, par. 11.3.1 en par. 11.3.2, die in het licht van de eindtoets in gaat op de betekenis van het latere gebruik van (indirect) bewijs voor de bewijsconstructie (als één van de drie Allan-criteria).
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16.
In deze zin ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16.
Vermoedelijk moet de inspecteur in de opvatting van het EHRM het positieve bewijs leveren dat het gaat om bestaande documenten, van welk bestaan hij reeds op de hoogte is, terwijl de boeteling in de opvatting van de Hoge Raad zou moeten bewijzen dat er sprake is van een verkapte eigen verklaring.
De algemene conclusie die uit de voorgaande paragrafen kan worden getrokken, is dat de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel in de ogen van het EHRM ruimer is dan in de ogen van de Hoge Raad. Hierbij moet worden aangetekend dat de jurisprudentie van het EHRM erg casuïstisch en op het oog niet altijd even consistent is.1 Niettemin ben ik van mening dat de huidige leer van de Hoge Raad op onderdelen tekortschiet. In verband met de uiteenlopende opvattingen van de Hoge Raad en het EHRM over met name de invulling van het Saunders-criterium, moeten naar mijn mening drie categorieën informatie worden onderscheiden, te weten (wilsafhankelijke) eigen verklaringen, Saunders-materiaal en real evidence.2 In het navolgende werk ik deze drie categorieën afzonderlijk nader uit.
1. Informatieverplichtingen ten aanzien van (wilsafhankelijke) eigen verklaringen
Algemene informatieverplichtingen ex art. 47 e.v. AWR
In termen van art. 47 e.v. AWR gaat het hierbij voornamelijk om de verplichting om ‘gegevens en inlichtingen te verstrekken’ als bedoeld in art. 47 lid 1 onder a AWR.3 Hoewel de inspecteur kan kiezen op welke wijze hij de betreffende gegevens en inlichtingen verstrekt wenst te krijgen,4 is de vorm waarin dat gebeurt op zichzelf niet relevant. Of en in hoeverre de gegevens en inlichtingen worden verstrekt, is immers steeds wanneer er gerichte vragen aan de belastingplichtige worden gesteld, afhankelijk van zijn wil. Het maakt daarbij niet uit of de antwoorden mondeling, schriftelijk5 of op enige andere wijze worden gegeven.6
Zuivere eigen verklaringen zullen ook in de letterlijke opvatting van het ‘bestaans-criterium’ uit het arrest Saunders die de Hoge Raad hanteert, als wilsafhankelijk worden aangemerkt: dergelijke verklaringen kunnen immers slechts ‘existeren’ dankzij de wil van de belastingplichtige.7 Met betrekking tot deze categorie bestaat er derhalve geen verschil in opvatting tussen Hoge Raad en EHRM.8
Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een (algemeen geformuleerd) verzoek tot overlegging van documenten en bescheiden in het licht van de jurisprudentie van het EHRM een verkapt verzoek om het afleggen van een eigen verklaring omtrent het bestaan ervan kan opleveren.9 De Hoge Raad lijkt dit punt voldoende te hebben onderkend, ook al heeft hij een uitzondering gemaakt voor bescheiden die betrekking hebben op rekeningen waarvan de belastingplichtige reeds als rekeninghouder is geïdentificeerd.10 A contrario redenerend, behelst de vraag naar documenten waarvan de autoriteiten niet zeker weten dat de belastingplichtige daarover beschikt, dan ook volgens de Hoge Raad een wilsafhankelijke verklaring omtrent het bestaan daarvan.11 Dat is in lijn met het Funke-criterium (‘nog slechts vermoeden’) van het EHRM.12
Het geven van inlichtingen en het verstrekken van gegevens op grond van art. 47 AWR zal derhalve steeds gedekt worden door het nemo tenetur-beginsel, aangezien het daarbij gaat om het afleggen van eigen verklaringen. Het bereik is groot: (antwoorden op) vragen uit de aangifte,13 losse vragenbrieven, mondelinge vragen tijdens controles, vragen gesteld na het opleggen van de aanslag,14 tijdens hoorzittingen of verhoren, en vragen afgedwongen via een civielrechtelijke dwangsom,15 vallen alle onder de bescherming van het nemo tenetur-beginsel.16
De voorlopige conclusie is dus, dat zowel in de opvatting van de Hoge Raad als die van het EHRM voor wat betreft de categorie eigen verklaringen de bescherming van het nemo tenetur-beginsel geldt. In het navolgende zal ik deze vaststelling als uitgangspunt nemen en nader in gaan op de (mogelijke) verschillen bij de concrete uitwerking van die bescherming.
In dit verband is van belang dat de Hoge Raad heeft opgemerkt dat het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal geen rol speelt voor zover het materiaal wordt gevorderd voor de heffing.17 In beginsel moet de belastingplichtige dus gewoon meewerken, in ieder geval totdat er sprake is van pending or anticipated criminal proceedings.18 Van een zwijgrecht is in die voorfase geen sprake. Hij geniet echter steeds de latente bescherming, die inhoudt dat zijn afgelegde verklaringen later niet mogen worden gebruikt in het kader van de beboeting.19 De Hoge Raad heeft dit aloude20 uitgangspunt herhaaldelijk en uitdrukkelijk bevestigd: de rechter in de latere sanctiezaak (waar de criminal charge wordt behandeld) zal te zijner tijd moeten oordelen over het eventuele incriminerende gebruik in die zaak.21 Op zichzelf is deze aanpak in lijn het de jurisprudentie van het EHRM,22 hoewel opgemerkt moet worden dat het niet zeker is of het EHRM in de voorfase wellicht toch een zwijgrecht zal erkennen.23
Wijsman heeft er naar mijn mening terecht op gewezen dat de verbijzondering naar het doel waarvoor het materiaal wordt gevorderd ‘subtiel en misschien zelfs arbitrair’ is.24 Verreweg de meeste fiscale informatieverzoeken kunnen immers ook relevant zijn (of worden) voor een eventueel op te leggen boete en hebben dus van nature een gemengd karakter.25 Desondanks brengt de Hoge Raad steevast een strikte ‘procedurele scheiding’ aan tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de beboeting,26 op grond waarvan in de sfeer van de heffing altijd gewoon moet worden meegewerkt.27
Helaas heeft de Hoge Raad nog niet expliciet hoeven oordelen over de vraag of een belastingplichtige ook staande een criminal charge wilsafhankelijke verklaringen moet blijven afleggen, of dat hij dan zal mogen zwijgen.28 Hoewel ook het EHRM pas een inroepbaar zwijgrecht erkent vanaf het bestaan van pending or anticipated criminal proceedings,29 vindt de strikte procedurele scheiding van de Hoge Raad tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete, naar mijn mening geen steun in de jurisprudentie van het EHRM. Blijkens die jurisprudentie geldt vanaf een pending or anticipated criminal proceedings namelijk een zwijgrecht dat zich wel degelijk ook uitstrekt tot (een weigering om te voldoen aan een informatieverzoek in) de sfeer van de heffing.30 Tegenstanders wijzen op de belemmeringen die een dergelijk zwijgrecht opwerpt voor de heffing, en op het ongerechtvaardigde privilege dat (potentiële) boetelingen zouden genieten ten opzichte van hun rechtschapen collega-belastingplichtigen.31 Dit aspect is bij de categorie eigen verklaringen het belangrijkste potentiële pijnpunt (dát het nemo tenetur-beginsel van toepassing is, staat bij deze categorie immers buiten kijf). Het is dus afwachten wat de Hoge Raad in voorkomend geval zal beslissen.
In dit verband rijst ook de vraag wanneer er in de Nederlandse situatie sprake zal zijn van ten minste anticipated criminal proceedings. Naar mijn mening gaat het erom of het voor de belastingplichtige redelijkerwijs voorzienbaar is dat aan hem (tevens) een fiscale bestuurlijke boete zal worden opgelegd of een strafvervolging zal worden ingesteld. De enkele theoretische mogelijkheid (die vrijwel steeds zal bestaan) is immers onvoldoende. De officiële mededeling van nader onderzoek bij dreigende verjaring van de vergrijpboete bij navordering of naheffing zal zeker een redelijke verwachting scheppen.32 Datzelfde geldt voor de vooraankondiging van het voornemen om een vergrijpboete op te leggen, waarbij de beoogde boeteling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.33 In mijn ogen kan de redelijke verwachting ook worden ontleend aan andersoortige (schriftelijke of mondelinge) uitingen van de inspecteur, bijvoorbeeld hangende een boekenonderzoek, temeer daar het door het EHRM aangelegde criterium een duidelijke objectieve component heeft (redelijkerwijs voorzienbaar). In de literatuur is steun te vinden voor een dergelijke opvatting.34 Daarnaast valt uiteraard te denken aan buiten de fiscaal-bestuursrechtelijke sfeer gelegen criminal charges die pending or anticipated zijn, zoals een dreigend of aanhangig strafrechtelijk onderzoek.35 In dit kader meen ik dat een strafrechtelijke vervolging in redelijkheid kan worden verwacht indien aannemelijk is dat wordt voldaan aan de aanmeldingscriteria conform het Protocol AAFD.36
Overige informatieverplichtingen
Naast de algemene inlichtingenverplichting van art. 47 AWR valt bij de categorie eigen verklaringen ook te denken aan de reguliere aangifteverplichting en de vier eerdergenoemde spontane informatieverplichtingen.37 Het invullen van een aangiftebiljet komt in dit verband immers neer op het afleggen van een groot aantal verklaringen omtrent verschillende voor de heffing relevante onderwerpen.38 Iets vergelijkbaars geldt voor de vier spontane informatieverplichtingen: in feite behelzen deze steeds de verplichting om een schriftelijke of elektronische verklaring af te leggen omtrent bepaalde voor de heffing relevante feiten.39 Wat betreft de suppletieverplichting voor de omzetbelasting als bedoeld in art. 10a AWR juncto art. 15 UBOB heeft de Hoge Raad dit bevestigd. De Hoge Raad oordeelde dat de in dat kader gedane mededeling (van de onjuistheden of onvolledigheden in de fiscaal relevante gegevens en inlichtingen) naar haar aard moet worden aangemerkt als wilsafhankelijk materiaal.40 De Hoge Raad voegde daaraan toe dat het niet uitmaakt dat die ‘verklaring’ gebaseerd kan zijn op in de administratie van de belastingplichtige aanwezige facturen en andere documenten.41 Hoewel de suppletie omzetbelasting volgens de Hoge Raad niet kan worden gelijkgesteld met het doen van aangifte,42 zie ik niet in waarom de duiding van de reguliere aangifte in het kader van het nemo tenetur-beginsel in de ogen van de Hoge Raad anders zou uitpakken.
De vraag rijst of voor de hier bedoelde (spontane) informatieverplichtingen ook de (latente) bescherming van het nemo tenetur-beginsel geldt. Naar mijn mening is dat inderdaad het geval, zij het dat strijd met dat beginsel enkel vanwege de informatie-uitvraag zelf moeilijk voorstelbaar is. Uit het arrest Allen is immers duidelijk gebleken dat het bestaan van een algemene informatieverplichting, zoals het doen van aangifte met enkele bijlagen, op zichzelf niet in strijd komt met het nemo tenetur-beginsel.43 Dat geldt ook wanneer het schenden van die verplichting als zodanig bedreigd wordt met een boete of sanctie.44 Ten aanzien van de suppletieverplichting voor de omzetbelasting heeft de Hoge Raad de leer uit het arrest Allen uitdrukkelijk bevestigd.45
Het geval waarin er ten tijde van het (moeten) indienen van de aangifte reeds redelijkerwijs kan worden voorzien dat de daarin opgenomen informatie zal leiden tot een boete, anders dan vanwege de onjuistheid of onvolledigheid van die informatie zelf, lijkt mij tamelijk zeldzaam.46 Denkbaar is wel dat er ten tijde van de aangifteplicht een strafrechtelijkecriminal charge is geuit, waarvoor feiten die bij het doen van de aangifte boven water zullen komen, van belang zouden kunnen zijn.47
Het voorgaande geldt evenzeer voor de spontane verplichting om te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. In wezen is die verplichting niets anders dan een afgeleide van de aangifteverplichting zelf.
De situatie is naar mijn smaak echter anders wanneer het gaat om de andere drie spontane informatieverplichtingen (het correctiebericht in de loonheffingen, de verbeterplicht in de bronbelasting en de verplichtingen ex art. 10a AWR). In die situaties is het juist wél goed voorstelbaar dat de verplicht verstrekte informatie (rechtstreeks) leidt tot een boete vanwege een ander feit, te weten de schending van de aangifte- of betalingsverplichting ter zake van de betreffende heffing.48 Het indienen van een correctiebericht, waarin gewag wordt gemaakt van een gemaakte fout in een aangifte over een periode in een reeds verstreken jaar, kan bijvoorbeeld leiden tot de oplegging van een naheffingsaanslag. In samenhang daarmee kan normaliter zowel een aangifteverzuimboete als een betaalverzuim- of vergrijpboete (vanwege de met de onjuiste of onvolledige aangifte corresponderende afdracht) worden opgelegd.49 De wetgever heeft het opleggen van een aangifteverzuimboete naar aanleiding van een correctiebericht in bepaalde gevallen echter expliciet uitgesloten.50 Naar mijn mening verzet (ook) het nemo tenetur-beginsel zich tegen het opleggen van daaropvolgende boetes, omdat de onder dwang afgelegde verklaring (het correctiebericht) dan immers incriminerend zou worden gebruikt in een andere boetezaak (bijvoorbeeld vanwege de onvolledige afdracht51).52 Het correctiebericht dient derhalve als bewijsmiddel te worden uitgesloten.53 Ik meen zelfs dat er onder omstandigheden een zwijgrecht geldt, namelijk wanneer redelijkerwijs verwacht mag worden dat er een aansluitende boete zal worden opgelegd (pending or anticipated criminal proceedings). In dergelijke gevallen kan dan geen boete worden opgelegd wegens het niet indienen van het correctiebericht.54 Mutatis mutandis is het voorgaande ook van toepassing op de wettelijke verbeterplicht in de bronbelasting.
Hetzelfde geldt voor de spontane mededelingsverplichtingen van art. 10a AWR.55 Zo dient de belastingplichtige bijvoorbeeld een verplichte suppletie in te dienen wanneer hij constateert dat er een fout is gemaakt in een eerder ingediende aangifte omzetbelasting.56 Het is niet denkbeeldig dat de inspecteur bij de op die suppletie volgende naheffingsaanslag een verzuim- of vergrijpboete oplegt wegens de te lage voldoening op aangifte (of dat bestraffing volgt wegens de onjuiste of onvolledige aangifte).57 De Hoge Raad heeft – naar mijn mening terecht – bevestigd dat de ingediende suppletie in dat geval als bewijsmiddel moet worden uitgesloten voor de betreffende boete (of straf).58 Vanaf het moment waarop er sprake is van pending or anticipated criminal proceedings kan er naar mijn mening ook een zwijgrecht gelden, waardoor het opleggen van de boete wegens het niet indienen van de suppletie zelf onrechtmatig wordt.59
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad over de suppletieverplichting voor de omzetbelasting60 heeft de beleidgever deze lijn vastgelegd in het BBBB. De verzuimboete van art. 67c AWR en de vergrijpboete van art. 67f AWR kunnen niet worden gebaseerd op een verklaring die de belasting- of inhoudingsplichtige ‘ter nakoming van een wettelijke mededelingsplicht en onder bedreiging van een boete heeft verstrekt’.61 Uit de toelichting op de invoering van deze bepaling in het BBBB volgt duidelijk dat de beleidgever hierbij niet alleen het oog heeft gehad op de suppletieverplichting voor de omzetbelasting, maar ook op het correctieberichtin de loonbelasting en het verbeterbericht als bedoeld in art. 6.3 Wet bronbelasting 2021.62
2. Informatieverplichtingen ten aanzien van ‘echt’ Saunders-materiaal
Bij deze categorie informatiedragers gaat het om materiaal dat, in de beperkte opvatting van het Saunders-criterium die het EHRM hanteert, voor zijn bestaan onafhankelijk is van de medewerking van de belastingplichtige. Doorslaggevend is daarbij het perspectief van de vervolgende overheid, zodat het gaat om het bestaan als bewijsmiddel. Aldus blijft deze categorie in beginsel63 beperkt tot het type materiaal waarvan het EHRM in het arrest Saunders een niet-limitatieve opsomming gaf: bestaande documenten gevonden tijdens een huiszoeking, bloed-, adem- en urinemonsters of lichaamsweefsels. Het betreft derhalve steeds materiaal dat is verkregen met gebruikmaking van bevoegdheden die normaliter tot de strafvorderlijke sfeer behoren. Ten aanzien van dat materiaal bestaat in feite slechts de verplichting om een bepaalde opsporingshandeling te dulden (een passieve duldplicht64).65
Vertaald naar de Nederlandse fiscale situatie betekent het voorgaande dat deze categorie in feite een zeer geringe betekenis heeft. Boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of onderdelen van de administratie die onder toepassing van art. 47 AWR tijdens het reguliere, bestuursrechtelijke toezichts- en handhavingsproces (zoals een boekenonderzoek) zijn opgevraagd,66 kwalificeren in ieder geval niet als Saunders-materiaal in de hier bedoelde zin. Het gaat dan immers niet om het dulden van een strafvorderlijke opsporingshandeling. Goed beschouwd komen voornamelijk documenten die tijdens een (fiscaal-67)strafvorderlijke huiszoeking of inbeslagneming68 zijn verzameld in aanmerking.69 Voorts valt in dit verband te denken aan de fiscaal-bestuursrechtelijke evenknie van de huiszoeking,70 alsmede aan andere passieve duldplichten in het kader van de belastingheffing.71
Met betrekking tot dit ‘echte’ Saunders-materiaal leidt de letterlijke opvatting van het ‘bestaans-criterium’ uit het arrest Saunders die de Hoge Raad hanteert, niet tot een andere conclusie. Het is immers zonneklaar dat (ook) dergelijk materiaal ‘existeert’ onafhankelijk van de wil van de boeteling. De documenten bestaan bezien vanuit de belastingplichtige reeds als zodanig, en dat is voor de Hoge Raad voldoende.
Hoewel de Hoge Raad een andere definitie hanteert, ontstaan er met betrekking tot deze categorie bewijsmiddelen onder aan de streep dus geen verschillen met het EHRM. Gedwongen informatieverstrekking van ‘echt’ Saunders-materiaal ten behoeve van de belastingheffing komt immers niet in strijd met het nemo tenetur-beginsel.72 Op grond van het arrest Saunders belemmert art. 6 EVRM ook het incriminerende gebruik van wilsonafhankelijke informatie(dragers) niet, hoezeer die ook onder dwang zijn verkregen.73 Wel kan ‘echt’ Saunders-materiaal op grond van het arrest Jalloh vermoedelijk slechts de rol van indirect (steun)bewijs spelen in de uiteindelijke bewijsconstructie.74
De conclusie is dan ook, dat de belastingplichtige met betrekking tot deze informatiedragers niet alleen moet meewerken (omdat hij geen zwijgrecht heeft), maar dat hij tegen het latere gebruik daarvan in het kader van de beboeting bovendien geen bezwaar kan maken,75 anders dan dat het daaraan toegekende gewicht voor de bewijsconstructie te groot is. Uit het voorgaande vloeit naar mijn mening voort dat het temporele aspect (de aanvang van de criminal charge) bij deze categorie niet van belang is: ook nadien gevraagde medewerking moet gewoon worden verleend, zonder dat later strijd zal ontstaan met art. 6 EVRM.
Op zichzelf beschouwd doet het wellicht ongemakkelijk aan dat harde, strafvorderlijke en directe dwang (waartegen in wezen geen verzet mogelijk is) kennelijk wel door de beugel kan, terwijl minder vergaande en indirecte vormen van dwang, bestaande uit ‘slechts’ een dreiging met bijvoorbeeld boetes, dwangsommen of strafrechtelijke vervolging, in beginsel te ver gaat.76 Naar mijn mening heeft het EHRM echter een deugdelijke onderbouwing voor het gemaakte onderscheid gegeven, aan de hand van de achterliggende rechtsgrond van het nemo teneur-beginsel: de vrijheid om er desgewenst het zwijgen toe te doen.77 Die vrijheid ziet ook op het (niet) verlenen van medewerking aan het vergaren van (potentieel) incriminerend bewijs, maar niet op het louter dulden van relatief geringe opsporingshandelingen.
3. Informatieverplichtingen ten aanzien van real evidence
Uit het voorgaande volgt dat er, voor wat betreft de hiervoor besproken categorieën eigen verklaringen en ‘echt’ (meestal strafvorderlijk afgedwongen) Saunders-materiaal uiteindelijk geen verschillen bestaan tussen de uitwerking van de Hoge Raad en het EHRM. De bescherming van het nemo tenetur-beginsel geldt immers wél voor eigen verklaringen, maar niet voor Saunders-materiaal. Het is de tussencategorie van de real evidence waarover de opvattingen van de Hoge Raad en het EHRM soms uiteenlopen.78
Juist deze tussencategorie bevat typen bewijsmiddelen die in fiscalibus bij uitstek van groot belang zijn, zoals in het bijzonder schriftelijke stukken (niet-zijnde schriftelijke eigen verklaringen) en documenten. In termen van art. 47 e.v. AWR79 is in dit verband de verplichting opgenomen om boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (of de inhoud daarvan) beschikbaar te stellen,80 dan wel – ingeval er sprake is van een administratieplichtige ex art. 52 lid 2 AWR – de benodigde medewerking te verlenen met het oog op een controle van de administratie, inclusief het verschaffen van inzicht in de opzet en werking daarvan.81 Uiteraard valt ook te denken aan de administratie zelf,82 maar naar mijn mening kan de administratie (als bewijsmiddel) alleen onder de werking van het nemo tenetur-beginsel vallen als die administratie beschikbaar moet worden gesteld.
Het belangrijkste verschil in opvatting tussen het EHRM en de Hoge Raad is in dit verband terug te voeren op de uitleg van de term ‘bestaan’ uit het Saunders-arrest: gaat het erom of het materiaal als materie (in fysieke zin) ergens aanwezig is in het universum (Hoge Raad) of moet het materiaal ook een bestaan als bewijsmiddel voor de overheid hebben (EHRM)?
Naar mijn mening is laatstgenoemde uitleg de juiste. Waarom zou het EHRM in het arrest Saunders anders aan de categorie ‘documents’ hebben toegevoegd ‘acquired pursuant by a warrant’? Ook lijkt het niet logisch om alle soorten documenten per definitie op één lijn te stellen met afgestane lichaamsweefsels (waarbij dat afstaan ook nog eens strafvorderlijk wordt afgedwongen). Bovendien zouden de arresten Funke en J.B. versus Zwitserland niet goed zijn te rijmen met het arrest Saunders als de aangehaalde toevoeging daarin zou hebben ontbroken.83 Dat het EHRM de stukken uit het arrest J.B. versus Zwitserland niet aanmerkte als Saunders-materiaal,84 zou dan immers onverklaarbaar zijn. Dit laatste punt is ook – met enige verbazing – in de literatuur opgemerkt.85 Uit de latere rechtspraak van het EHRM (in het bijzonder uit het arrest Jalloh) is bovendien op te maken dat het arrest J.B. versus Zwitserland wel degelijk als richtsnoer moet worden genomen voor wat betreft het vraagstuk van de real evidence.86 Het EHRM pleegt het Saunders-criterium dus in beginsel beperkt uit te leggen.
In de opvatting van het EHRM is er alleen sprake van ‘echt’ Saunders-materiaal wanneer de betreffende documenten zonder enige actieve bemoeienis van de verdachte zijn verkregen (bijvoorbeeld tijdens een rechtmatige huiszoeking). Het wilsafhankelijke aspect moet volgens het EHRM worden beoordeeld vanuit het perspectief van de overheid: doorslaggevend is de vraag of de verkrijging door de overheid afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige.87
Volgens de Hoge Raad volgt echter (kennelijk) onomstotelijk uit het Saunders-arrest dat slechts de aard van het materiaal, in de zin van het fysieke bestaan, van belang is. Ik vind in het arrest Saunders, maar ook (of eerder: juist) in de nadien door het EHRM gewezen jurisprudentie, echter geen enkel aanknopingspunt voor deze opvatting. De overweging in BNB 2008/159 dat bankafschriften stukken zijn, ‘die niet van rechtstreeks belang zijn voor de vraag óf belanghebbende het beboetbare vergrijp heeft begaan’, staat naar mijn mening haaks op het arrest Jalloh.88 Uit een tenaamgesteld bankafschrift volgt immers rechtstreeks dat de beschikking over het saldo en de vruchten daarvan bestond: dat bankafschrift vormt real evidence, geen indirect bewijs. Wat een bolletje cocaïne is voor het delict drugshandel, zijn bankafschriften voor het beboetbare feit van art. 67e AWR. Uit het arrest Jalloh volgt naar mijn mening dat het EHRM er hetzelfde over denkt, aangezien de bewijsverkrijging ten laste van Jalloh op één lijn werd gesteld met de verkrijging van bankafschriften en dergelijke bescheiden in de met name genoemde arresten Funke en J.B. versus Zwitserland.89
Ook in de literatuur werd al geruime tijd en bij monde van velen – in het bijzonder sinds het arrest Chambaz – gesignaleerd dat de Hoge Raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de jurisprudentie van het EHRM en dat de nationaalrechtelijk ontwikkelde leer in feite onhoudbaar is.90 Vermeldenswaard is ook, dat de Hoge Raad in de arresten uit 2013 en 2015 op dit punt nadrukkelijk afweek van de Conclusies die de beide A-G’s daarvoor hadden genomen.91 Zowel A-G Niessen als A-G Wattel waren van mening dat de rechtspraak van het EHRM geen andere conclusie toelaat dan dat het nemo tenetur-beginsel in beginsel ook ziet op het afdwingen van reeds bestaand materiaal,92 zoals documenten en andere bescheiden, waaronder bankafschriften en portfolio-overzichten. Bij de belastingplichtige in het reguliere toezichts- en handhavingsproces (onder art. 47 e.v. AWR) opgevraagde documenten zijn volgens hen dus geen Saunders-materiaal.93 In de aanloop naar en de nasleep van de arresten uit 2013 en 2015 is ook elders in de literatuur opnieuw stevige kritiek geuit op de interpretatie van het begrip Saunders-materiaal door de Hoge Raad.94 Daarbij heeft Zwemmer er naar mijn mening terecht op gewezen dat de Hoge Raad met een verwijzing naar het Saunders-arrest heeft volstaan (welk arrest geen betrekking had op opgevraagde bankgegevens), terwijl de EHRM-arresten waarin werd geoordeeld dat bankgegevens níet konden worden aangemerkt als Saunders-materiaal, onbesproken zijn gebleven.95 Wijsman deelde deze breed gedragen kritiek niet, en gaf als verklaring dat de Hoge Raad het onderscheid wilsafhankelijk versus wilsonafhankelijk gelijk laat lopen met de reikwijdte van art. 47 AWR. Gerechtvaardigde, gerichte informatieverzoeken leveren in deze opvatting altijd wilsonafhankelijk materiaal op, terwijl alleen fishing expeditions, die zich buiten de reikwijdte van art. 47 AWR bevinden, verkapte (wilsafhankelijke) eigen verklaringen behelzen.96 Wijsman verdedigde dat deze opvatting voldoende strookt met de arresten van het EHRM, waarin de beschikbaarheid van de documenten voor de autoriteiten bepalend lijkt voor de wils(on)afhankelijkheid.97
Uit het EHRM-arrest De Legé volgt dat Wijsman het in grote trekken bij het rechte eind had. In dat arrest maakte het EHRM in wezen een uitzondering op de hoofdregel, die inhoudt dat documenten als regel ook onder de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel vallen. In financieel getinte zaken zijn specifiek aangewezen documenten die al bestaan én van welk bestaan de autoriteiten reeds op de hoogte zijn, echter wilsonafhankelijk, zodat dergelijke documenten mogen worden afgedwongen.98 Het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad uit 2015 bleek daarmee juist te zijn.99
Toch is de benadering van het EHRM niet gelijk aan de benadering die de Hoge Raad had gekozen. De categorie ‘reeds bestaande documenten waarvan de autoriteiten het bestaan kennen’ is in beide opvattingen de uitzondering op de hoofdregel. De hoofdregel van het EHRM is echter niet de hoofdregel van de Hoge Raad. In de opvatting van het EHRM geldt het nemo tenetur-beginsel (voor de betreffende categorie documenten) toch niet, in de opvatting van de Hoge Raad geldt het nemo tenetur-beginsel (soms) toch wél.
Ook in de onderbouwing bestaan verschillen. Zo heeft de Hoge Raad in de arresten uit 2015 opgemerkt, dat als voor de wilsafhankelijkheid het verlenen van (enige) medewerking van de belastingplichtige bepalend zou zijn, het onderscheid uit het arrest Saunders zinledig zou worden.100 Het afgeven van bescheiden kan nimmer zonder medewerking van de betrokkene plaatsvinden, terwijl in elke afgedwongen overhandiging van bescheiden tevens een erkenning van het bestaan ervan besloten ligt, aldus de Hoge Raad. Enigszins cryptisch oordeelde de Hoge Raad dat het nemo tenetur-beginsel zich niet uitstrekt tot ‘alle bescheiden waarvan het overhandigen erkenning van het bestaan ervan impliceert’.101 Deze observaties overtuigen naar mijn mening niet.102 In de eerste plaats ging het in het arrest Saunders immers niet zomaar om documenten, maar om ‘documents pursuant to a warrant’, welke documenten bovendien op één lijn werden gesteld met onder andere weefselmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek. In de tweede plaats heeft het EHRM in het arrest De Legé geoordeeld dat het nemo tenetur-beginsel van toepassing is op documenten waarvan de autoriteiten het bestaan nog slechts vermoeden. Anders gezegd: dat in de afgedwongen overhandiging van voor de autoriteiten onbekende documenten tevens een erkenning van het bestaan ervan besloten ligt, is wel degelijk problematisch in het licht van het nemo tenetur-beginsel: die erkenning is dan een verkapte eigen verklaring.
Naar mijn mening heeft het EHRM de categorie Saunders-materiaal gereserveerd voor bepaalde indirecte bewijsmiddelen, namelijk die welke (1) in het kader van het opsporingsonderzoek onder een afzonderlijke (strafvorderlijke) titel worden verkregen en (2) vooral gebruikt worden om ander bewijsmateriaal te kunnen verifiëren of om de dader te identificeren (dan wel om andere verdachten uit te sluiten). Saunders-materiaal omvat daarmee informatie die weliswaar kan leiden tot (het verzamelen van) real evidence, maar die dat zelf niet is.103 Het is veel meer een opsporingsmiddel dan bewijsmateriaal. Deze opvatting is in latere jurisprudentie, onder meer in het arrest Jalloh, bevestigd en verduidelijkt.104 Uit het arrest De Legé kan worden afgeleid dat sommige documenten in financieel getinte zaken Saunders-materiaal kunnen zijn. Het gaat dan om specifiek aangewezen documenten die al bestaan en van welk bestaan de autoriteiten reeds op de hoogte zijn. Ook dergelijke documenten vervullen in wezen de rol van indirect bewijs, waarmee het reeds aanwezige (andere) bewijs geverifieerd of ondersteund kan worden.
Het voorgaande betekent dat indirect bewijs dat niet voornamelijk het karakter heeft van een opsporingsmiddel, in mijn opvatting wél onder de bescherming van het nemo tenetur-beginsel valt.105 Bij dergelijk indirect bewijs is de kans wel groter dat het latere gebruik in de straf- of boetezaak van zo weinig betekenis is, dat er op grond van de eindtoets aan de Allan-criteria uiteindelijk geen sprake blijkt te zijn van een schending van het nemo tenetur-beginsel.106
De slotsom is dat voor real evidence volgens het EHRM hetzelfde geldt als voor eigen verklaringen: daarvoor geldt de bescherming van het nemo tenetur-beginsel. De hoofdregel is dat documenten real evidence (kunnen) vormen.107 Dat is alleen anders als het gaat om specifiek aangewezen, bestaande documenten van welk bestaan de autoriteiten ook reeds op de hoogte zijn. Zulke documenten stelt het EHRM op één lijn met Saunders-materiaal, zodat zij mogen worden afgedwongen. De Hoge Raad merkt documenten als uitgangspunt echter ongeclausuleerd (naar hun aard) aan als Saunders-materiaal, waarvoor de bescherming van het nemo tenetur-beginsel dus per definitie niet geldt.108 Alleen als er in wezen sprake is van een verkapte eigen verklaring (omdat de inspecteur vraagt naar documenten waarvan hij niet zeker weet of ze bestaan), geldt de bescherming van het nemo tenetur-beginsel.
De benadering van het EHRM is dus: ‘het nemo tenetur-beginsel geldt ook voor documenten, tenzij’. De benadering van de Hoge Raad is precies andersom: ‘het nemo tenetur-beginsel geldt niet voor documenten, tenzij’. Hoewel de gekozen invalshoek dus verschilt, zal de uitkomst naar mijn inschatting doorgaans hetzelfde zijn. Denkbaar is evenwel dat de redenering van de Hoge Raad in grensgevallen tot een andere uitkomst zal leiden dan de redenering van het EHRM. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat partijen steggelen over de vraag of en in hoeverre de inspecteur op de hoogte was van het bestaan van de documenten. Als over die vraag in rechte geen zekerheid kan worden verkregen, wordt de ‘tenzij’ dus niet ingevuld en geldt de hoofdregel. In de opvatting van het EHRM zal het nemo tenetur-beginsel dan wél gelden, maar in de opvatting van de Hoge Raad niet. Hierbij kan de bewijslastverdeling (en het daaraan verbonden bewijsrisico) een belangrijke rol spelen.109