Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.3.5:3.4.3.5 De informatie als basis voor vervolging en strafdossier
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.3.5
3.4.3.5 De informatie als basis voor vervolging en strafdossier
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Haarlem d.d. 6 maart 2009, LJN BH7614.
Hof Den Haag d.d. 22 december 2010, LJN BO8239.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de jurisprudentie kan nog een andere lijn worden gedestilleerd. Gedoeld wordt op een (voorzichtige) tendens dat strafprocessuele sancties worden verbonden aan het gebruik van door opsporende burgers verkregen informatie, terwijl het inmengingscriterium of een begane onrechtmatigheid hieraan niet ten grondslag wordt gelegd. Een dergelijke situatie doet zich voor in het geval de strafrechtelijke vervolging en het procesdossier in belangrijke mate is gebaseerd op de door een opsporende burger verstrekte informatie. Dit gegeven is, naast het feit dat informatie van de particuliere opsporing een potentieel bewijsmiddel is, een ander specifiek kenmerk van dit type startinformatie.
Het voorgaande wordt zichtbaar in het vonnis van de Rechtbank Haarlem d.d. 6 maart 2009.1 De zaak vindt zijn oorsprong in een conflict in de relationele sfeer. Dit conflict leidt ertoe dat een man aangifte doet tegen zijn ex-vrouw, omdat zij hun dochter aan zijn ouderlijk gezag onttrekt. De aangever verstrekt hierbij een zelf samengesteld dossier. De politie en het OM gebruiken dit dossier vervolgens als procesdossier. De rechtbank overweegt dat het procesdossier hierdoor onevenwichtig is: het bevat veel privébrieven en handgeschreven commentaar van de aangever. Voorts wordt overwogen dat niet of nauwelijks sprake is geweest van een ordening of selectie van de aangeleverde stukken en dat er feitelijk geen sprake is geweest van een zelfstandig onderzoek door politie en OM. Dit wordt als onzorgvuldig gezien. De onzorgvuldigheid leidt tot strafvermindering.
In een soortgelijke zaak wordt het OM zelfs niet-ontvankelijk verklaard.2 In casu verstrekt Stichting Brein, de auteursrechtelijke waakhond, een onderzoeksdossier aan de FIOD-ECD. Het dossier heeft betrekking op het op grote schaal illegaal verspreiden van film, muziek en games op het internet. Stichting Brein levert hierna nog twee keer een aanvullend dossier aan. De verstrekte informatie leidt tot een doorzoeking en het aanhouden van de verdachte. Het Hof Den Haag overweegt dat deze startinformatie geen verdenking doet ontstaan dat verdachte op grote schaal inbreuk maakt op auteursrechten. Een dergelijke grootschalige inbreuk is één van de in de Aanwijzing Intellectuele Eigendomsfraude genoemde criteria om strafrechtelijk op te treden. Voorts overweegt het hof dat uit de getuigenverklaring van de zaaksofficier blijkt dat het gebruikelijk is dat de FIOD-ECD naar aanleiding van een ontvangen dossier van Stichting Brein nader onderzoek verricht alvorens strafrechtelijk wordt opgetreden. Vast wordt gesteld dat dit onderzoek in casu niet heeft plaatsgevonden: puur en alleen op basis van het onderzoeksdossier van Stichting Brein is het opsporingsonderzoek gestart. Het hof concludeert hierop dat het OM, gelet op de in de Aanwijzing vermelde criteria voor strafrechtelijk handhaving, niet in redelijkheid tot vervolging heeft kunnen overgaan. Het OM heeft hiermee de beginselen van behoorlijke procesorde geschonden en wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Hoewel de strafprocessuele sanctie op een iets andere wijze wordt gemotiveerd, bestaat er een overeenkomst tussen deze twee zaken. De overeenkomst schuilt in het gegeven dat wat betreft de strafvervolging én de samenstelling van het procesdossier de door de opsporende burger verstrekte informatie leidend is: politie en OM voeren nauwelijks een zelfstandig onderzoek uit. Het voorgaande wordt als een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde gezien. Betwijfeld kan worden of de onzorgvuldigheid waarop de Rechtbank Haarlem doelt eveneens onder een van die beginselen kan worden geschaard. Met het verbinden van een strafprocessuele sanctie lijkt tot uitdrukking te worden gebracht dat politie en met name het OM de regie dienen te houden over de opsporing en de samenstelling van het strafdossier. Een juiste constatering, alleen al omdat onder meer in de art. 132a Sv en art. 148 Sv is vastgelegd dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en als leider van het opsporingsonderzoek wordt aangemerkt. Uit deze bepalingen kan worden gedestilleerd dat de officier van justitie en de onder hem ressorterende politie de regie dienen te behouden over de opsporing. In de twee besproken zaken lijkt daarvan in mindere mate sprake te zijn geweest.
Het op deze wijze gebruikmaken van door opsporende burgers verstrekte informatie bergt ook nog een ander bezwaar in zich. Op het moment dat politie en OM niet of nauwelijks zelfstandig onderzoek verrichten ter verificatie van dergelijke gegevens, bestaat het risico dat een strafrechtelijke vervolging wordt geëntameerd op basis van valse informatie. Informatie op basis waarvan een onschuldige burger vervolgens ten onrechte met strafvorderlijk ingrijpen wordt belast. Op het moment dat deze informatie in de bewijsvoering wordt betrokken, bestaat zelfs het gevaar dat een onschuldige burger wordt veroordeeld. Dit laatste punt is in beide uitspraken onderbelicht gebleven.