Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.4
6.5.1.4 Van examen naar tentamen
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949591:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 6, tweede lid, van het Academisch Statuut 1921 (Koninklijk Besluit van 15 juni 1921, Stb. 1921, 800). & Verpaalen 1978, p. 37.
Stb. 1960, 559 en zie voor de Wet op het wetenschappelijk onderwijs die in 1986 opnieuw is vastgesteld Stb. 1986, 414.
Artikel 190 van het Academisch Statuut (Koninklijk Besluit van 11 september 1963, Stb. 1963, 380).
Met een studierichting werd in de WWO een opleiding binnen een bepaalde faculteit bedoeld die leidde tot een bepaald examen. De meeste faculteiten konden meerdere studierichtingen aanbieden.
Artikel 15 tot en met 179 van het Academisch Statuut (Koninklijk Besluit van 11 september 1963, Stb. 1963, 380).
Artikel 183 van het Academisch Statuut (Koninklijk Besluit van 11 september 1963, Stb. 1963, 380).
Verpaalen 1978, p. 38.
Artikel 7.10, tweede lid, van de Whw (Stb. 1992, 593).
In het Academisch Statuut van 1921 werd het tentamen voor het eerst wettelijk geregeld.1 Tot dit moment gold het uitgangspunt dat de student in beginsel een ‘volledig’ examen diende af te leggen. Met een volledig examen werd bedoeld dat de student gedurende het examen in alle vakken geëxamineerd dient te worden. Het tentamen, zoals geregeld in het Academisch Statuut van 1921, kon twee vormen aannemen. Ten eerste kon sprake zijn van een proeftentamen. Dit tentamen was bedoeld ter voorbereiding, en niet ter ontlasting van het examen. Ten tweede kon sprake zijn van een tentamen dat diende ter ontlasting van het examen. De faculteit kon, op voorstel van een hoogleraar, bepalen dat voor bepaalde vakken of onderdelen daarvan volstaan kon worden met een tentamen. Indien het tentamen door de student met goed gevolg werd afgelegd dan werd dit vak bij hem niet meer geëxamineerd. Als de student het tentamen niet behaalde, kon de student zich alsnog onderwerpen aan het examen, waarbij dan ook het vak werd betrokken waarin hij was getentamineerd. Het tentamen had dan ook een aanvullend karakter op het examen: het examen bleef leidend; aan het niet behalen van het tentamen kon niet het gevolg verbonden worden dat de student het examen niet mocht afnemen. Dit aanvullende karakter blijkt eveneens uit de regel dat slechts de helft van de examenvakken middels een tentamen kon worden getoetst.
In 1960 werd de Hoger onderwijswet 1876 vervangen door de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Wwo).2 In de Wwo gold net als in het verleden het uitgangspunt dat er ‘gehele’ examens mondeling werden afgenomen door de faculteit.3 Eveneens werd net als in het verleden per studierichting4 in het Academisch Statuut van de Wwo uitvoerig uiteengezet welke vakken het kandidaats- en doctoraalexamen omvatte.5 Onder de Wwo was het mogelijk om een deel van het examen middels tentamens af te nemen. Het tentamen behield een aanvullend karakter ten opzichte van het examen. Als de student het tentamen niet afnam of niet behaalde, mocht hij alsnog deelnemen aan het examen.6
In theorie waren de tentamens zoals geregeld in de Wwo de uitzondering op de hoofdregel. Verpaalen schrijft dat door de grote aantallen studenten het voor de faculteiten in toenemende mate onmogelijk werd om iedere student individueel mondeling te examineren.7 De faculteiten werden hierdoor gedwongen om grote groepen studenten tegelijkertijd schriftelijk te tentamineren. De praktijk dat een student individueel mondeling beoordeeld werd door een quorum van hoogleraren verdween dan ook. Door de toename van examinering middels meerdere schriftelijke tentamens, werd de beoordeling van studenten meer en meer een mechanische aangelegenheid. De opmars van het tentamen werd onder de Whw in 1992 voltooid. Daarin werd bepaald dat het examen was afgelegd indien de student alle tentamens van de betreffende opleiding had afgelegd.8 Hiermee verdween het ‘volledige’ examen.