Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.5.5
6.5.5 Gevolgen van verweer en verzet door de schuldenaar
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378233:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo (T&C Rv), art. 278, aant. 5.
Eveneens is het verdedigbaar dat het indienen van het verweerschrift leidt tot omzetting van de procedure in een dagvaardingsprocedure. Dit zou mijns inziens echter een onnodige vertraging en verhoging van de kosten tot gevolg hebben. In een dergelijk geval zou de rechter de schuldeiser ingevolge art. 69 Rv moeten bevelen om binnen een daartoe gestelde termijn het verzoek om een Europees betalingsbevel te verbeteren en aan te vullen met als gevolg dat de schuldenaar bij een nieuw exploot alsnog opgeroepen moet worden.
Stein/Rueb (2003), p. 232.
Deze gang van zaken leidt mijns inziens niet tot een onaanvaardbaar verlies van een instantie. Aan een opgeroepen niet verschenen belanghebbende staat ook slechts de mogelijkheid van hoger beroep tegen de gewezen beschikking open.
COM (2004) 173 def., p. 16.
Zie nader paragraaf 5.6.
De voorgestelde incassoprocedure is een unilaterale procedure. De behandeling van het verzoek van de schuldeiser geschiedt slechts aan de hand van het door hem overgelegde inleidend processtuk. Ter waarborging van het 'fair trial'-beginsel moet echter aan de schuldenaar, alvorens een uitvoerbaar betalingsbevel wordt uitgevaardigd, de mogelijkheid worden geboden om op het verzoek tot verkrijging van het bevel te reageren.
Ingevolge art. 7 lid 1 van de voorgestelde verordening kan de schuldenaar een verweerschrift tegen de Europese uitnodiging tot betaling indienen door het invullen van het formulier dat hem tezamen met de uitnodiging wordt toegezonden. Het gevolg van het tijdig indienen van het verweerschrift is dat de procedure op grond van art. 8 lid 1 omgezet wordt in een gewone procedure, tenzij de schuldeiser in zijn verzoek heeft aangegeven de procedure te willen stopzetten ingeval de schuldenaar een verweerschrift indient. Hierbij rijst - wat Nederland betreft - de vraag of het betalingsbevelverzoek van art. 3 van de voorgestelde verordening aan de eisen van art. 278 lid 1 Rv voldoet, dat bepaalt dat een verzoekschrift onder meer een duidelijke omschrijving vermeldt van het verzoek en de gronden waarop het berust. Nu het verzoek overeenkomstig art. 3 lid 2 onder d en e slechts een summiere beschrijving geeft van de grondslag van de vordering en van één bewijs, zal de schuldeiser het verzoek alsnog moeten aanvullen. De aanvulling van de gronden van het verzoek moet uiterlijk op de mondelinge behandeling geschieden die in een dergelijk geval door de rechter bepaald wordt.1 Nu door de omzetting sprake is van een contradictoire verzoekschriftprocedure, blijven de procedurele regels voor verzoekschriftprocedures van toepassing.2
Art. 11 van de voorgestelde incassoverordening geeft de schuldenaar de mogelijkheid om verzet tegen het gelaste Europese betalingsbevel in te stellen. Net als dat het geval is bij het verweerschrift, wordt het verweer door middel van een standaardformulier ingesteld, dat tezamen met het betalingsbevel aan de schuldenaar wordt toegestuurd. Overeenkomstig art. 12 leidt het tijdig instellen van het verzet tot omzetting van de incassoprocedure in een gewone procedure die beheerst wordt door de regels van het procesrecht van de rechter die het betalingsbevel heeft gelast. Nu wat Nederland betreft de incassoprocedure mijns inziens volgens de regels voor verzoekschriftprocedures dient te verlopen, moet worden opgemerkt dat dit verzet niet gelijk kan worden gesteld met het verzet van art. 143 Rv. Een verzoekschriftprocedure kent immers niet het rechtsmiddel van verzet.3 De behandeling van het door de schuldenaar ingestelde verzet dient volgens de regels van de behandeling van het hoger beroep tegen beschikkingen te verlopen. Het betalingsbevel is immers een beschikking in de zin van art. 358 Rv.4 Hierbij rijst de vraag of het instellen van het verzet door middel van een standaardformulier aan de eisen van art. 359 jo. art. 278 lid 1 Rv voldoet. Het standaardformulier moet de schuldenaar een mogelijkheid bieden om op een eenvoudige manier het verzet tegen het betalingsbevel in te stellen.5 Ingevolge art. 359 jo. art. 278 lid 1 Rv dient een beroepschrift echter ook de gronden van het beroep te vermelden. Derhalve moet aan de schuldenaar, nadat hij het verzet van art. 11 van de incassoverordening heeft ingesteld, alsnog een termijn worden verleend om een beroepschrift in te dienen.
Indien de termijn voor het instellen van verzet is verlopen, kan ingevolge art. 11 lid 4 de schuldenaar in twee gevallen alsnog om herziening van het betalingsbevel vragen. Als voorwaarde geldt dat de schuldenaar onmiddellijk om een herziening moet verzoeken, wanneer de in deze bepaling genoemde situaties zich voordoen. Allereerst is een herziening mogelijk indien het gelaste bevel aan de schuldenaar betekend is zonder bewijs van persoonlijke ontvangst en de betekening van het bevel buiten zijn toedoen niet tijdig of zodanig is verricht dat hij niet in staat is geweest om zich te verdedigen. Ten tweede kan om een herziening van het bevel worden gevraagd indien de schuldenaar door overmacht dan wel door uitzonderlijke omstandigheden niet in de gelegenheid is geweest de vordering van de schuldeiser te betwisten.6