Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.4.2
7.3.6.4.2 Op de zaak betrekking hebbende stukken in beroep
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940326:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staat eenmaal vast dat er sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk, dan moet het ook worden overgelegd, ook als dat een partij minder goed uitkomt, zie HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.20, BNB 2018/207, r.o. 2.4 en HR 23 mei 2014, V-N 2014/26.6, BNB 2014/186.
Zie voor een fraai voorbeeld (waarin het ging om de voorvraag naar het mogelijke bestaan van (meer) stukken) Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, V-N 2020/55.16, r.o. 4.4.
HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.25, r.o. 2.2.2.
HR 29 juni 2012, V-N 2012/34.8, BNB 2012/251, r.o. 3.1.2.
De Hoge Raad verbiedt dat evenmin (HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.25, r.o. 2.2.2).
Ook elektronische bestanden en (delen van) systematische gegevensverzamelingen zoals een database, waarin de gegevens waarop de inspecteur zijn beslissingen baseert, zijn verwerkt, bewaard en beheerd binnen een computersysteem, kunnen een op de zaak betrekking hebbend ‘stuk’ vormen. Zie daarover nader HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.3. e.v., bevestigd in HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.18, BNB 2018/182, r.o. 2.3.2. Uit laatstgenoemd arrest volgt bovendien, dat de inspecteur die zich baseert op een geautomatiseerd proces, inzicht moet geven in de manier waarop dat proces is ingericht (r.o. 2.3.3). Zie voor een gelijkluidend oordeel in de bezwaarfase Rb Gelderland 6 oktober 2021 (voorzieningenrechter), V-N 2021/45.16, r.o. 11.
Een blote, algemene stelling is daartoe onvoldoende, zie HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.27, BNB 2018/161 en HR 25 april 2008, V-N 2008/21.8, BNB 2008/161.
Zie daaromtrent nader in paragraaf 7.3.6.4.3 hierna.
HR 18 februari 2022, V-N 2022/10.16, r.o. 2.4.1, HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.24, r.o. 3.3, HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), HR 25 april 2008, V-N 2008/21.8, BNB 2008/161, r.o. 3.5.2.
HR 22 september 2017, V-N 2017/46.3, r.o. 2.4 (onder verwijzing naar de Conclusie van de A-G), HR 25 april 2008, V-N 2008/22.7, BNB 2008/162.
HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.27, BNB 2018/161.
HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.25, r.o. 2.2.4. Dat de belastingplichtige niet eerder (bij de feitenrechter) een verzoek heeft gedaan tot overlegging van het betreffende stuk, maakt niet uit.
HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.24, r.o. 3.3. Dat dit wellicht eerder had gekund, maakt niet uit.
Aldus ook Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017 (geheimhoudingskamer), V-N 2017/50.6, r.o. 3.3 en de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Rb Zeeland-West-Brabant 4 februari 2016, V-N 2016/23.11, die zulks mede afleiden uit HR 12 juli 2013, V-N 2013/35.10, BNB 2013/226.
HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), HR 14 november 2014, V-N 2014/59.21.3, r.o. 2.2, Hof Amsterdam 8 oktober 2015, V-N 2015/53.10, r.o. 4.1.1.
Deze stelplicht moet niet te licht worden opgevat, zie HR 3 maart 2017, V-N 2017/13.12, r.o. 4.1, maar mag ook niet te zwaar worden uitgelegd, zie HR 16 maart 2018, V-N 2018/16.3, BNB 2018/105, r.o. 2.3.2 en HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.20. Als motivering kan in dit verband bijvoorbeeld dienen dat bepaalde facturen licht kunnen werpen op de vraag of er elders in de keten sprake is geweest van carrouselfraude (zie HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), r.o. 2.3.1) of op de vraag of er wellicht een compromis is gesloten tussen de Belastingdienst en een derde (HR 16 maart 2018, V-N 2018/16.3, BNB 2018/105, r.o. 2.3.2).
HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), r.o. 2.3.2, HR 25 april 2008, V-N 2008/21.8, BNB 2008/161. Zie ook Hof Amsterdam 31 juli 2018, V-N 2019/12.18, r.o. 6.4.5 e.v..
HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), r.o. 2.3.2.
HR 18 februari 2022, V-N 2022/10.16, r.o. 2.4.2 (slotzin).
Aldus ook: Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017 (geheimhoudingskamer), V-N 2017/50.6, r.o. 3.4, Hof Amsterdam 8 oktober 2015, V-N 2015/53.10, r.o. 4.1.1. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2017, V-N 2017/15.1.2 (r.o. 4.6).
Hof ’s-Hertogenbosch 10 november 2017 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/7.4 (r.o. 3.11) en Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017 (geheimhoudingskamer), V-N 2017/50.7 (r.o. 3.2).
Naar mijn mening volgt uit HR 18 december 2015, V-N 2016/2.5, BNB 2016/47 duidelijk dat het gaat om alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur (r.o. 2.4.2). In HR 6 april 2018, V-N 2018/20.9, r.o. 2.5.2, gebruikt de Hoge Raad echter (in plaats van ‘belang voor de besluitvorming’) de term ‘belang voor de beslechting van het onderhavige geschil’.
HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2, bevestigd in HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.19, BNB 2018/170.
In de feitenrechtspraak wordt deze ruime interpretatie inmiddels ook als zodanig toegepast, zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2019 (geheimhoudingskamer), V-N 2019/57.20 en Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2020 (geheimhoudingskamer), V-N 2020/23.25.
HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.24, r.o. 3.3-3.4.
HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2,
HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.21, BNB 2018/201. Zie ook de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 8 februari 2019, V-N 2019/11.26.8 (art. 81 Wet RO), waarin twee belastingambtenaren bepaalde stukken van derden in een ander kader (een strafrechtelijk financieel onderzoek) op enig moment onder ogen hadden gehad, maar de inspecteur deze stukken niet zelf had gezien. Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van op de zaak betrekking hebbende stukken. In Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, V-N 2019/57.1.9, r.o. 4.17-4.22, vormden stukken uit een strafrechtelijk onderzoek wél op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat twee belastingambtenaren bijstand hadden verleend aan dat onderzoek en later weer handelingen als inspecteur hadden verricht in het fiscale dossier (N.B. het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van gronden, zie HR 28 augustus 2020, V-N 2020/44.14). Een vergelijkbare beslissing nam Hof ‘s Hertogenbosch in de zaak die heeft geleid tot HR 19 maart 2021, V-N 2021/16.10 (art. 81 Wet RO). Het ging daar om stukken die twee belastingambtenaren in het kader van door hen verleende bijstand aan de FIOD hadden ingezien, zonder dat die stukken (ook) aan de inspecteur waren verstrekt. Hoewel die bijstand pas had plaatsgevonden na de bezwaarfase, merkte het Hof de stukken aan als op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien de betreffende ambtenaren de inspecteur in (hoger) beroep hadden bijgestaan. De kennis van die ambtenaren moet dan aan de inspecteur moet worden toegerekend, aldus het Hof (zie m.n. r.o. 4.1.10 en 4.1.11).
HR 25 juni 2021, V-N 2021/28.20, r.o. 2.3.3. Als de FIOD een selectie van het strafdossier aan de inspecteur doorstuurt, geldt dus niet het gehele strafdossier als op de zaak betrekking hebbend stuk.
HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.21, BNB 2020/121, r.o. 2.4.2.
HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.20, BNB 2018/207, r.o. 2.4, HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.19, BNB 2018/170, r.o. 2.2. De omstandigheid dat de belastingplichtige het stuk zelf al heeft, kan wel relevant zijn voor het antwoord op de vraag wat de gevolgen moeten zijn wanneer de inspecteur dat stuk niet overlegt (het gaat dan om de toepassing van art. 8:31 Awb).
Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2020 (geheimhoudingskamer), V-N 2020/23.25, r.o. 3.12 e.v. (zie ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws). Overigens zou hetzelfde resultaat bereikt (kunnen) worden door toepassing van de derde subregel van bewijslastverdeling (inhoudende dat bewijs moet worden geleverd door de meest gerede partij, zie paragraaf 7.3.4.3).
HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.20 (zie voor de afloop van deze zaak HR 19 maart 2021, V-N 2021/16.10 (art. 81 Wet RO)).
Vgl. in dit kader de beoordeling van een bewijsaanbod, bijvoorbeeld door middel van getuigen. Een dergelijk bewijsaanbod kan niet worden afgewezen op grond van een prognose van de inhoud van de af te leggen verklaring of omdat de rechter de stellingen van de wederpartij reeds aannemelijk acht. Het te leveren getuigenbewijs kan die aannemelijkheid nu juist wegnemen. Zie paragraaf 7.3.7.3.2 hierna.
HR 18 februari 2022, V-N 2022/10.16, r.o. 2.4.2. Zoals de Redactie van Vakstudie-Nieuws in de Aantekening terecht opmerkt, kan dat ook het geval zijn als de inspecteur de originele stukken heeft teruggestuurd aan de belastingplichtige: de stukken hebben de inspecteur dan immers wel ter beschikking gestaan.
Het risico dat stukken die er wel zijn geweest en destijds een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming, in beroep niet meer kunnen worden teruggevonden of zijn verdwenen, komt voor rekening van de inspecteur, zie Hof Amsterdam 8 oktober 2015, V-N 2015/53.10, r.o. 2.6.
HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.24, r.o. 3.3.
HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.2.2-3.2.3. Als de inspecteur het enige, originele exemplaar van een aanslagbiljet aan de belastingplichtige heeft verzonden of uitgereikt, kan hij dat stuk eenvoudigweg niet aan de rechter overleggen, en dus hoeft hij dat ook niet. Als de inspecteur daarvan een kopie heeft, moet hij die uiteraard wél inbrengen. Het maken van een kopie is echter niet verplicht. Ook hoeven niet-bestaande stukken niet alsnog te worden vervaardigd.
HR 6 april 2018, V-N 2018/20.9, r.o. 2.5.2. Het enkele feit dat de inspecteur bekend is met het bestaan van bepaalde stukken is dus niet voldoende, zie HR 8 februari 2019, V-N 2019/11.26.8 (art. 81 Wet RO).
HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2. Zie voor enkele voorbeelden HR 11 november 2022, V-N 2022/50.18, r.o. 4.2.3 en Hof Den Haag 1 juli 2020, V-N 2020/53.24, r.o. 5.3.
HR 10 april 2015, V-N 2015/20.17, BNB 2015/129 (overzichtsarrest), HR 20 december 2013, V-N 2014/2.19, BNB 2014/58, r.o. 3.2.7, HR 12 juli 2013, V-N 2013/35.10, BNB 2013/226.
Zie bijvoorbeeld HR 22 februari 2019, V-N 2019/12.23, waarin een FIOD-dossier was vernietigd. Zie voorts HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.21, BNB 2020/121, r.o. 2.4.3.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2017/3.6. De Redactie Vakstudie-Nieuws heeft als mogelijke sanctie een verschuiving en verzwaring van de bewijslast geopperd, zie de Aantekening bij HR 14 september 2018, V-N 2018/51.16.
Zie de Hofuitspraak die leidde tot HR 22 februari 2019, V-N 2019/12.23, waarin het verwijzingshof de gevolgen van een te late melding betalingsonmacht in de zin van art. 36 Inv. achterwege liet.
Zie voor een voorbeeld waarin de inspecteur vanwege het niet overleggen van alle stukken geacht werd geen nieuw feit te hebben de zaak die heeft geleid tot HR 9 juni 2023, V-N 2023/28.18.
Zie voor enkele voorbeelden HR 14 september 2018, V-N 2018/51.16 en Hof Amsterdam 31 juli 2018, V-N 2019/12.18, r.o. 6.4.11 (uit het controledossier volgde dat er aantekeningen moesten zijn (geweest) die de basis hadden gevormd voor het controlerapport en de opgelegde naheffingsaanslagen).
HR 14 november 2014, V-N 2014/59.6, BNB 2015/46, r.o. 2.4 en HR 14 november 2014, V-N 2014/59.21.3, r.o. 2.2.
Vgl. HR 15 januari 2016, V-N 2016/7.1.2.
Zie de Hofuitspraak (r.o. 4.1.15) die heeft geleid tot HR 19 maart 2021, V-N 2021/16.10 (art. 81 Wet RO).
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, V-N 2019/57.1.9, r.o. 4.23 (N.B. het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van gronden, zie HR 28 augustus 2020, V-N 2020/44.14).
HR 2 december 2016, V-N 2016/64.12, r.o. 2.3, HR 2 december 2016, V-N 2016/64.16.14.
HR 4 mei 2018, V-N 2018/26.6, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2, HR 3 april 2015, V-N 2015/18.8, BNB 2015/119.
HR 19 februari 2016, V-N 2016/14.3. Zie omtrent die hoorplicht paragraaf 7.3.7.3.1.
HvJ EU 23 oktober 2014 (Unitrading Ltd.), nr. C-437/13, BNB 2015/26. Zie ook paragraaf 7.3.6.2.2 en paragraaf 11.4.2.3.
HvJ EU 17 juli 2014 (Y.S., M. en S.), nrs. C‑141/12 en C-372/12, JB 2015/34.
Voor de beroepsfase is in art. 8:42 Awb geregeld dat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen aan de rechter (en – daaruit voortvloeiend – aan de belastingplichtige).1 De rechter moet er actief op toezien dat de inspecteur deze verplichting nakomt.2 Als uit het dossier blijkt dat de ingezonden stukken niet volledig zijn, moet de rechter de inspecteur (ambtshalve) opdragen dat verzuim te herstellen3 en in de gaten houden of dat vervolgens ook daadwerkelijk gebeurt.4 De rechter is echter niet verplicht om ook ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die ten onrechte niet zijn overgelegd.5
Wanneer er discussie ontstaat over het antwoord op de vraag of een bepaald stuk6 als een op de zaak betrekking hebbend stuk moet worden overgelegd, rust op de belastingplichtige in feite slechts een stelplicht. Als regel dient tegemoet te worden gekomen aan een verzoek van de belastingplichtige tot overlegging van een bepaald stuk, indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.7 Dat is alleen anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van de geheimhoudingsbepaling van art. 8:29 Awb8 en in uitzonderingsgevallen zoals misbruik van procesrecht.9 De inspecteur kan dus niet volstaan met een betwisting, eenvoudigweg omdat de gegrondheid van die betwisting niet getoetst kan worden zonder inzage in het betreffende stuk.10 Verder moet de rechter, als hij een verzoek van de belastingplichtige afwijst, zijn beslissing uitdrukkelijk motiveren.11 De inspecteur moet de verplichting van art. 8:42 Awb in elke fase van het geding nakomen. Als de belastingplichtige er voor het eerst in cassatie over klaagt dat de inspecteur dat niet heeft gedaan, kan terzake echter geen feitenonderzoek meer plaatsvinden: het verzuim moet dan uit het dossier blijken.12 De belastingplichtige kan ook nog voor het eerst in een verwijzingsprocedure (na cassatie) de stelling innemen dat de inspecteur zijn plicht heeft verzaakt.13
In feite gelden er twee cumulatieve vereisten voor kwalificatie als een ‘op de zaak betrekking hebbend stuk’:14 het stuk moet de inspecteur daadwerkelijk ter beschikking staan of hebben gestaan én het stuk moet bij de besluitvorming enige rol hebben gespeeld.15 De reikwijdte van de inzageplicht beperkt zich dus op het eerste oog tot alle stukken die daadwerkelijk een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Voor de invulling van de stelplicht is het voor de belastingplichtige echter voldoende om gemotiveerd te stellen dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor die besluitvorming.16 Als de belastingplichtige daarin slaagt, moet het stuk worden overgelegd, ook als later blijkt dat het (toch) geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor die besluitvorming van belang is (geweest), kan immers niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud.17 Het perspectief is dus nadrukkelijk dat van de inspecteur bij zijn besluitvorming: het maakt niet uit of de belastingplichtige al dan niet gebaat is of zal zijn bij de (inhoud van de) stukken.18 Ook de bewijslastverdeling is in dit kader irrelevant. Het maakt voor de verplichting tot overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken geen verschil of de belastingplichtige de bewijslast heeft van stellingen waarvoor de stukken van belang (kunnen) zijn.19
Er heeft onduidelijkheid bestaan over het antwoord op de vraag wat in dit verband onder ‘besluitvorming’ moet worden verstaan. Enerzijds lijkt het logisch om hieronder alleen de besluitvorming door de inspecteur te verstaan (in de aanslagregelende fase en in de bezwaarfase).20 Anderzijds kan worden verdedigd dat ook stukken die van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter als op de zaak betrekking hebbend moeten worden aangemerkt.21 De Hoge Raad was aanvankelijk niet volstrekt consequent in zijn formuleringen en liet ruimte open voor beide lezingen.22 In 2018 heeft de Hoge Raad echter uitdrukkelijk bepaald dat de verplichting tot overlegging zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen.23 Dat betekent dat ook stukken die van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter, op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.24 Het kan zelfs gaan om stukken die van belang zijn voor de beslissing die de rechter in de verwijzingsprocedure (na cassatie) moet nemen.25 De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, het stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk is en dus volledig moet worden overgelegd.26
Ook stukken waarvan niet de inspecteur zelf, maar (andere) medewerkers van de Belastingdienst, die betrokken zijn geweest bij de aanslagregeling of de bezwaarbehandeling, kennis hebben genomen, kunnen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.27 Hetzelfde geldt voor stukken die zijn opgesteld of vergaard door ambtenaren van een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst (zoals de FIOD) of door personen buiten de Belastingdienst (zoals het Openbaar Ministerie). In zulke gevallen geldt steeds dat slechts sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken als deze de inspecteur ter beschikking (hebben ge)staan en zij van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Die beoordeling moet voor elk stuk afzonderlijk plaatsvinden.28
In zaken waarin een aansprakelijkstelling aan de orde is, kan de aansprakelijkgestelde ook de omvang van de belastingschulden waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, betwisten. In dergelijke gevallen gelden ook alle op die belastingschulden betrekking hebbende stukken als op de (aansprakelijkheids)zaak betrekking hebbend, die de ontvanger daarom zo nodig bij de inspecteur moet opvragen.29
Verder is van belang, dat wanneer de belastingplichtige zelf al beschikt over een bepaald stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in zijn zaak, de inspecteur dat stuk toch als op de zaak betrekking hebbend moet overleggen.30 Waarschijnlijk geldt hetzelfde voor stukken waarover de belastingplichtige niet beschikt, maar die hij (na enige moeite) wel zou kunnen krijgen: als de inspecteur diezelfde stukken al heeft, moet de inspecteur ze gewoon overleggen.31 Ook kan een gemotiveerd verzoek om overlegging van een bepaald stuk niet worden afgewezen op de grond dat de rechter het geschilpunt waar dat stuk betrekking op heeft, reeds op basis van ander bewijsmateriaal kan beslechten.32 Het op de zaak betrekking hebbende stuk kan immers juist een ander licht werpen op die andere bewijsmiddelen.33 Als de belastingplichtige stelt dat hij eerder (bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting in bezwaar) originele stukken aan de inspecteur heeft gegeven, zal moeten worden vastgesteld of die stukken de inspecteur (nog steeds) ter beschikking staan of hebben gestaan. Als dat het geval is (geweest) en de inspecteur die stukken niet overlegt, kan er sprake zijn van een schending van art. 8:42 Awb.34
Ten slotte is duidelijk dat er geen sprake kan zijn van een schending van art. 8:42 Awb ten aanzien van stukken die überhaupt niet (hebben35) bestaan,36 de inspecteur niet (zelf37) (meer38) ter beschikking (hebben ge)staan,39 niet van belang zijn (geweest) voor de besluitvorming of niet meer van belang (kunnen) zijn voor de beslechting van het geschil.40 De belastingplichtige die dat betwist, moet zijn stelling motiveren.41
Wanneer eenmaal vast staat dat er sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk dat (dus) moet worden overgelegd, terwijl de inspecteur blijft weigeren om dat te doen of niet (meer) in staat is om dat te doen,42 is het op grond van art. 8:31 Awb aan de rechter om daaruit ‘de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen’. Die gevolgtrekkingen kunnen erin bestaan dat aan de weigering een bewijsvermoeden in zijn nadeel wordt ontleend,43 dat een voor de belastingplichtige nadelig (wettelijk) bewijsvermoeden wordt opgeheven,44 maar ook dat – als ultieme consequentie – de rechter het standpunt van de belastingplichtige volgt45 en – in extremo – zelfs dat de gehele aanslag wordt vernietigd.46 Aan de andere kant van het spectrum bestaat evengoed de mogelijkheid dat de rechter in het geheel geen nadelige gevolgen verbindt aan het verzuim,47 bijvoorbeeld als de inspecteur zijn stelling reeds op andere wijze (met andere bewijsmiddelen) heeft bewezen,48 als in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen stukken inmiddels zijn teruggegeven aan de belastingplichtige,49 of als de belastingplichtige het schenden van de verplichting pas laat in de procedure aanvoert zonder duidelijk te maken dat hij daardoor is benadeeld.50
Hoewel de rechter bij de toepassing van art. 8:31 Awb dus een grote vrijheid heeft, vergt het al dan niet verbinden van consequenties aan het verzuim wel degelijk een belangenafweging. Ter zake van die afweging geldt een motiveringsplicht: de rechter moet daarvan – zeker wanneer die consequenties verstrekkend zijn – verslag doen in zijn uitspraak, waarbij hij niet voorbij mag gaan aan standpunten die partijen terzake hebben ingenomen.51 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt bovendien dat de rechter verplicht is om partijen vooraf in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over zijn voorgenomen beslissing om de procesrechtelijke sanctie van art. 8:31 Awb toe te passen.52
Ten slotte is nog van belang dat de nog te bespreken Europeesrechtelijke ‘hoorplicht vooraf’ zich mede uitstrekt tot het recht op inzage.53 Hoewel het HvJ EU kwesties van toelaatbaarheid van bewijs primair als aangelegenheid van nationaal procesrecht aanmerkt,54 garandeert het EU-recht tot op zekere hoogte ook zelf een (aanvullend) recht op inzage in elke fase van het geding.55