Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.3.2
3.4.3.2 Gevallen waarin geen inmenging wordt aangenomen
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 9 november 1999, NJ 2000, 422 m.nt. Sch.
Hoge Raad 18 februari 1997, NJ 1997, 500 m.nt. ‘t H.
EHRM 8 april 2003, NJCM-Bulletin 2003, p. 653-658 (M.M. v. Nederland).
Zie in een iets ander verband Hoge Raad 23 november 2004, NJ 2005, 193 m.nt. YB. In casu oordeelt de Hoge Raad dat geen sprake was van de in art. 126ij Sv geregelde burgerpseudo- koop nu het initiatief tot het terugkopen van gestolen schilderijen uitging van de opsporende burger, de officier van justitie en de politie pas in een later stadium door de opsporende burger werden ingelicht over de terugkoop van de schilderijen en de bemoeienis van de politie zich ertoe beperkte te adviseren over hoe verder te handelen ten aanzien van de geplande overdracht van de schilderijen. Op deze plek wordt ook melding gemaakt van Hoge Raad 20 december 2011, NJ 2012, 159 (zie voor de noot van Schalken Hoge Raad 20 december 2011 NJ 2012, 160), waarin wordt geoordeeld dat op basis van een overeenkomst tussen de officier van justitie en een niet-opsporingsambtenaar de laatstgenoemde rechtmatig bijstand kon leveren aan de opsporing. Concreet ging het er in die zaak om dat een bedrijf dat handelt in paracetamol en cafeïne wordt ingezet om deze producten te leveren aan een persoon die verdacht wordt van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet.
Hof ‘s-Hertogenbosch 6 januari 2003, NJ 2003, 279. Zie bijvoorbeeld ook Hoge Raad 26 mei 2009, NJ 2009, 261.
Hoge Raad 14 januari 2003, NJ 2003, 288 m.nt. YB. Zie bijvoorbeeld ook Rb Rotterdam 27 maart 2003, LJN AF6799.
In zijn arrest van 9 november 1999 oordeelt de Hoge Raad dat geen sprake is van inmenging van enige overheid als bedoeld in het tweede lid van art. 8 EVRM.1 Deze zaak handelt om een van corruptie verdachte Curaçaose gedeputeerde. Een journalist krijgt via een informant lucht van de corruptie en stapt met deze informatie naar de politie. De politie geeft vervolgens opnameapparatuur mee om de journalist in staat te stellen onder meer gesprekken met de informant op te kunnen nemen. De uitgewerkte gesprekken worden door het hof niet voor het bewijs gebezigd. De Hoge Raad overweegt dat de politie niet sturend heeft gehandeld nu zij slechts apparatuur ter beschikking heeft gesteld en de journalist heeft voorgelicht over de werking daarvan. Een inmenging van een publieke autoriteit in de zin van art. 8 lid 2 EVRM wordt dan ook niet aangenomen. Een zelfde benadering wordt zichtbaar in het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997.2 In de casus die hieraan ten grondslag ligt leent de politie opnameapparatuur uit aan een vrouw om haar in staat te stellen telefoongesprekken op te nemen van een haar (telefonisch) seksueel lastigvallende advocaat. Deze zaak wordt overigens compleet anders beoordeeld door het EHRM, hierover later meer.3 De lijn van de Hoge Raad is dus kennelijk dat de politie en het OM wel op beperkte schaal adviezen kunnen geven en (technische) ondersteuning mogen bieden aan de opsporende burger.4 In dergelijke gevallen hoeft in de zienswijze van de Hoge Raad nog niet te worden gesproken van een inmenging zoals bedoeld in het tweede lid van art. 8 EVRM. In dit verband is bepalend in hoeverre politie en/of OM door aldus te handelen sturend zijn opgetreden dan wel in hoeverre zij zich hebben bemoeid met het onrechtmatige handelen van de burger.
In sommige gevallen is de politie of het OM slechts op de hoogte van de handelingen van de opsporende burger. Een voorbeeld hiervan is terug te vinden in de casus die ten grondslag ligt aan een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch.5 In deze zaak verdenkt een werkgever een werknemer van verduistering van goederen uit het magazijn. Om hiervan bewijs te verzamelen, laat de werkgever door een particulier recherchebureau camera’s plaatsen in de expeditieruimte van het bedrijf. De officier van justitie is hiervan op de hoogte, maakt geen bezwaar tegen de plaatsing van de camera’s en voegt de belastende camerabeelden later toe aan het strafdossier. Het hof overweegt dat door het ophangen van de camera’s weliswaar een beperkte inbreuk op de privacy van de verdachte is gemaakt, maar dat de werkgever hierbij een rechtmatig belang had en dus niet onrechtmatig handelde. Het stond de werkgever derhalve vrij om op de werkplaats van de verdachte een camera op te hangen. Het enkele feit dat de officier van justitie op de hoogte was van het plaatsen van de camera maakt vervolgens nog niet dat sprake is van een inmenging zoals bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM.
In de jurisprudentie kunnen ook gevallen voor waarin politie en OM zich in het geheel niet hebben bemoeid met de handelingen van een opsporende burger en daarvan evenmin wetenschap hadden. In de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2003 nemen buren van de latere verdachte telefoongesprekken op met gebruikmaking van een babyfoon.6 De opgenomen telefoongesprekken worden vervolgens aan de politie overhandigd, toegevoegd aan het dossier en door de rechter voor het bewijs gebruikt. De Hoge Raad overweegt allereerst dat politie noch OM enige bemoeienis hebben gehad met het opnemen van de telefoongesprekken. Voorts overweegt de Hoge Raad dat het bewuste opnemen weliswaar een privacyschending oplevert, maar dat niet kan worden gezegd dat een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel veronachtzaming van de rechten van de verdediging heeft plaatsgehad, dat de inhoud van die gesprekken van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.