Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.2
4.2.2 John Murray t. Verenigd Koninkrijk (1996)
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS490750:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ECRM 10 mei 1994 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), FED 1995/2 (m.nt. Feteris), § 71-73.
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 51-54. Vgl. I. Peçi 2006, p. 50.
Deze criteria komen terug in EHRM 2 mei 2000 (Condron t. Verenigd Koninkrijk), § 55 e.v., DD 2000, p. 750 e.v.
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 49.
Zie voorts EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 48.
EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)).
EHRM 1 maart 2007 (Heglas t. Tsjechië).
Bijna drie jaar na Funke is het nemo tenetur-beginsel opnieuw aan de orde in John Murray.1 Daarin staat centraal het zwijgrecht van de verdachte, in het bijzonder de vraag of, en zo ja welke, bewijsrechtelijke conclusies getrokken mogen worden uit het door de klager gedane beroep op het in art. 6 EVRM belichaamde zwijgrecht. De politie had een inval gedaan in een huis waarin een door de IRA ontvoerde politie-informant werd vastgehouden. Daarbij werd klager aangetroffen en gearresteerd. Eenmaal aangekomen op het politiebureau beriep hij zich op het zwijgrecht. Hij kreeg een waarschuwing dat de (Noord-Ierse) wet aan het niet antwoorden (bewijs)gevolgen verbindt. Na 48 uur werd een raadsman toegevoegd, die hem adviseerde geen bewijs te verstrekken. Ook daarna bleef hij zwijgen. Bij zijn veroordeling werd naast ander materiaal ook klagers beroep op het zwijgrecht bij de politie en tijdens de strafzitting als bewijsmiddel gebruikt.
Murray beklaagt zich bij het EHRM erover dat de hem op grond van het EVRM toekomende rechten zijn geschonden, in het bijzonder het recht te zwijgen tijdens het verhoor en de strafzitting nadien. Aan zijn beroep op het zwijgrecht mogen op grond van de nationale wet bewijsrechtelijke gevolgen worden verbonden. Het Hof acht het verbinden van bewijsgevolgen aan Murrays beroep op het zwijgrecht niet in strijd met art. 6, lid 1 EVRM. In lijn met Funke hecht het Hof vooral belang aan de op klager uitgeoefende dwang als criterium voor schending van Murrays zwijgrecht. Voor de vaststelling of de op hem uitgeoefende druk al dan niet toelaatbaar is, zijn volgens het Hof enkele omstandigheden van belang, te weten de gevallen waaraan naar nationaal recht bewijsgevolgen kunnen worden verbonden, het gewicht dat de nationale rechter daaraan toekent, en de mate van dwang die eigen is aan de omstandigheden van het geval.2 Gelet hierop was de (intrinsieke) waarde van Murrays beroep op het zwijgrecht te verwaarlozen.3
Het verschil met Funke, waarin het Hof wel schending van art. 6, lid 1 EVRM aanneemt, is volgens het Hof dan ook gelegen in de mate van dwang die op Murray werd uitgeoefend.4 De druk die op Funke werd uitgeoefend ‘destroyed the very essence of the privilege against self-incrimination’.5 Daarvan was in JohnMurray geen sprake. Met John Murray zijn verwant de zaken Allan6en Heglas.7