Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.5.2
6.5.2 Karakter van de regeling
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377011:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
COM (2004) 173 def., p. 11.
Asser/Groen/Vranken (2003), p. 154-156.1n het rapport van de commissie wordt zonder dit verder uit te werken slechts voorgesteld om in Nederland een procedure in te stellen waarbij het mogelijk wordt om vorderingen tot een zekere waarde of van een bepaalde soort op eenvoudige wijze af te doen. Zie kritisch over de noodzaak van een aparte incassoprocedure in het Nederlands burgerlijk procesrecht: 'Advies inzake Asser/Vranken/Groen: Een nieuwe balans', Trema, nummer 3, maart 2004, p. 89-99 (i.h.b. p. 92). De door de NVvR ingestelde werkgroep is in dit rapport van mening dat de bestaande procedures voldoende mogelijkheid bieden voor het innen van schulden.
Staatscourant van 12 juli 2004, nr. 130, p. 5. Nu het verordeningsvoorstel is gebaseerd op art. 65 EG, kan het blijkbaar slechts betrekking hebben op burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen.
Zie in vergelijkbare zin M. Freudenthal, Advocatenblad 2004, p. 450.
COM (2004) 173 def., p. 9.
Zie bijv. Kamerstukken II 2002/03, 2 112, nr. 275, p. 6, waar door Nederland voorgesteld werd om de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een betalingsbevel exclusief aan de rechter van de vestigingsplaats van de schuldenaar toe te kennen.
COM (2004) 173 def., p. 10.
Zie ook paragraaf 6.5.7.
De voorgestelde Europese incassoprocedure heeft ingevolge art. 2 lid 2 een facultatief karakter. De procedure staat als een optie naast de reeds in het nationale recht van de lidstaten geregelde summiere en gewone procedures. De Commissie meent dat dit een uitvloeisel is van het evenredigheidsbeginsel.1 Wat Nederland betreft, heeft dit tot gevolg dat het incasso kort geding behouden kan blijven. Ondanks de overwegingen van de Commissie rijst de vraag of dit met name gezien de voorstellen van de Commissie-Asser/Groen/Vranken betreffende de fundamentele herbezinning op het Nederlands burgerlijk procesrecht2 een wenselijke ontwikkeling is. Het is immers mogelijk om de Europese procedure in zuiver nationale gevallen toe te passen en op deze wijze het gebruik van het incasso kort geding te beperken tot de gevallen waarop de voorgestelde regeling materieel niet van toepassing is. Uit een bericht in de Staatscourant blijkt dat de Minister van Buitenlandse Zaken in een brief aan de Tweede Kamer heeft gesteld dat toepassing van de Europese incassoverordening op interne gevallen 'disproportioneel' is. De door de Europese Commissie gebruikte rechtsgrondslag biedt volgens de minister slechts een mogelijkheid tot het invoeren van een incassoprocedure voor grensoverschrijdende gevallen.3 Hierbij rijst mijns inziens de vraag of in Nederland bij de invoering van de Europese incassoverordening interne gevallen niet worden gediscrimineerd.4 In het Nederlandse interne procesrecht bestaat immers geen vereenvoudigde procedure tot inning van schulden. Wanneer de Europese incassoprocedure uitsluitend voor grensoverschrijdende gevallen zou gelden, worden interne gevallen ten achter gesteld, omdat daarvoor de (duurdere) weg van het incasso kort geding of die van de bodemprocedure moet worden gevolgd. Het facultatieve karakter van de verordening brengt niet met zich mee dat de regeling niet ook op interne gevallen van toepassing zou kunnen worden verklaard. Het facultatieve karakter heeft alleen tot gevolg dat de bestaande nationale regelingen tot verkrijging van een betalingsbevel blijven bestaan.5
Ondanks de voorstellen daartoe bevat de Europese incassoprocedure geen regeling met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van het betalingsbevel.6 De voorgestelde regeling laat de bestaande bevoegdheidsregelingen intact. In de toelichting wordt dan ook overwogen dat in deze regelingen 'een zodanig billijk evenwicht tussen de belangen van de eisers en die van de verweerders is bereikt, dat het niet meer gerechtvaardigd is van deze regels af te wijken en een bijzondere bevoegdheidsregeling voor het Europese betalingsbevel in te voeren'.7 Hetzelfde geldt ook ten aanzien van een regeling van de erkenning en tenuitvoerlegging. Een op basis van de voorgestelde verordening uitgevaardigd bevel dient als een beslissing in de zin van de EEX-Verordening en de EET-Verordening te worden aangemerkt.8