Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.8:4.2.8 Allen t. Verenigd Koninkrijk (2002)
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.8
4.2.8 Allen t. Verenigd Koninkrijk (2002)
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486992:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het niet voldoen aan de meewerkplicht werd in Saunders onder meer bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Brian Roger Allen werd door de Engelse belastingautoriteiten (‘Inland Revenue’) verzocht om een overzicht te verstrekken van zijn bezittingen en schulden per ultimo 1991. Hij reageerde niet op deze brief en werd vervolgens opgeroepen om te verschijnen bij de Inland Revenue op straffe van een boete van GBP 300. Hij kreeg een schriftelijke waarschuwing (‘Hansard Warning’), waarin het beleid van de Inland Revenue werd uiteengezet. Bij de bereidheid van de belastingautoriteiten om te schikken, kon in potentiële fraudezaken worden meegewogen of een belastingplichtige volledige medewerking aan het onderzoek had verleend. Klager verstrekte de Inland Revenue een overzicht van zijn bezittingen per einde 1991. Nadien werd hij strafrechtelijk vervolgd op grond van dertien verdenkingen in verband met belastingfraude. Uiteindelijk werd hij door de Engelse rechter veroordeeld, omdat het door hem verstrekte overzicht van zijn bezittingen en dat van zijn minderjarige kinderen, onjuist en onvolledig bleek.
Het Hof oordeelt dat geen sprake is van schending van art. 6 EVRM. Ten tijde van de aangifteplicht was er weliswaar sprake van ‘coercive proceedings’, bestaande in de verplichting tot het doen van aangifte, maar (nog) geen sprake van ‘an offence which he had previously committed’. De onjuiste aangifte zelf is de overtreding. De enkele sanctiedreiging wegens het niet voldoen aan een wettelijke meewerkplicht, valt als zodanig niet binnen de werkingssfeer van art. 6 EVRM. Het Hof lijkt dan ook ten overvloede in te gaan op de mate van dwang die op klager was uitgeoefend. Het constateert een verschil met Saunders, in die zin, dat de weigering van klager om de informatie te verstrekken naar nationaal recht werd bedreigd met een boete van GBP 300.1