De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.3:6.5.1.3 Van doctor naar doctoraal examen (1920)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.3
6.5.1.3 Van doctor naar doctoraal examen (1920)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949432:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 83 van de Hoger onderwijswet 1876 (Stb. 1876, 102).
De Ranitz 1938, p. 81 en artikel 130 van de Hoger onderwijswet 1876 (Stb. 1920, 105).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1920 ontstond er kritiek op het verbinden van het civiel effect aan de doctorsgraad. Sinds 1876 waren de doctoraten van alle faculteiten, behalve die van de faculteit der godgeleerdheid, namelijk gesplitst in verschillende doctoraten naargelang nieuwe vakgebieden waren ontstaan.1 In de faculteit der wis- en natuurkunde waren er bijvoorbeeld vijf verschillende doctoraten. Daarnaast bleven er snel vakgebieden bij komen waarvoor nog geen doctoraten bestonden.
In 1918 diende minister Visser een wetsvoorstel in om een einde te maken aan het splitsen van de doctoraten.2 Een steeds verder doorgevoerd stelsel van gesplitste doctoraten zou ertoe leiden dat het doctoraat zijn wetenschappelijke waarde steeds meer verliest.3 Het doctoraat zou bij verdere splitsing van het doctoraat een acte van bekwaamheid worden voor een bepaald vak. De universiteit zou daardoor het karakter van een vakschool krijgen. Volgens Visser zou de doctorstitel moeten betekenen dat de bezitter in staat is om binnen de grenzen van een bepaalde faculteit zelfstandig de wetenschap te beoefenen. Om dit te bewerkstelligen werd in de wet de eenheid van het doctoraat in de faculteit vastgelegd.4 Dit betekende dat elke faculteit in het vervolg nog maar één doctoraat mocht uitreiken. Dit doctoraat kreeg de naam van de faculteit.
Niet alleen werd het aantal doctoraten teruggebracht, maar ook de bevoegdheden die aan het doctoraat konden worden ontleend werden gewijzigd. Door de generalisering van het doctoraat kon degene met een doctorsgraad niet bekwaam worden geacht tot het bekleden van een beroep waarvoor een opleiding in een bepaald vakgebied van de betreffende faculteit was vereist.5 De bekwaamheid in een bepaald vakgebied kon in het vervolg worden aangetoond door het afleggen van het doctoraalexamen. Aan het diploma van het doctoraalexamen werd dan ook het civiel effect verbonden om een bepaald beroep te mogen uitoefenen. De doctorsgraad werd daarmee enkel het bewijs dat de bezitter zelfstandig kan optreden op het gebied van de betreffende wetenschap. De studenten hoefden voortaan dan ook niet meer te promoveren om een diploma met civiel effect te verkrijgen. Door de verschuiving van het civiel effect van het doctoraat naar het doctoraalexamen werd de doctorsgraad minder relevant.