Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.4:7.3.6.4 (Tegen)bewijsgaring door de belastingplichtige
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.4
7.3.6.4 (Tegen)bewijsgaring door de belastingplichtige
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940196:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het behoeft geen betoog dat de belastingplichtige er belang bij heeft om te kunnen vaststellen welke bewijsmiddelen de inspecteur ten grondslag heeft gelegd aan de aanslag of beschikking die aan hem is opgelegd. Om tegenbewijs te kunnen leveren, zal hij moeten weten waarop hij zijn pijlen precies moet richten. Pas als de belastingplichtige weet waarop de inspecteur zijn standpunten baseert, kan hij goed bepalen welke andere bewijsmiddelen hij daar tegenover zou kunnen stellen. In voorkomende gevallen zal de belastingplichtige wellicht ook de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs door de inspecteur willen betwisten. De belastingplichtige zal dus een duidelijk beeld moeten hebben van de in het dossier van de inspecteur aanwezige bewijsmiddelen. Om dat mogelijk te maken, bestaan enkele bijzondere wettelijke voorschriften, die in het navolgende aan de orde komen.
7.3.6.4.1 Inzagerecht en op de zaak betrekking hebbende stukken in bezwaar7.3.6.4.2 Op de zaak betrekking hebbende stukken in beroep7.3.6.4.3 Art. 8:29 Awb en geheimhouding