Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.7:4.2.7 J.B. t. Zwitserland (2001)
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.7
4.2.7 J.B. t. Zwitserland (2001)
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483385:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken), § 47. De Zwitserse procedure waarin heffings- en sanctiebevoegdheden cumuleren, was niet eenduidig administratief of bestraffend van aard. Zie hierover § 6.5.5.2.2 hierna.
J.B. had wel toegegeven dat hij zijn inkomsten niet juist en volledig had opgegeven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Klager, een in 1914 geboren ex-skileraar, had geïnvesteerd in een onderneming. Anders dan in Funke was dit gegeven bij de Zwitserse belastingautoriteiten bekend. Ook was bekend dat die investeringen resultaten opleverden. Op herhaalde vragen van de Zwitserse belastingautoriteiten naar de herkomst van de gelden, weigerde klager te antwoorden. De belastingautoriteiten legden een navordering op, die nadien weer werd teruggenomen. Vervolgens legden de belastingautoriteiten achtereenvolgens (verzuim)boetes op van CHF 1.000, CHF 2.000 (twee maal) en CHF 5.000 bij elke (volgende) weigering om de gevraagde inlichtingen te verstrekken.
Het Zwitserse Bundesgericht verwierp klagers beroep met de overweging, dat weliswaar art. 6 EVRM van toepassing was, maar dat werd gevraagd naar de bron van inkomsten waarvan de belastingautoriteiten wisten dat ze bestonden. Daarin schuilde volgens het Bundesgericht een verschil met Funke, waarin de autoriteiten niet zeker wisten of de van Funke gevorderde documenten wel bestonden. Het Bundesgericht wees er ook op dat de toepasselijkheid van een zwijgrecht in het geval van J.B. grote nadelige gevolgen zou hebben voor de effectiviteit van de fiscale handhaving. In de ‘reguliere’ procedure waarin klagers belastingschuld werd vastgesteld was hij volgens het Bundesgericht onverkort gehouden de bron van zijn inkomsten te verklaren.
J.B. wendde zich tot het EHRM met de klacht dat zijn recht om zichzelf niet te hoeven belasten is geschonden. Het Hof oordeelt dat de handelwijze van de belastingautoriteiten in strijd is met art. 6, lid 1 EVRM. Hoewel de overwegingen van het Hof in J.B. vrij summier zijn, mag daaruit worden afgeleid dat de ontoelaatbare dwang die de belastingautoriteiten op klager uitoefenden erin bestaat dat, nadat hij werd vervolgd voor belastingfraude, hij op straffe van geldboetes werd verplicht bepaalde door de belastingautoriteiten verlangde documenten te verstrekken. De van J.B. gevraagde documenten konden zowel voor heffings- als bestraffingdoeleinden worden gebruikt.1
Hoewel het Hof naar eigen zeggen niet wil speculeren over de strekking van de door de belastingautoriteiten verlangde informatie, sluit het niet uit dat daaruit daadwerkelijk zou blijken dat klager niet-gefiscaliseerd inkomen had genoten. Het Hof is niet ervan overtuigd dat zoals de Zwitserse regering stelde, klager niet werd gedwongen zichzelf te belasten, omdat de van hem verlangde informatie al bekend zou zijn.2 Dit gelet op de volhardendheid waarmee de belastingautoriteiten de medewerking van klager trachtten te verkrijgen (tot acht keer toe, met oplegging van vier boetes). Overigens stelt het Hof vast dat er een verschil is met (wilsonafhankelijk) materiaal door § 68 te overwegen dat ‘the present case differs from such material which, as the Court found in the Saunders case, had an existence independent of the person concerned and was not, therefore, obtained by means of coercion and in defiance of the will of that person.’ Het licht niet toe waarin dat verschil nu precies zit, maar ’s Hofs overwegingen zijn aanleiding te vermoeden dat het daarbij het oog heeft op het ‘testimonial’ ofwel verklarende karakter van de van J.B. gevraagde documenten.