Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/8.5.4
8.5.4 Ordnungsgemäβe Anhörung
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS358271:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
BAG 28 februari 1974, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 2; BAG 26 mei 1977, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 14; BAG 29 augustus 1991, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 58; BAG 16 september 1993, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 62.
Bader 2000, p. 62; Hümmerich 2000, p. 346.
Tot informatie over de persoon van de werknemer behoren in ieder geval: naam, leeftijd, burgerlijke stand, duur van het dienstverband en eventuele onderhoudsverplichtingen. Zie BAG 15 november 1995, NZA 1996, p. 421. Vgl. Hohmeister 1991, p. 210; Ohlendorf & Fuhlrott 2011.
BAG 28 februari 1974, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 2; BAG 26 mei 1977, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 14. Vgl. Glan & Von Vogel 2008, p. 338; Hohmeister 1991, p. 210.
§ 102 Abs. 1 BetrVG, tweede zin.
BAG 6 februari 1997, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 85; BAG 15 november 1995, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 73. Zie meer specifiek wat de werkgever moet meedelen aan de Betriebsrat voor de in de praktijk meest voorkomende ontslaggronden: Thüsing 2014, § 102 BetrVG Rn. 58-69; Ohlendorf & Fuhlrott 2011; Hümmerich, 2000, p. 351-354; Rinke 1998, p. 81-85; F. Hohmeister 1991, p. 210-212.
BAG 8 september 1988, NZA 1989, p. 853; BAG 18 mei 1994, NZA 1995, p. 24; BAG 22 september 1994, NZA 1995, p. 364; BAG 6 februari 1997, NZA 1997, p. 657.
Glanz & Von Vogel 2008, p. 338; Hümmerich 2000, p. 346; Bader 2000, p. 59; Rinke 1998, p. 78; Hohmeister 1991, p. 210.
Zie BAG 18.12.1980 und 1.4.1981, AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 22 en 23. Vgl. Thüsing 2014, § 102 BetrVG Rn. 125-126.
BAG 7 oktober 1975, AP BetrVG 1972 § 130 Nr. 1; 19 augustus 1975 AP BetrVG 1972 § 102 Nr. 5.
Koch 2012, § 102 BetrVG Nr. 165.
BAG 16 maart 2000, NZA 2000, p. 1335. Vgl. Koch 2012, § 102 BetrVG Rn. 163.
BAG 24 april 2008, NZA 2008, p. 1316. Vgl. Koch 2012, § 102 BetrVG Rn. 165.
BAG 12 augustus 2010, 2 AZR 104/09. Vgl. Koch 2012, § 102 BetrVG Rn. 165b.
Schiefer 2002, p. 771; J.H. Bauer 2002, p. 531. Vgl. ook: Preis 2003, p. 73.
Een opzegging is ingevolge § 102 Abs. 1 BetrVG nietig indien de Betriebsrat niet vooraf geraadpleegd is. Naar vaste rechtspraak leidt daarnaast ook het niet naar behoren raadplegen (nicht ordnungsgemä,8e Anhörung) van de Betriebsrat tot nietigheid van de opzegging.1 Van een nicht ordnungsgemä,8e Anhörung is sprake indien de werkgever de Betriebsrat onvolledig heeft ingelicht omtrent de aan de opzegging ten grondslag liggende feiten.2
Volgens rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht is de raadplegingsprocedure van § 102 BetrVG alleen dan naar behoren ingeleid, indien de werkgever de Betriebsrat informeert over de persoon van de op te zeggen werknemer,3 de soort opzegging (ordentlich of auβerordentlich), de opzegtermijn en de ontslaggrond(en) onder nadere omschrijving van de onderliggende feiten.4 Overigens volgt ook uit de tekst van § 102 Abs. 1 BetrVG expliciet dat de werkgever verplicht is om de gronden voor de opzegging mee te delen.5 De werkgever moet de ontslaggrond(en) en de onderliggende feiten volgens vaste rechtspraak zo gedetailleerd weergegeven dat de Betriebsrat zich zonder nader onderzoek een beeld kan vormen over de deugdelijkheid van de opzegging en kan beoordelen of het zinvol is bedenkingen tegen de opzegging ontslag te uiten of de opzegging te ‘widersprechen’ (zie hierover paragraaf 8.5.6).6 Daarbij geldt volgens het Bundesarbeitsgericht een subjectieve benadering.7
De werkgever moet alle gronden noemen die in zijn optiek dragend zijn voor het voornemen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met de werknemer.8 Hij hoeft dus niet alle mogelijke ontslaggronden voor te dragen. Niet aan de Betriebsrat meegedeelde gronden, kunnen echter niet meer later ingebracht worden in een eventueel gerechtelijk ontslagproces.9
Naar opvatting van het Bundesarbeitsgericht is het aan de werkgever om te bewijzen dat de Anhörung van de Betriebsrat ordnungsgemäβ is geweest.10 Er geldt echter een gefaseerde bewijslast (abgestuften Darlegungslast).11 Allereerst is vereist dat de werknemer de ordnungsgemäβe Anhörung van de Betriebsrat in zijn algemeenheid betwist.12 Vervolgens is het dan aan de werkgever om overtuigend uiteen te zetten dat de Betriebsrat correct is gehoord. Eerst wanneer de werkgever dit is nagekomen, is het aan de werknemer om concreet aan te geven op welke punten hij de ordnungsgemäβe anhörung voor onjuist of onvolledig houdt.13 De werkgever kan vervolgens de door de werknemer betwiste feiten proberen te bewijzen.14
De plicht tot ordnungsgemäβe Anhörung van de Betriebsrat, zoals in de rechtspraak ontwikkeld, wordt door verschillende Duitse auteurs bekritiseerd. In het algemeen komt de kritiek erop neer dat de rechtspraak de eisen aan § 102 Abs. 1 BetrVG te veel heeft opgetrokken. Zij zijn dermate veel omvattend en moeilijk in te schatten, dat het ook tot een struikelblok kan leiden voor opzeggingen die uit materieel oogpunt zonder meer rechtvaardig zijn.15