Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.3
7.3 Onderscheid waarde en prijs
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344303:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, lle herziene druk, 1994, blz. 2249.
T.a.p., blz. 3331.
W.H. Kool en E. Poppelsdorf, De overname van een BV, Academie Services, Economie en Bedrijfskunde, le druk 1995, Hoofdstuk 3 Bedrijfseconomische aspecten, blz. 75.
W van Drimmelen, Meerwaarde en winst; over de arbeidswaardeleer van Marx als grondslag voor zijn verklaring van de winst, dissertatie, 1976, Delft, W.D. Meinema B.V.
T.a.p., hoofdstuk VII: Is de waarde-analyse onmisbaar om de winst te verklaren?, blz. 248-276.
Het is de vraag of deze redenering ook thans geen opgeld doet. Te denken valt daarbij aan 'human capital' als waardebepalende factor van de onderneming alsmede de verhoogde belangstelling voor luman resources management'.
J. Zeegers, Vraag en aanbod, Het prijsmechanisme als spil van de economie, Lannoo, Tielt (België), 1988, blz. 11-12.
M.J.A. van Mourik, Het begrip 'waarde' in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR nr. 5494, 27 oktober 1979, blz. 577-582.
J.B. Wolters, De waarde van de onderneming, een visie vanuit de praktijk, Limperg-dag 1990: thema 'Waardebegrip', blz. 37.
R. Sman, Met waardering ... Ondernemingswaarde en ondernemingsprijs een wereld van verschil, Deventer: Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1992.
In Van Dale1 is de volgende definitie van het begrip 'prijs' te vinden: 'bedrag dat in ruil voor het leveren van een zaak of het verrichten van een dienst gevraagd of geboden, ontvangen of besteed wordt'. Het begrip waarde2 wordt onder meer aangeduid met: 'grootte van de betekenis die iets heeft als bezit en ruilobject'.
Toch wordt er — zoals hierboven reeds en passant aangegeven — veelal geen onderscheid gemaakt tussen beide begrippen. Beide termen worden als synoniemen van elkaar gebruikt, terwijl de betekenissen van beide begrippen (zie Van Dale) van elkaar verschillen:
Een prijs is een geldbedrag dat door de werking van het prijsmechanisme (op basis van vraag en aanbod) daadwerkelijk tot stand komt.
De waarde is slechts een fictieve prijs, dat wil zeggen de inschatting van de prijs van een goed (of onderneming) als deze daadwerkelijk zou worden verkocht.
Ook Kool en Poppelsdorf3 is het opgevallen dat in de door hen bestudeerde literatuur over overnames begrippen als waardering, waarde en prijs niet altijd consistent gedefinieerd worden. Zij merken daarover verder nog op dat het gevolg is, dat redeneringen over deze begrippen gebaseerd zijn op een wankel begrippenkader, hetgeen kan leiden tot onduidelijkheden of misverstanden en wellicht tot onjuiste conclusies.
De meest fundamentele analyse van de ontwikkelingen rondom arbeid, productiviteit, winst, kapitaal etc. die zich met horten en stoten in Europa in de 19e eeuw voordeden, danken wij zonder twijfel aan Karl Marx. Zijn werk levert nog steeds een aantal belangrijke inzichten op die onmisbaar zijn om te begrijpen wat er met arbeid in onze hedendaagse maatschappij aan de hand is. Ook in de arbeidswaardeleer van Marx4 komt het onderscheid in waarde en prijs aan de orde. In de Marxistische leer is elke vorm van waarde steeds gekoppeld aan de inbreng van de mens. De werknemer /arbeider laat zich voor zijn inspanningen afkopen (of zo men wil: 'omkopen') door het accepteren van een bepaald overeengekomen loon. Dit verschaft hem niet alleen zekerheid maar houdt ook in dat de werknemer /arbeider bij verlieslijdende activiteiten van de ondernemer, aanspraak op loon behoudt. De waarde die alsdan resteert moet ergens aan worden toegerekend. Toerekening vindt aan de grootheid plaats die overblijft, zijnde de onderneming.
Onder de waarde van een goed verstaat Marx de hoeveelheid abstracte arbeid die in dat goed is belichaamd, gemeten naar de tijdsduur van die arbeid. Van deze waarde is volgens hem de ruilwaarde de verschijningsvorm. Marx ziet geld als een bijzondere waar, niettemin een waar waarvan de waarde bepaald wordt door de arbeidstijd die nodig is om de geldwaar te produceren. De prijs van een goed is in de leer van Marx de hoeveelheid geldwaar, waarbij hij tevens constateert dat de prijsverhoudingen en de waardeverhoudingen niet noodzakelijk identiek zijn. Afwijkingen tussen waarden en prijzen vinden volgens Marx hun oorsprong in allerhande toevallige marktomstandigheden waardoor prijzen aan voortdurende fluctuaties onderhevig zijn. Marx is ervan overtuigd dat deze fluctuaties elkaar op de lange duur zullen compenseren zodat per saldo de ruil plaatsvindt tegen de zogenaamde `Durchschnittspreis'. Afgezien van deze tijdelijke fluctuaties doet zich in zijn visie gewoonlijk nog een meer structurele oorzaak voor, die verhindert dat de prijzen corresponderen met de waardeverhoudingen. Dit is het geval, wanneer de organische samenstelling van het kapitaal niet in alle bedrijfstakken gelijk is.
Marx zocht in zijn wetenschappelijk gefundeerde arbeidswaardeleer eveneens een verklaring voor het begrip winst. In 1976 stelt Van Drimmelen5 dat Marx winst ziet als een verschijningsvorm van meerwaarde waarbij deze de resultante is van meerarbeid belichaamd in een meerproduct. Dit laatste is overigens geen typisch kapitalistisch verschijnsel maar heeft zich volgens Van Drimmelen ook in vroegere productiewijzen voorgedaan.
De arbeider produceert voor de 'rijken', zijn arbeid is volgens Marx' arbeidswaardeleer niet vrijwillig, maar als het ware gedwongen. Zijn arbeid is tot koopwaar geworden, de arbeider moet zichzelf verkopen. De kapitalist koopt de arbeidskracht van de arbeiders en hij consumeert de gebruikswaarde ervan door hen voor hem arbeid te laten verrichten. De gebruikswaarde van hun arbeidskracht levert waren op die de kapitalist toevallen. Een belangrijk kenmerk van de menselijke arbeidskracht is nu dat deze meer waarde (meerwaarde) kan produceren dan voor de reproductie ervan (levensmiddelen, behuizing, etc.) nodig is. Het overschot aan waarde, dat verkregen wordt door de arbeidskracht te gebruiken boven de waarde van de reproductie ervan, is de meerwaarde die de kapitalist zich toeëigent.
In zijn kritiek op de abstinentietheorie bestrijdt Marx de gedachte, dat inkomen uit kapitaal gerechtvaardigd zou kunnen worden op grond van het offer van de onthouding van consumptie. Marx stelt dat kapitaal geen waarde kan scheppen aangezien waarde als het ware gestolde arbeid is. Alleen levende arbeid is in staat waarde te scheppen.6 Marx ziet in winst (zijnde de prijssom van het meerproduct) dan ook iets dat door de arbeiders wordt gecreëerd en hen vervolgens weer wordt afgenomen. Grosso modo komt de kern van zijn waarde-analyse erop neer dat niet het kapitaal bron van de winst is (alhoewel dit ogenschijnlijk wel zo lijkt te zijn) maar dat de winst gezocht moet worden in de meerarbeid van de arbeiders.
Welnu, vanuit deze gedachtegang zou de bedrijfswaarde van een activum volledig autonoom kunnen worden vastgesteld, in die zin dat elke waarde steeds tot een hoeveelheid arbeid te herleiden is. Maar toch is dit te simpel geredeneerd, want zonder de factor arbeid te betrekken bij de gekozen productiewijze van de onderneming (zij het nu handel of dienstverlening) is het onmogelijk om tot de waardering van een bedrijfsmiddel te komen, want de waardecreatie is toch vooral het resultaat van menselijke inspanning.
Alhoewel de arbeidswaardeleer van Marx niet meer van deze tijd is (althans in Europa) en derhalve ook geen onderdeel meer is van de maatschappelijke discussie, raakt deze theorie nog steeds het centrale punt in de bedrijfswaarde-problematiek, namelijk in hoeverre de waarde en winstgevendheid van een onderneming (weliswaar niet primair, maar toch voor het overgrote deel) zijn terug te voeren op de factor menselijke arbeid, dat wil zeggen op de (menselijke) organisatie van de onderneming waarbij het vaste kapitaal slechts een ondergeschikte rol speelt? Deze zienswijze past zonder meer goed bij de huidige tendens waarbij veel meer belang gehecht wordt aan de menselijke factor in de onderneming. In het verleden lag veel meer de nadruk op investeringen in vaste activa (denk aan fiscale investeringsstimulerende maatregelen zoals de WIR en de investeringsaftrek alsmede andere overheidssubsidieregelingen).
Wanneer 'de geschiedenis van het economisch denken' tot uitgangspunt wordt genomen dan heeft deze volgens Zeegers7 opeenvolgende waardetheorieën gekend: nu eens werd waarde toegeschreven aan wat mooi of goed was, dan weer aan wat nuttig of zelfs maar aangenaam was, al naar gelang de heersende tijdgeest. In de visie van Zeegers hebben alle definities een te eenzijdig karakter. Hij geeft aan dat vanuit het economisch perspectief bezien, de waarde van een goed altijd voortvloeit uit de ontmoeting tussen twee personen: iemand die wil betalen om een goed te mogen verbruiken en een ander die bereid is om het te verkopen. (Laat ons vooropstellen dat Zeegers kennelijk uitgaat van de prijs aangezien de waarde slechts een fictie is die in het economische leven niet daadwerkelijk tot stand komt.)
In tegenstelling tot wat de wiskunde ons leert, bestaat er volgens Zeegers in de economie geen 'absolute waarde'. Alles is relatief. Dit is dan ook de reden waarom zogenaamd beslissende uitspraken over de prijzen die vigeren op een bepaalde markt meestal verkeerd zijn.
Maar niet alleen economen en juristen zijn wel eens het spoor bijster inzake het onderscheid tussen prijs en waarde, zelfs bij de wetgever is dit volgens Van Mourik8 het geval. Zo valt in art. 1:101 Burgerlijk Wetboek te lezen dat na ontbinding der gemeenschap ieder der echtgenoten de bevoegdheid heeft om bepaalde zaken tegen de geschatte prijs over te nemen. Een contradictio in terminis zo lijkt het, het is immers niet mogelijk een prijs te schatten doch uitsluitend een waarde. Zoals Van Mourik terecht opmerkt kan men eigenlijk een prijs slechts 'raden'.
Vervolgens stelt Van Mourik terecht dat bij het vaststellen van de verkoopwaarde van een object, de waardering zich als het ware in de imaginaire (markt)sfeer afspeelt waarbij met name het waarderingsproces `an sich' in de sfeer der verbeelding plaatsvindt.
Hoewel er steeds opnieuw over is gepubliceerd en gediscussieerd, blijft het door elkaar gebruiken van de begrippen 'prijs' en 'waarde' alsmede de misverstanden die dit oproept een hardnekkig verschijnsel. Eén van de vele voorbeelden in deze is Wolters9. Hij schrijft in 1990 in een artikel over het thema `waarde van de onderneming': 'De feitelijke waarde van de onderneming komt slechts, naar mijn stellige overtuiging, tot stand indien het waarderen gebeurt door diegene die bereid is zijn portemonnee daarvoor te trekken.' Welnu, het lijkt duidelijk dat hij met de feitelijke waarde in wezen de 'prijs' bedoelt, ofwel het bedrag als resultante van een daadwerkelijk tot stand gekomen transactie.
Sman10 wijst in zijn boek over de ondernemingswaarde (waarde van de gehele onderneming) allereerst op het belang van het onderscheid tussen prijs en waarde. De prijs definieert hij als het bedrag waartegen een koop/verkoop van een onderneming in werkelijkheid tot stand komt. De waarde van een onderneming daarentegen omschrijft hij als een theoretische prijs, dat wil zeggen gebaseerd op een gefingeerde overdracht van een onderneming (welke prijs zou er nu bij verkoop van de onderneming gerealiseerd worden?) en kan derhalve nooit een eenduidige, objectief vast te stellen grootheid zijn.
Sman introduceert een nieuw begrip, namelijk de 'theoretische prijs'. Een toch op z'n minst twijfelachtige benaming, want is het niet zo dat een prijs per definitie niet theoretisch kan zijn omdat dit het geldbedrag is waartegen een goed wordt verhandeld?
In feite, zegt Sman, kan de waarde van een onderneming niet los gezien worden van de mogelijkheden van een specifieke koper (synergie-effect). In een dergelijke situatie (waarbij de koper op zoek is naar een 'strategische fit') speelt de financiële 'performance' geen alles overheersende rol meer, maar wordt de waarde van een onderneming met name bepaald door kenmerken waar de markt op dat moment sterk het oog voor heeft. Deze kenmerken betreffen de branche, de bedrijfsschaal van de onderneming, de marktpositionering, de organisatiestructuur en ook de -cultuur. Anderzijds stelt Sman dat zolang geen overdracht van de onderneming aan de orde is, voor de waardebepaling van de onderneming uitsluitend de financiële kengetallen relevant zijn.
In dit kader introduceert Sman het begrip 'transactiewaarde' zijnde de geschatte commerciële waarde van een onderneming bij een veronderstelde overdracht aan derden. In wezen gaat het om de naar verwachting in de toekomst te realiseren prijs. Sman maakt daarbij onderscheid tussen twee situaties:
de onderneming bevindt zich in een blijvend zelfstandige positie;
de onderneming moet worden gezien in een (nieuwe) strategisch/structurele samenwerking met de kopende partij.
Daarnaast is er volgens Sman nog een derde scenariotype te onderscheiden, eigenlijk een tussenvorm van de bovengenoemde. Dit scenario kent als hoofdkenmerken dat er op korte termijn geen structureel ander toekomstscenario te verwachten is, nochtans dat op termijn via een nader aan te geven ontwikkelingsproces de basis gelegd kan worden voor een strategisch/structurele samenwerking met een strategische koper.
Sman vindt het belangrijk om onderscheid te maken tussen drie koperstypen. Dit onderscheid is van belang voor de totstandkoming van de overnameprijs omdat elke potentiële koper vanuit zijn eigen optiek en aspiraties een andere rekensom maakt:
de persoonlijke koper, ook wel aan te duiden als de 'opvolgende ondernemer'. Met name als ondernemingen op een kleinschalig niveau blijven opereren, kan de bedrijfsopvolging een groot probleem worden. In de Verenigde Staten zegt men niet ten onrechte: `The hardest job for the boss is to choose the next boss'.
de financiële koper, ook wel investeerder genoemd. Hij zoekt winstmogelijkheden op kortere of langere termijn.
de strategische koper. Hij is uit op de synergievoordelen.
Kort samengevat: Waarde is slechts een subjectieve/persoonlijke grootheid, terwijl een prijs de resultante is van een transactie die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarbij is de hoogte van een uiteindelijk gerealiseerde prijs sterk afhankelijk van het type koper (van de onderneming).