Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.4.3
3.4.3 Sub 1: ‘de handelaar’
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS384973:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Protocol to Prevent, Suppress and Punish trafficking in Persons, especially Women and Children, supplementing the United Nations Convention against Transnational Organized Crime, General Assembly resolution 55/25 van 15 november 2000, in werking getreden 25 december 2003 (Trb. 2001, 69) en European Union Council Framework Decision on combating trafficking in human beings, kaderbesluit 2002/629/JBZ, in werking getreden 1 augustus 2002 (PbEG 2002/L 203).
In onderdeel 2, 3, 4, 7 en 9 komen (enkele van) deze elementen terug.
Aldus ook HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, concl. Knigge, nr. 19, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr aant. 3.2.
Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9b.
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, concl. Knigge, nr. 15, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Soms wordt de keuze voor een bepaalde wervingshandeling zelfs opengelaten. Zie bijvoorbeeld Rb Rotterdam 1 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3785 (Schuldbinding Hongaren) waarin bewezen wordt verklaard werven en/of vervoeren en/of overbrengen en/ of huisvesten, maar niet opnemen (het betrof in deze zaak de uitbuiting van Hongaren door middel van schuldbinding).
Van Dale (online editie). Zie ook HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, concl. Knigge, nr. 19, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1788, NJ 2000/443. Zie voorts Ten Kate 2013, p. 26.
Van Dale (online editie).
HR 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3425, NJ 2006/35.
Rb Den Haag 26 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1968. Het betrof in casu aldus vervoeren, overbrengen en huisvesten. Vergelijk met Rb Den Haag 30 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:996 waarin alleen het ‘huisvesten’ is bewezen. Beide zaken betreffen hetzelfde slachtoffer: het minderjarige nichtje dat in het huishouden kwam werken. De echtgenoot had in zijn eentje het slachtoffer van Turkije naar Nederland gehaald. De echtgenote had het nichtje ‘slechts’ in het gezin ‘gehuisvest’. Zie evenwel de zaken in hoger beroep Hof Den Haag 24 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1525 en 1524 (Uitbuiting Turks nichtje in de huishouding) waarin het Hof in beide zaken alleen ‘huisvesten’ en ‘opnemen’ heeft bewezen verklaard.
Van Dale (online editie). Zie ook Ten Kate 2013, p. 26.
Rb Den Haag 26 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1968.
Van Dale (online editie). Zie ook Ten Kate 2013, p. 26.
Rb Rotterdam 21 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1688.
Rb Rotterdam 1 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3785 (Schuldbinding Hongaren).
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6878 (Gedwongen straatkrantverkoop II).
Rb Gelderland 23 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6541 (Uitbuiting van verslaafden).
Ten Kate 2013, p. 26.
Van Dale (online editie).
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10095 (Gedwongen straatkrantverkoop I).
Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 8. Zie ook Otten 2006, p. 45.
Zie ook hoofdstuk 2.
Zie ook Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9c.
BNRM 2012, p. 26.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr aant. 3.1.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 216.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015: 6878 (Gedwongen straatkrantverkoop II) waarin onder meer wordt bewezen verklaard ‘dwang, geweld, of een andere feitelijkheid’ en Rb Zeeland-West-Brabant 23 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4870 (Gedwongen afsluiten telefoonabonnementen) waarin ‘dwang en feitelijkheden’ worden bewezen verklaard.
Van Dale (online editie).
HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7650, NJ 2008/126 m.nt. Keijzer (met betrekking tot art. 242 Sr). Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 1.
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379 (met betrekking tot art. 246 Sr).
HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0862, NJ 2007/315 (met betrekking tot art. 246 Sr). Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 246 Sr aant. 4.
HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78 (met betrekking tot art. 242 Sr).
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 81 Sr aant. 6. Zie ook Otten 2006, p. 46.
Zie bijvoorbeeld de mensenhandelzaak-‘Mehak’ Hof Den Haag 19 januari 2010, ECLI: NL:GHSGR:2010:BK9406 waarin het middel ‘geweld’ is bewezen verklaard aangezien de veroordeelde het slachtoffer sloeg met een zweep.
Lindenberg 2007, p. 194-195.
HR 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9146, NJ 1993/292 (met betrekking tot art. 141 lid 1 Sr).
HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8927 (met betrekking tot art. 141 lid 1 Sr).
HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3040, NJ 2005/20 (met betrekking tot art. 242 Sr).
HR 22 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9873, NJ 1995/157 (met betrekking tot art. 242 Sr).
Lindenberg 2007, p. 195.
Zie ook Otten 2006, p. 47.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 1.
HR 3 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC9311, NJ 1999/125 (met betrekking tot art. 242 Sr).
Aldus ook Lindenberg 2007, p. 195.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 2.
Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 17. Zie ook Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 2.
Zie nog uitgebreider hieromtrent Lindenberg 2007, p. 208 en 209.
Stevig vastpakken van het slachtoffer (HR 11 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0483, NJ 1996/672 met betrekking tot art. 242 Sr), op het slachtoffer gaan liggen en blijven liggen (HR 3 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC9311, NJ 1999/125 met betrekking tot art. 242 Sr).
Bijvoorbeeld door het vergrendelen van een auto (HR 29 november 1994, ECLI:NL: HR:1994:ZD1101, NJ 1995/201 met betrekking tot art. 242 Sr)
Het door een arts op dwingende toon gebieden gebukt te staan in de spreekkamer (HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ 1997/485 m.nt. ‘t Hart met betrekking tot art. 242 Sr), het tegen het slachtoffer zeggen dat hij op bed moet gaan liggen en zijn kleren moet uittrekken (HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3365, NJ 2002/500 met betrekking tot art. 246 Sr).
Het aanwenden van stiefouderlijk gezag (HR 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZD0809, NJ 1998/116 met betrekking tot art. 242 Sr), het als leider van een leefgemeenschap (profeet) verrichten van handelingen in een situatie waarin het voor het slachtoffer nauwelijks mogelijk is zich daaraan te onttrekken (HR 16 november 1999, ECLI:NL: HR:1999:ZD1653, NJ 2000/125 met betrekking tot art. 242 Sr), het – wetende van de geringe weerbaarheid van het slachtoffer – verrichten van gedragingen en mondelinge uitlatingen opdat dit een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht oplevert dat het slachtoffer daaraan geen weerstand kan bieden (HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AY6940, NJ 2006/624 met betrekking tot art. 242 en met noot Buruma waarin hij diverse categorieën van overwicht uiteenzet).
De bedreiging om seksueel getinte foto’s van het slachtoffer openbaar te maken (Rb Dordrecht 20 oktober 2005, ECLI:NL:RBDOR:2005:AU4724 met betrekking tot art. 246 Sr).
Het onverhoeds vastpakken van de borsten van het slachtoffer (HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4825 met betrekking tot art. 246 Sr).
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 2.
Otten 2006, p. 49.
Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 8, p. 8. Zie ook Otten 2006, p. 50.
Zie ook Lindenberg 2007, p. 210.
Lindenberg 2007, p. 210.
Zie voor arbeidsuitbuitingszaken bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 19 september 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:6563 het betrof in casu de uitbuiting van een Hongaar in de vleesverwerkingsindustrie. Bewezen verklaard zijn: ‘geweld en andere feitelijkheden en dreiging met geweld en misbruik van een kwetsbare positie’. En Rb Zeeland-West-Brabant 23 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4870 (Gedwongen afsluiten telefoonabonnementen) waarin is bewezen verklaard: ‘dwang en andere feitelijkheden en dreiging met geweld en afpersing en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’.
Rb Amsterdam 21 juni 2011, nr. 16/694008-10 (Telefoonabonnement en seksuele uitbuiting, niet gepubliceerd).
Zie onder meer over de loverboy-methode BNRM 2002, p. 93 e.v.
HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1118, NJ 1995/454 (met betrekking tot art. 246 Sr).
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 242 Sr aant. 1.
Een voorbeeld hiervan is de mensenhandelzaak gewezen door de rechtbank Haarlem op 1 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8088 (Handel en smokkel vanuit Benin) waarin de slachtoffers door middel van een voodoo/juju-ritueel moesten beloven een geldbedrag terug te betalen. En als zij deze juju-belofte zouden verbreken, dan zouden zij eerst gek worden en daarna doodgaan. Deze dreiging werd hier aangemerkt als ‘dreiging met een feitelijkheid’. Zie voor andere zaken waarin ‘dreigen met een feitelijkheid’ bewezen is verklaard bijvoorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10095 (Gedwongen straatkrantverkoop I), Rb Alkmaar 8 december 2012, ECLI:NL:RBALK:2011:BU8348 en BU8346 (Uitbuiting Oekraïners), Rb Zwolle-Lelystad 14 december 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7662 (Uitbuiting Polen in slachterij), Hof Arnhem 14 januari 2010, nr. 21-002724-08 (Verstandelijk gehandicapte, niet gepubliceerd).
HR 21 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0623, NJ 1989/668 m.nt. ‘t Hart, onder punt 2. Zie ook Otten 2006, p. 57-58 en meer uitgebreid Lindenberg 2007, p. 218-243.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr aant. 3.1. Zie ook Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9c.
Van Dale (online editie).
HR 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1846, NJ 1993/718.
Rb Zwolle-Lelystad 14 december 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7662.
Van Dale (online editie). Beijer 2010, p. 986 e.v..
HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3537, NJ 2009/426.
HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187.
Rb Rotterdam 1 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3785 (Schuldbinding Hongaren).
Zie uitgebreid hierover Otten 2006, p. 58 - 75.
Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3 - 4.
Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 4 en 8.
Aldus ook Otten 2006, p. 59.
HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3537, NJ 2009/426.
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Hof Den Bosch 17 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7217 en BN7215 (zaak gewezen na terugverwijzing van de Hoge Raad, zie het hiervoor besproken arrest HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma).
Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9c.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr aant. 3.1.
Zie § 5.3.2.
Dit volgt ook uit de UN Legislative Guide for the Implementation of the Protocol to Prevent, Suppress and Punish Trafficking in Persons (UN 2004), p. 269. Zie ook HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, concl. Knigge, nr. 14, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Rb Haarlem 1 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8088 (Handel en smokkel vanuit Benin).
Onderdeel 1 stelt strafbaar de persoon die door middel van een wervingshandeling, een beïnvloedingsmiddel en met het oogmerk van uitbuiting een slachtoffer heeft benaderd. Eenvoudig gesteld betreft het de strafbaarstelling van de handelaar, de persoon die in het traject voorafgaand aan de uitbuiting actief is. Deze activiteiten zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting of de verwijdering van organen.1 Zoals opgemerkt in paragraaf 3.2.3 zijn de eerste twee subleden van lid 1 ingevoerd naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel en het EU Kaderbesluit mensenhandel.2 Zowel deze internationale instrumenten als de Nederlandse bepaling gaan uit van drie componenten: wervingshandelingen, ongeoorloofde middelen en het oogmerk van uitbuiting. In de navolgende deelparagrafen wordt ingegaan op de betekenis van deze drie vereiste componenten. Die betekenis is echter niet alleen relevant voor sub 1. In andere subleden wordt eveneens naar de wervingshandelingen of de beïnvloedingsmiddelen van dit sublid verwezen. De bespreking is ook voor die subleden van belang.3
• Wervingshandelingen
De handelingen in sub 1 – werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen – zijn ontleend aan het VN Protocol mensenhandel. De term ‘huisvesten’ stamt af van het in het protocol gebruikte begrip ‘harbouring’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever met deze vertaling een nauwere betekenis heeft willen geven dan het protocol.4 De memorie van toelichting geeft verder geen nadere definitie van de begrippen. Vermeld wordt dat de activiteiten zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting of de verwijdering van organen.5 De begrippen dienen ruim te worden opgevat en in overeenstemming met het dagelijks taalgebruik.6 Tot slot zijn de begrippen neutraal en feitelijk bedoeld en staan los van de vraag of sprake is geweest van enig dwangmiddel.7 Wel dient een relatie aanwezig te zijn tussen de handeling en het oogmerk van de dader. Een wervingshandeling is dus alleen relevant als dit betrekking heeft op uitbuiting.8
In de jurisprudentie wordt niet altijd expliciet ingegaan op de keuze voor een bepaalde wervingshandeling of voor diverse handelingen.9 Het wordt dan als vanzelfsprekend gehouden dat de feiten en omstandigheden duiden op bepaalde wervingsvormen. Die wervingsvormen kunnen elkaar bovendien overlappen.
- Werven
Werven is het aantrekken of rekruteren van slachtoffers.10 Dit behelst iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een uitbuitingssituatie te brengen. Niet behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid van het slachtoffer heeft beperkt.11
- Vervoeren
Vervoeren heeft betrekking op het verplaatsen of transporteren van het slachtoffer. De Van Dale definieert het als naar elders voeren, overbrengen of overdragen.12 De Hoge Raad oordeelde in een zaak waarin het oude mensenhandel artikel 250a Sr centraal stond en de term ‘medenemen’ nog werd gebruikt, dat het hierbij niet noodzakelijk is dat de mensenhandelaar zelf meereist.13 Te verwachten valt dat dit evenzo het geval is bij de term ‘vervoeren’ in artikel 273f Sr. Het vervoeren kan aldus samenvallen met het overbrengen (zie hierna). De beide wervingshandelingen waren bijvoorbeeld aan de orde in een zaak waarin de verdachte zijn minderjarig nichtje van Turkije naar Nederland had gehaald om haar vervolgens uit te buiten in het huishouden.14
- Overbrengen
Overbrengen behelst het verplaatsen van het slachtoffer van de ene plaats naar de andere.15 Overbrengen kan samenvallen met vervoeren. Een voorbeeld betreft de hierboven genoemde zaak waarin verdachte zijn nichtje uit Turkije naar Nederland overbrengt.16
- Huisvesten
Huisvesten is het herbergen of het verschaffen van onderkomen aan iemand.17 Dat handelaren eveneens een onderkomen regelen voor slachtoffers is in meerdere zaken terug te zien. De afhankelijkheid van de handelaar voor huisvesting, kan tevens een indicatie zijn voor de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Zie voor het huisvesten van buitenlandse slachtoffers bijvoorbeeld het vonnis van Rechtbank Rotterdam op 21 januari 2016.18 Hier ging de huisvesting gepaard met onevenredige huurbedragen. Een ander voorbeeld is het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 1 juni 2015. Het betrof hier Hongaarse slachtoffers.19 Zie voorts het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden, in deze zaak werden Roemenen geherbergd.20 De huisvesting kan evenwel ook bij Nederlandse slachtoffers aan de orde zijn. Zie bijvoorbeeld het vonnis van Rechtbank Gelderland op 23 oktober 2015.21 In deze zaak werden drugsverslaafde slachtoffers voorzien van een onderkomen.
- Opnemen
Met opnemen is bedoeld iemand een plaats te geven.22 Iemand ‘van straat opnemen’ legt de Van Dale uit als iemand ‘in huis brengen’.23 Opnemen kan dus samenvallen met huisvesten. Zie bijvoorbeeld het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden.24 Het betrof in deze zaak de huisvesting en opname van Roemeense straatkrantverkopers.
• Beïnvloedingsmiddelen
De ongeoorloofde middelen in sub 1 – dwang, geweld of een andere feitelijkheid, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft – zijn grotendeels overgenomen van artikel 250a Sr. De wetgever plaatste de volgende opmerking over deze middelen in de memorie van toelichting bij artikel 250ter (oud) Sr:
‘De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de verminderen van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.’25
Kenmerkend aan de begrippen dwang, geweld, dreiging, afpersing, fraude en misleiding is dat ze een beperking op de negatieve vrijheid met zich brengen. Met het inzetten van deze beïnvloedingsmiddelen bepaalt de handelaar de mogelijkheden van het slachtoffer. Dwang, geweld, dreiging en afpersing kunnen het slachtoffer dwingen tot het accepteren van een baan, ook al wil het slachtoffer dit eigenlijk niet. Fraude en misleiding kunnen het slachtoffer laten instemmen met een baan, terwijl het slachtoffer niet had ingestemd indien het op de hoogte was geweest van de werkelijke condities van de baan. In alle gevallen manipuleert de handelaar de te kiezen alternatieven. Misbruik betreft geen inbreuk op de negatieve vrijheid, maar het zorgt er mogelijk wel voor dat de positieve vrijheid niet wordt vergroot of zich niet verder gunstig ontwikkelt.26
Uiteindelijk leidt het middel ertoe dat het slachtoffer kan worden uitgebuit.27 Het middel hoeft overigens niet tegen het slachtoffer zelf te worden ingezet. Denkbaar is dat de pressie wordt uitgeoefend jegens een derde die vervolgens het slachtoffer overlevert aan de wil van de dader.28 Familie van het slachtoffer kan bijvoorbeeld onder druk worden gezet om het familielid over te halen aan de wensen van de derde te voldoen.29 Het opzetvereiste zit in alle ongeoorloofde gedragingen besloten.30
De dwangmiddelen zijn overigens niet vereist bij minderjarige slachtoffers (lid 1 sub 2) en bij de werving van personen in het ene land om in het andere land in de prostitutie te gaan (lid 1 sub 3).
- Dwang, geweld of een andere feitelijkheid
De middelen geweld en een andere feitelijkheid zijn overgenomen van artikel 250a (oud) Sr. Het middel dwang is toegevoegd naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel. De redactie van de delictsomschrijving maakt duidelijk dat de inhoud en reikwijdte van de verschillende middelen niet van fundamenteel belang zijn. In de tenlastelegging kunnen alle drie de middelen worden opgenomen en de middelen kunnen elkaar overlappen. Zij zijn geen doel op zich, maar moeten uiteindelijk kunnen leiden tot het gevolg, de uitbuiting. De reikwijdte van ‘dwang’, ‘geweld’ of ‘een andere feitelijkheid’ markeert slechts een externe grens van aansprakelijkheid, maar geen duidelijke interne grens tussen de middelen.31 Uit mensenhandeljurisprudentie blijkt dan ook dat de begrippen niet specifiek van elkaar worden gescheiden.32 Om iets te kunnen zeggen over de afzonderlijke betekenissen wordt daarom eveneens gebruik gemaakt van jurisprudentie met betrekking tot de delicten verkrachting (art. 242 Sr), aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr), openlijke geweldpleging (art. 141 Sr) en dwang (art. 284 Sr) aangezien deze delicten (deels) dezelfde beïnvloedingsmiddelen bevatten.
Dwang betreft een overkoepelend begrip waaronder geweld of een andere feitelijkheid dan wel de dreiging met geweld of een andere feitelijkheid kan worden geschaard. De Van Dale definieert dwingen met ‘het (door geweld) onmogelijk maken anders dan op een bepaalde wijze te handelen’. Het is sterker dan noodzaken.33 Volgens het conceptuele model uit hoofdstuk 2 kan dwang enkel plaatsvinden door het gebruik van fysieke krachten of bedreiging met fysieke of psychische schade. In jurisprudentie wordt ‘dwingen’ evenwel ruimer uitgelegd dan in het conceptuele model. Binnen de rechtspraak wordt óók van dwingen gesproken indien beïnvloeding plaatsvindt door ‘een andere feitelijkheid’. De onbepaaldheid van het woord ‘feitelijkheid’ biedt ruimte voor een brede interpretatie (zie hierna). De Hoge Raad heeft zich onder meer in diverse zaken met betrekking tot verkrachting en aanranding van de eerbaarheid uitgelaten over de betekenis van dwang. Zo kan van dwingen sprake zijn als de dader opzettelijk veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn wil ondergaat.34 Dwang kan voorts aan de orde zijn in een situatie waarin het slachtoffer zich erg moeilijk aan bepaalde (in casus: ontuchtige) handelingen kan onttrekken.35 De dwang kan voorts bewezen worden verklaard indien het onverhoedse karakter van het handelen van verdachte het slachtoffer overvalt en verzet voorkómt.36 Het enkele bestaan van een afhankelijkheidsrelatie of van wetenschap van een licht verstandelijke beperking is evenwel onvoldoende voor dwingen.37
Geweld betreft de aanwending van, in de regel, fysieke kracht. Het geweld dient van zodanig gewicht te zijn, dat het geschikt is het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen.38 Een bewezenverklaring kan volgen indien sprake is van handelingen die als gewelddadig kunnen worden beschouwd.39 Een bewezenverklaring is echter ook mogelijk indien de feiten en omstandigheden apart van elkaar niet direct gewelddadig zijn, maar tezamen wel een dergelijk karakter hebben.40 Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het dreigend heffen van een slagwapen (gepaard gaand met het in een groep schoppen, slaan en schieten),41 of het dreigend oplopen met stenen in de hand,42 het onverhoeds handelen,43 of het zeggen van ‘hou je kalm!’,44 onder omstandigheden ‘geweld’ oplevert.45 De reikwijdte van het begrip is niet beperkt tot het aanwenden van fysieke kracht. Artikel 81 Sr stelt met geweld gelijk ‘het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht’.46 Het geweld hoeft voorts geen nadelige gevolgen zoals lichamelijk letsel te hebben.47 Uiteindelijk dient het geweld van voldoende substantie te zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. Minder ernstig geweld, bijvoorbeeld simpele fysieke druk die het slachtoffer belet te ontsnappen, levert geen geweld, maar ‘een andere feitelijkheid’ op.48 De grens tussen ‘geweld’ en ‘een andere feitelijkheid’, is niet altijd scherp te trekken. Die afgrenzing hangt mede af van de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.49 Hoe ruimer de rechter het begrip ‘geweld’ interpreteert, hoe minder groot de noodzaak is het middel ‘een andere feitelijkheid’ op te nemen.50
Bij het middel een andere feitelijkheid kan worden gedacht aan het uitoefenen van druk en het opwerpen van belemmeringen die zowel van fysieke als van psychische aard kunnen zijn.51 De wetgever noemt als voorbeeld iemand die onder invloed van drugs of alcohol zo bedreigend overkomt dat men zich niet durft te verzetten.52 Eveneens kan worden gedacht aan ‘ernstige ongewenste intimiteiten op de werkvloer’, maar deze moeten wel zo bedreigend zijn dat het slachtoffer er ook echt door gedwongen wordt, en geen weerstand kan bieden.53 In de jurisprudentie zijn onder meer aangemerkt als feitelijkheid:54 fysieke handelingen,55 het afsnijden van vluchtwegen,56 het uitspreken van woorden,57 het aanwenden van gezag of overwicht,58 het openbaren van gevoelig materiaal,59 en onverhoeds handelen.60 Een fysieke belemmering kan tevens ‘geweld’ opleveren. Bij minder ernstige vormen is de kwalificatie ‘een andere feitelijkheid’ echter meer op zijn plaats.61 De grens tussen wat wel en niet als een feitelijkheid in de zin van dit artikel moet worden gezien, is niet altijd duidelijk te trekken. De term feitelijkheid duidt zelf al aan dat de betekenis onbepaald is.62 Er dient een relatie te zijn tussen de feitelijkheid en het handelen of nalaten van het slachtoffer. De feitelijkheid moet zo bedreigend zijn dat wanneer zij niet wordt gebezigd, het slachtoffer niet zou hebben gehandeld, of in ieder geval niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij thans gehandeld of niet gehandeld heeft.63 In feite kan iedere gedraging hieronder worden geschaard die geschikt is een ander te beïnvloeden.64 Als de definitie echter werkelijk zo ruim zou zijn, zouden andere beïnvloedingsmiddelen overbodig zijn. De aanduiding ‘of een andere feitelijkheid’ in artikel 273f Sr maakt duidelijk dat het gaat om een restcategorie. Alleen díe gedragingen zijn relevant, die niet vallen onder een van de andere beïnvloedingsmiddelen.65
In de rechtspraktijk wordt het middel meestal in combinatie met andere beïnvloedingsmiddelen bewezen verklaard (zowel bij arbeidsuitbuiting als bij seksuele uitbuiting).66 Een voorbeeld waarin ‘feitelijkheid’ goed tot uitdrukking kwam, betreft het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 21 juni 2011.67 De feitelijkheid betreft in deze zaak het aanleggen van een relatie met het slachtoffer, het verschaffen van onderdak aan haar, het brengen tot prostitutie, het in de gaten houden en het haar laten afsluiten van telefoonabonnementen. Deze feitelijkheden gingen gepaard met het tevens bewezen verklaarde middel ‘bedreiging’. De zaak maakt duidelijk dat beïnvloeding met behulp van een zogenoemde loverboy-methode als ‘feitelijkheid’ kan worden gezien.68 Tegelijkertijd is verdedigbaar dat dergelijke beïnvloeding beter past onder de middelen ‘misbruik van een kwetsbare positie’ dan wel ‘misbruik van een overmachtsituatie’. In deze zaak had kunnen worden volstaan met een bewezenverklaring van de middelen ‘bedreiging’ en ‘misbruik’. Het beinvloedingsmiddel lijkt in de praktijk dan ook weinig betekenis te hebben. Potentieel heeft het middel evenwel een groot bereik. De onbepaaldheid van de term ‘een andere feitelijkheid’ laat ruimte voor een brede interpretatie. Als feitelijkheid zou bijvoorbeeld kunnen gelden het aanmoedigen van een ander om bepaald werk te verrichten. Deze gedraging behelst niet per definitie dwang, bedreiging, misbruik of misleiding, maar kan wel worden gezien als ‘een andere feitelijkheid’. Met name bij sub 4 zorgt de term voor een brede tekstuele reikwijdte van de delictsomschrijving. Het een ander laten tekenen van een contract waardoor iemand wordt bewogen tot het verrichten van arbeid, zou door het gebruik van dit beïnvloedingsmiddel tekstueel gezien onder het sublid kunnen vallen. Het is de vraag of deze mogelijke brede lezing wenselijk is. In § 3.4.4 en hoofdstuk 6 wordt hierop teruggekomen.
- Dreiging met geweld of een andere feitelijkheid
Bij dit middel is het geweld of de feitelijkheid niet daadwerkelijk toegepast, maar wordt dit als onaangename ervaring of ongewenste toestand in het vooruitzicht gesteld. De bedreiging dient ervoor te zorgen dat het gevolg in werking treedt. In dit sublid is het gevolg gericht op de uitbuiting. Van bedreiging (met geweld) kan sprake zijn indien de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd dat de vrees van het slachtoffer (voor geweld of een andere feitelijkheid) gerechtvaardigd is.69 Het kwaad dat het slachtoffer vreest, hoeft niet afkomstig te zijn van de verdachte zelf. Hij kan ook vrees opwekken voor rampen of ziekten die het slachtoffer kunnen overkomen als het slachtoffer niet meewerkt.70 Als voorbeeld kan worden genoemd het dreigen door middel van een voodoo-ritueel.71 Dat het inzetten van voodoo als bedreigend wordt aangemerkt, toont aan dat het bestanddeel niet puur mag worden geobjectiveerd. De aard van de bedreiging dient niet alleen te worden getoetst aan de indruk die zij in het algemeen op redelijke mensen zou maken: het gaat erom dat de bedreigde persoon opzettelijk vrees is aangejaagd voor een handeling die iets ergs zou teweeg brengen.72
- Afpersing
Blijkens artikel 317 Sr betreft afpersing het dwingen van een ander door geweld of de dreiging met geweld. Machielse stelt evenwel in zijn commentaar bij artikel 273f Sr dat – gelet op de internationale wortels van de bepaling – het begrip afpersing ruim moet worden uitgelegd en niet strikt volgens de delictsomschrijving van artikel 317 Sr.73 In dat geval zou bijvoorbeeld eveneens sprake zijn van afpersing bij het dwingen van een ander door ‘een andere feitelijkheid’ of de dreiging met ‘een andere feitelijkheid’ (in plaats van geweld). Of nu wordt uitgegaan van een strikte interpretatie volgens artikel 317 Sr of een ruime interpretatie, het middel valt in alle gevallen samen met de beïnvloedingsmiddelen ‘geweld of een andere feitelijkheid’ dan wel de ‘dreiging met geweld of een andere feitelijkheid’.
- Fraude
De Van Dale omschrijft fraude als ‘valsheid en bedrog’.74Artikel 326 Sr stelt dat bedrog kan plaatsvinden door het aannemen van een valse hoedanigheid, het aanwenden van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Eén enkele leugen is onvoldoende voor fraude in de zin van artikel 326 Sr.75 Een voorbeeld van een mensenhandelzaak waarin fraude bewezen is verklaard betreft het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 december 2012.76 In deze zaak werden Turken, Grieken, Hongaren en Polen tewerkgesteld in een slachterij. Verdachte had een administratieve chaos gecreëerd door te werken met voorschotten, inhoudingen, leningen en valselijk opgemaakte kwitanties. Hierdoor hadden de slachtoffers geen overzicht in hun financiële situatie waardoor zij nog afhankelijker waren van verdachte.
Dit middel valt samen met het beïnvloedingsmiddel misleiding. Misleiding betreft een ruimer begrip dan fraude (één grote leugen jegens het slachtoffer is bijvoorbeeld wel voldoende voor misleiding). Let wel, ik ga er hierbij van uit dat de fraude plaatsvindt jegens het slachtoffer. Als daarentegen het middel fraude bewezen kan worden indien niet het slachtoffer zelf wordt bedrogen, maar een ander, bijvoorbeeld de overheid, kan het middel ruimer uitvallen dan misleiding. Stel dat bewust bepaalde voorschriften niet worden nageleefd: er wordt gewerkt met dubbele contracten en valse loonstroken in strijd met de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Als het slachtoffer op de hoogte is van deze gang van zaken, wordt alleen de overheid voorgelogen. Dit valt dan niet onder misleiding, maar wel onder fraude. Het ligt echter niet in de rede dat dit middel zo dient te worden geïnterpreteerd. Net zoals de andere beïnvloedingsmiddelen worden ingezet tegen het slachtoffer, ligt het voor de hand dat ook dit middel moet worden ingezet jegens het slachtoffer. Het middel fraude lijkt dan ook geen meerwaarde te hebben naast het middel misleiding.
- Misleiding
Bij misleiding wordt doelbewust een foute voorstelling van zaken gegeven.77 Verkeerde informatie kan bijvoorbeeld worden verschaft over de aard van het werk of de omstandigheden waaronder de arbeid moet worden verricht. Net zoals bij ‘dwingen door een andere feitelijkheid’ moet de misleiding van dien aard zijn dat het slachtoffer daardoor wordt bewogen tot arbeid of diensten. Als de misleiding niet zou zijn toegepast, dan zou het slachtoffer zich niet beschikbaar hebben gesteld of in ieder geval niet onder de omstandigheden waarin hij dat door de misleiding heeft gedaan. De term ‘misleiden’ hoeft niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging. Aan deze term komt namelijk voldoende feitelijke betekenis toe.78
Van misleiding is bijvoorbeeld sprake in een zaak waarin verdachte buitenlandse vrouwen via een relatiebemiddelingsbedrijf naar Nederland heeft laten reizen onder het voorwendsel dat hij met hen een relatie aan wilde gaan, en dat hij rijk was, terwijl zijn eigenlijke bedoeling was de vrouwen in de prostitutie te brengen. De Hoge Raad acht dit verheimelijken van de eigen bedoeling (het werken in de prostitutie) specifiek een kenmerk van misleiding.79 Een voorbeeld van een arbeidsuitbuitingszaak waarin misleiding bewezen is verklaard, betreft het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 1 juni 2015.80 In deze zaak werd Hongaren per direct werk voor een langere periode tegen een goed netto uurloon in Nederland voorgehouden. In de praktijk bleek dat het werk niet of niet continu beschikbaar was. En in de gevallen dat er wel werk was, werden de salarissen afgepakt.
- Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van een kwetsbare positie
Bij deze middelen wordt misbruik gemaakt van een overwichtssituatie of van een kwetsbare positie.81 Blijkens de wetsgeschiedenis wordt misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op seksueel gebied verondersteld aanwezig te zijn indien het gaat om een prostituee die in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.82 Of hier sprake van is kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. Een uit een ontwikkelingsland afkomstig persoon of een aan verdovende middelen verslaafde verkeert meestal niet in een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling mogelijk is, vergelijkbaar met een mondige Nederlandse prostituee. Het woord ‘mondig’ doelt daarbij op een zekere rijpheid die de prostituee in staat stelt de gevolgen van haar handelen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.83 Deze uitleg leidt tot objectivering van het bestanddeel. De werknemer wordt vergeleken met een ‘normale mondige Nederlandse werknemer’, een maatman. Indien de vergelijking negatief uitpakt voor de werknemer in kwestie, kan eventueel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht worden aangenomen.84 Onder kwetsbare positie moet volgens de wetgever in ieder geval worden begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.85 Deze uitleg dient als ondergrens. De term ‘mede begrepen’ geeft aan dat het middel ruimer kan worden uitgelegd.86 Net zoals bij misleiding komt aan de term ‘misbruik van een kwetsbare positie’ voldoende feitelijke betekenis toe, en hoeft dit niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging.87
In zijn arrest van 27 oktober 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voorwaardelijk opzet op het misbruik van de feitelijke omstandigheden of de kwetsbare positie voldoende is. Toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie dan wel de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel moet worden verondersteld voort te vloeien.88
De middelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ lopen in de praktijk vaak in elkaar over. Zo oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch in de zaak ‘Chinese horeca’ – waarin illegale Chinezen gemiddeld zes dagen per week, elf uur per dag tegen een zeer geringe vergoeding aan het werk zijn gesteld – dat zowel sprake was van misbruik van een kwetsbare positie als van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.89 De werknemers spraken geen Nederlands en verkeerden daardoor in een kwetsbare positie. Bovendien hadden zij geen Nederlands netwerk, waren zij illegaal in Nederland en waren zij daardoor afhankelijk van verdachte voor onderdak en werk. De verdachte heeft zowel van de uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht als van de kwetsbare positie gebruik gemaakt. Het feit dat een slachtoffer kwetsbaar is, zal vaak met zich brengen dat de verdachte zichzelf makkelijk in een overwichtsituatie kan plaatsen waarin hij externe omstandigheden tegen het slachtoffer kan inzetten. Beide middelen kunnen dan worden bewezen.
- Het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft
Dit beïnvloedingsmiddel ziet uitsluitend op het geven of ontvangen van betalingen aan of van degene die zeggenschap over het slachtoffer heeft.90 Een gezagsrelatie kan voortvloeien uit de wet of uit een overeenkomst, of uit feitelijke omstandigheden. Betalingen aan het slachtoffer om die te bewegen tot het verrichten van arbeid zijn geen dwangmiddel als in dit lid bedoeld.91 Het middel is eveneens opgenomen in het VN Protocol mensenhandel. In de voorbereidende stukken bij het protocol is niet ingegaan op de betekenis en noodzaak van dit middel.92 Ook in de Nederlandse wetsgeschiedenis is daarover niets te vinden. Het middel lijkt geen betekenis te hebben in de praktijk. Zoals reeds opgemerkt hoeven de diverse middelen niet direct te worden ingezet tegen het slachtoffer. Druk kan worden uitgeoefend jegens een derde die vervolgens het slachtoffer overlevert aan de wil van de dader. Verder hoeven de beïnvloedingsmiddelen bij minderjarigen sowieso niet bewezen te worden (zie lid 1 onderdeel 2). Het gaat hier dus om de situatie waarin een ander zeggenschap heeft over een meerderjarig slachtoffer. Stel dat een vrouw geld wordt geboden om haar man te laten uitbuiten. De vrouw dwingt haar man mee te werken. Er is dan sprake van het middel dwingen. Het is niet het geld waardoor het slachtoffer zich beschikbaar stelt. Het is de vrouw die zeggenschap over hem heeft waardoor hij zich beschikbaar stelt. Indirect heeft de mensenhandelaar dan eveneens gedwongen. Misschien dat dwang in bepaalde situaties niet aan de orde is. Wellicht dat de vrouw (na het innen van het geld van de mensenhandelaar) op haar man inpraat en zegt dat het toch echt het beste is voor hen als hij zich beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid binnen een uitbuitingssituatie. Het is in die gevallen alleen wenselijk van mensenhandel te spreken indien misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van de man of indien de vrouw misbruik heeft gemaakt van een overwichtssituatie. Bovendien kan gesteld worden dat indien de mensenhandelaar weet heeft van de onderdanige positie van de man en hij daarop inspeelt door zijn vrouw geld te bieden, hij dírect misbruik maakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het middel voegt aldus geen waarde toe.
• Oogmerk van uitbuiting
De term ‘oogmerk van uitbuiting’ geeft aan dat de daadwerkelijke uitbuiting nog niet hoeft te hebben plaatsgevonden. ‘Oogmerk’ duidt op een zwaardere opzetvariant: gewoon opzet en voorwaardelijk opzet op de uitbuiting zijn onvoldoende. Als het oogmerk van uitbuiting aanwezig is, kan al een veroordeling voor mensenhandel volgen zonder dat de daadwerkelijk uitbuiting heeft plaatsgevonden.93 Een voorbeeld betreft de uitspraak van de Recht- bank Haarlem van 1 juni 2010.94 In deze zaak heeft de verdachte de slachtoffers van Benin naar Nederland begeleid. Hij had hen door middel van voodoo laten zweren dat zij het geldbedrag voor deze reis zouden terugbetalen op straffe van overlijden. Daarbij was hen beloofd dat zij een baan zouden krijgen op de plaats van bestemming, waarmee zij het geldbedrag terug konden betalen. Verdachte had de slachtoffers in een afhankelijke positie gebracht door de paspoorten af te nemen. Bovendien bevonden beide slachtoffers zich al in een kwetsbare positie (zo was het ene slachtoffer vanwege zijn homoseksualiteit weggegaan uit Nigeria en het andere slachtoffer gevlucht, omdat zij van haar ouders moest trouwen met een oudere man). De verdachte is op het vliegveld in Nederland aangehouden voordat de slachtoffers überhaupt arbeid of diensten hadden verricht. Sub 1 laat de ruimte om bij een dergelijke gedraging tot een veroordeling van het voltooide delict te komen.